Tussen verleiding en verlichting

 

Techniek als constructie en essentie

 

 

Inhoud

 

1. Inleiding. 5

Afbakening onderwerp. 8

Probleemstelling. 8

Opzet van de aanpak. 9

Ernst en actualiteit van het thema. 11

2. Argumentatie van het (sociaal) constructivisme. 14

Bijker 14

Aanscherping van de argumentatie. 18

Intermezzo. 21

Latour 23

Aanscherping van de argumentatie. 29

Intermezzo. 34

3. Het constructivisme en de filosofie van de techniek. 37

Feenberg. 37

Aanscherping van de argumentatie. 43

Intermezzo. 46

Achterhuis. 48

Aanscherping van de argumentatie. 55

Intermezzo. 58

4. Argumentatie van de klassieke filosofie van de techniek. 61

Ellul 62

Aanscherping van de argumentatie. 70

Intermezzo. 73

Heidegger 76

Aanscherping van de argumentatie. 84

Intermezzo. 87

5. Evaluatie en conclusie. 91

Het begrip techniek. 97

Het micro- meso- en macro-niveau. 99

Explanans en explanandum.. 107

Case: de Russische ommekeer 109

Technische determinatie. 112

Het sturen van techniek. 115

De menselijke autonomie. 119

Het technisch substantivisme. 124

Case: de windmolen. 125

Historische deconstructie. 137

Een grondslagenstrijd. 146

De ontwerp- en ontwikkelfase. 155

Samenvatting: de stoomlocomotief. 169

Conclusie. 179

6. Hoe ik het momenteel zie. 187

7. Illustratieve millenniummaanden.. 202

Gebruikte literatuur 229

 

Voorwoord

 

Toen tot ons doordrong wat de verschrikkingen van de wereldoorlogen betekende, en toen we gingen nadenken over hoe een moderne beschaving tot zo iets in staat was, dachten we al snel dat het de technologie zelf was die ons in de macht leek te hebben. Cultuurfilosofen gaven de techniek van alles de schuld, hoewel iedereen een eigen kijk op techniek bleek te hebben. Als product was het de atoombom, als systeem was het de technische perfectie van de nazistische bureaucratie, als wereldbeeld was het de wil tot macht die onder de rationele dekmantel tevoorschijn was gekomen en uiteindelijk was het onze technische blik waarmee we de natuur en dus ook de mens deden verstarren tot grondstof voor onze eigen subjectieve doelen.

 

Wie het eerst uit deze nachtmerrie wakker geworden is weet ik niet. Sommige filosofen zagen in dat deze eenzijdigheid geen recht deed aan de werkelijkheid. Sommige technici merkten op dat deze filosofie niets meer te maken had met hun gewone werkzaamheden en gingen over op de orde van de dag. Als je kijkt naar de concrete technische apparaten waarmee we onze dagelijkse lasten verlichten heb je geen diepzinnig beschouwing nodig, is hun opvatting. Moderne technische producten zijn handig en efficiënt. Men moet niet zeuren dat de mens door de technologie steeds meer verslaafd raakt aan het materiële, want dè mens bestaat niet, en dè technologie ook niet. Bovendien kan de toenemende nadruk op het materiële steeds beter rationeel beheerst worden, zodat er steeds meer tijd vrij komt voor het niet-materiële. Verleid door de ogenschijnlijke efficiëntie laat men zich echter mogelijk zand in de ogen strooien: juist in onze vrije uurtjes loopt immers de klok en moeten wij zonodig aan onszelf werken. Met niet-rationele passie vluchten we uit de werkelijkheid weg en storten ons in de veilig afgebakende werkelijkheid van een door de tv en de media-producers geconstrueerde werkelijkheid.

 

In de intermezzo's wordt de kern van het debat in de techniekfilosofie verkend aan de hand van moderne techniekfilosofen zoals Bijker, Latour, FeenbergAchterhuis enerzijds en de klassieke techniekfilosofen zoals Ellul en Heidegger anderzijds. Aan de hand van 3 voorbeelden wordt het (virtuele) debat verlevendigd: de Russische ommekeer, de windmolen en de stoomlocomotief.

 

 

de millenniumklok


door drs ir Albert Vlug

download hier de pdf versie


1. Inleiding

"Al doende leert men." Het reflecteren op menselijk handelen lijkt met de mens gegeven. Van oudsher is het reflecteren gemotiveerd in een begeerte naar wijsheid en het handelen is gecultiveerd in het artistiek vakmanschap van een technisch ambacht. De filosofie van de techniek begint in die zin al bij de Grieken. "Techniek imiteert de natuur" is een inmiddels veel geciteerde uitspraak van Aristoteles uit het tweede boek van de Physica en met zijn voorbeelden sluit hij aan bij Democritus, die stelt dat het bouwen van huizen en het weven van kleren pas uitgevonden werden na het bestuderen van de bouwactiviteiten van zwaluwen en spinnen. De teleologische opvatting van de natuur wordt door Aristoteles uitgewerkt in de leer van de vier 'oorzaken' van een ambachtelijk vervaardigen.

 

Zowel de techniek als de filosofie hebben zich sinds die tijd ontwikkeld. De Middeleeuwse ontwikkeling en introductie van mechanische klokken in de 10e eeuw, watermolens in de 11e eeuw, de windmolens in de 12e eeuw, de brillen in de 13e eeuw en het ontwerp van  robotachtige meetinstrumenten uit de 15e eeuw  (p.98) 99 hebben de weg voorbereid naar de wetenschappelijke doorbraak van de Renaissance.[*] De opvatting dat het universum vergelijkbaar is met een klok die ooit door God gemaakt is, kwam niet uit de lucht vallen, maar is al in 1382 door de Bisschop van Lisieux geopperd. De wisselwerking tussen techniek, wetenschap en metafysica werd in een metaforische opvatting van de techniek al vroeg concreet gemaakt.  

 

De Franse en Industriële Revolutie introduceerden een vorm van techniek die maatschappelijk en geestelijk een omslag betekende. Het rationalisme sloot een monsterverbond met het materialisme: de verleiding van de efficiëntie werd vrijwel onweerstaanbaar. Gilden verdwenen, arbeiders kregen ander werk, nieuwe wetmatigheden werden vastgesteld en een technische vooruitgang was merkbaar. In de  maatschappelijke onrust was het Marx die de geestelijke omslag van bijvoorbeeld gildebrood naar machinebrood en van brood als ‘vormgegeven arbeid’ naar brood dat gekocht wordt als consumptiegoed, als volgt verwoordde: ‘brood is een zeer gecompliceerd ding, vol metafysische spitsvondigheid en theologische grillen’. (p.20)9  Hoewel in de tweede helft van de 19e eeuw het vooruitgangsgeloof floreerde, ontstond ook een tegenbeweging die technische utopieën als een blauwdruk voor een maatschappij ontmaskerde als dystopieën. De techniekpessimisten zagen in de rol van de techniek in de twee wereldoorlogen de ultieme bevestiging van hun argumenten. In de literatuur zijn de bekendste dystopieën: 'Brave New World' van Huxley (1932), '1984' van Orwell (1948) en 'Lord of the flies' van Golding (1954). De bom waarmee de hele aarde ontwricht zou kunnen worden, maakte voor het eerst in de menselijke geschiedenis een maakbare apocalyps actueel. In de filosofie werd de techniek als techniek geproblematiseerd en bevraagd. De ambivalentie ten opzichte van de techniek werd in het filosofisch debat herkenbaar in de keuze van de thema's. Zo kon Heidegger, pas na zijn ervaringen met de Nazipartij, zijn kritiek uit de jaren 20 op de moderniteit verbinden met het probleem van de techniek. Hij vraagt daarbij naar het verschil tussen de zaagmolen in het dal van het Zwarte Woud en een in de Rijn geplaatste waterkrachtcentrale met turbines en generatoren. Hij betoogt dat er een wezenlijk verschil is tussen een radarstation en een weerhaan en niet slechts een verschil in complexiteit.(p.6)42 Het bevragen van de ontologie, het wezen van de techniek, wordt  ‘substantivisme’ genoemd. Techniekoptimisten daarentegen wijzen op de welvaart die tijdens de naoorlogse wederopbouw voor iedereen beschikbaar kwam dankzij de techniek.

 

Een volgende golf in de ontwikkeling van de techniek die geleid heeft tot nieuwe inzichten in de filosofie van de techniek is het systeemkarakter van de techniek. De computer symboliseert niet alleen de mogelijkheid om alle technische apparaten aan elkaar te koppelen tot een infrastructureel netwerk voor de huidige maatschappij, maar de computer kan ook gebruikt worden om de gevolgen van één systeem, bijvoorbeeld de economische consumptie, voor een ander systeem, bijvoorbeeld de exploitatie van de olievoorraad, door te rekenen. Het rapport van de Club van Rome illustreerde dit door de eindigheid van grondstoffen op basis van computermodellen te voorspellen. Onder invloed van het technocratisch schrikbeeld, waarin het einde van ons leefklimaat in zicht komt door een ongebreidelde toepassing van productiemethoden ten behoeve van een kapitalistische maatschappij, ontstond in de jaren '60-'70 van de 20e eeuw een linkse tegenbeweging, waarin computers het raam uit gegooid werden en het communisme als enig alternatief omhelsd werd. In de bestudering van het communisme en socialisme ontdekte filosofen echter dat het veranderen van de wereld complexer was dan Marx had voorzien. Zo schrijft Ellul dat tot zijn stomme verbazing er een belangrijke overeenkomst was in kapitalisme en communisme, namelijk het koste wat het kost vergroten van de industrie ten behoeve van  ontwikkeling van technische objecten.(p.31)28 Men kwam tot de ontdekking dat technologie het beslissende is in de verklaring van de huidige tijd en dat technologie eenzelfde verklarende rol kan vervullen als het kapitaal bij Marx deed. Technologie blijkt een eigen dynamiek te bezitten, die nauwelijks individueel te beïnvloeden is. Het onderzoeken van de technologie als ‘invisible hand’ in het maatschappelijk gebeuren wordt ‘determinisme’ genoemd. Omdat zowel het substantivisme als het determinisme het eigenlijke van de techniek zoeken zijn ze beide te karakteriseren als ‘essentialisme’.

 

Een laatste ontwikkeling in de techniek en de reflectie daarop kan worden gekarakteriseerd met de opkomst van het (sociaal) constructivisme. De term ‘sociaal’ wordt niet door alle constructivisten gebruikt en staat daarom tussen haakjes. Deels als reactie op het politieke onvermogen om wereldproblemen op te lossen, deels uit onvrede met de filosofische bevestiging van dat onvermogen door de autonomie van de techniek centraal te stellen, kwam men ertoe om de techniek meer in haar lokale context te bestuderen. Het idee is dat techniek ter plaatse door diverse partijen gestuurd en vorm gegeven kan worden. Zo laat Bijker zien dat bij de ontwikkeling van de fiets, het bakeliet en de TL-buis meer in het spel is dan een technische constructie. Techniek is niet zozeer een verzamelnaam voor allerlei producten, maar elk product is een toevallige uitkomst van een samenwerking van allerlei sociale factoren: het is een (sociale) constructie. Op deze wijze zitten niet alleen allerlei opvattingen van de 'constructeurs' verwerkt in een product, maar het product stelt (of veronderstelt) ook allerlei randvoorwaarden in de omgeving waardoor men eigenlijk zou moeten spreken van techniek als een ingrijpen in de sociale wereld. Feenberg spreekt in dit verband van een technische code. Hij benadrukt daarbij de lokale variabelen en de diversiteit van de socio-technische systemen, en verwerpt het substantivisme van Heidegger waarin aan de techniek een zekere mate van autonomie wordt toegekend en het determinisme van Ellul waarin aan de techniek een dominante rol wordt toegekend. Ook Achterhuis probeert los te komen van het abstracte substantivisme om de nieuwe kijk van het (sociaal) constructivisme te kunnen honoreren. Hij geeft aan dat hij met zijn laatste boek over de 'Erfenis van de utopie' de klassieke techniekfilosofie van Heidegger en Ellul van zich af heeft willen schrijven. Momenteel wordt het (sociaal) constructivisme op verschillende wijzen uitgewerkt en het lijkt daarmee een dominante stroom in de eigentijdse techniekfilosofie te worden.

 

Hoewel voor een eigentijdse techniekbeschouwing voornamelijk de laatste (constructivistische) benadering historisch adequaat lijkt, ontkomt men er toch niet aan vertrouwd te worden met de noties uit de voorgaande techniekbeschouwingen. Het (sociaal) constructivisme zet zich immers expliciet af tegen de voorafgaande klassieke techniekfilosofie (en is er in haar kritiek dus mee verbonden), terwijl de klassieke techniekfilosofie zich op haar beurt beroept op middeleeuwse en antieke opvattingen. Voor een goed begrip van de argumenten in het debat dient men daarom regelmatig terug te grijpen op voorafgaande  techniekbeschouwingen. Ondanks de historische bepaaldheid van de huidige tijd, komen we blijkbaar niet los van noties uit het verleden. De Griekse gedachtewereld, de middeleeuwse metafysica en de socialistische samenlevingsidealen blijven een rol spelen in de (verklaring van de) huidige debatten. Toch wil ik mijn focus beperken en uitgaan van de empirische wending, waarin men de klassieke techniekopvatting wil inruilen voor een constructivistische.

 

Afbakening onderwerp

Wanneer het huidige techniekdebat (te) kort maar krachtig samengevat wordt, gaat het om de (gewetens)vraag hoe het komt dat de (westerse) mens de greep op de techniek verloren heeft. De klassieke techniekfilosofen stellen dat het door de techniek zelf komt die zich autonoom is gaan ontwikkelen (Ellul) of dat er iets in het wezen van de techniek zit dat zich aan het menselijk willen onttrekt (Heidegger). De constructivisten gaan daar tegen in door te stellen dat de techniek nog altijd door mensen wordt geconstrueerd en dat we onze kritiek op de techniek beter kunnen aanwenden om het constructieproces te analyseren, want daar hebben we de techniek wel in de greep. In deze verhandeling wil ik de toenemende belangstelling binnen de filosofie van de techniek voor het constructivisme ten koste van de klassieke techniekfilosofie kritisch bevragen. Het gaat om een kritisch onderzoek naar de weerlegging van het determinisme en het substantivisme in de empirische wending van de techniekfilosofie. Ik wil een bijdrage leveren aan een opheldering van het debat waarin men de (historische) stappen van de klassieke techniekfilosofie beschouwt als onnodige tussenstappen die de techniek of de ontwikkeling daarvan niet verder zouden kunnen helpen.

 

Probleemstelling

Wat kan de filosofie van de techniek, waarin het determinisme en het substantivisme een belangrijke rol spelen, betekenen voor een (sociaal) constructivistische benadering van de techniek, gegeven de poging van de constructivisten om het determinisme en het substantivisme van de klassieke techniekfilosofie te weerleggen?

 

 

 

 

 

Deze vraag wordt opgesplitst in de volgende deelvragen:

 

1.      in hoeverre is de weerlegging van het determinisme en het substantivisme nodig voor het (sociaal) constructivisme?

=>  ik zal hiervoor de argumenten van het (sociaal) constructivisme inventariseren

 

2.      in hoeverre worden het determinisme en het substantivisme weerlegd?

=>  ik zal hiervoor de argumenten van het determinisme en het substantivisme inventariseren en een analyse van het debat geven

 

3.      in hoeverre is de weerlegging van het determinisme en het substantivisme schadelijk voor het (sociaal) constructivisme?

=>  ik zal hiervoor het waardevolle van het determinisme en het substantivisme evalueren

 

4.      in hoeverre is een samengaan van de klassieke en de constructivistische benaderingen mogelijk?

=>  ik zal nagaan of er een weg is met behoud van het waardevolle van beide benaderingen

 

 

Opzet van de aanpak

In hoofdstuk 2 wil ik de argumentatie van de (sociaal) constructivisten beluisteren. Het gaat daarbij om de wijze waarop men de klassieke techniekfilosofie van repliek dient. Men kan kritiek hebben omdat men de beweringen of uitgangspunten feitelijk onjuist vindt (feitelijke kritiek), of omdat men de argumentatie van de klassieke techniekfilosofen innerlijk niet consistent vindt (immanente kritiek), of omdat men zelf een andere opvatting heeft (transcendente kritiek), of omdat men op zoek is naar de mogelijkheidsvoorwaarde van die theorie (transcendentale kritiek). Deze onderscheiding is voor de probleemstelling van belang, aangezien ik wil onderzoeken wat de klassieke techniekfilosofie zou kunnen betekenen voor het (sociaal) constructivisme. Als het constructivisme feitelijke of immanente kritiek heeft, zal die betekenis klein zijn. Als zij transcendente kritiek heeft is het leren van elkaar in principe wel mogelijk. Transcendentale kritiek tenslotte, kan aangeven onder welke voorwaarden een eventueel samengaan zou kunnen plaatshebben.

 

In hoofdstuk 3 zal ik de argumenten van de klassieke techniekfilosofie inventariseren, voorzover die in het huidige debat met de constructivisten een rol spelen. Ik wil daarmee ophelderen hoe hedendaagse techniekfilosofen de betekenis van het constructivisme zien voor die techniekfilosofie.

 

In hoofdstuk 4 zal ik het gebruik van de opvattingen van de techniekfilosofie ijken aan de hand van de klassieke techniekfilosofen zelf. Alvorens te kunnen beoordelen of de klassieke techniekfilosofie iets kan betekenen voor het constructivisme, moet men er immers zeker van zijn dat de essentie van deze filosofie niet verloren is gegaan.

 

In de hoofdstukken 2, 3 en 4 zullen steeds twee hoofdfiguren aan het woord komen. Ik heb een keuze gemaakt in de wijze van bevragen. In de eerste plaats wil ik de zes denkers methodisch gelijk behandelen en recht doen aan hun eigen woordgebruik en opgebouwde gedachtegang. Aan de andere kant wil ik me beperken tot de thema's waar de probleemstelling aanleiding toe geeft. Ik heb daarom besloten om de bevraging van de denkers te splitsen in 1) een samenvattende weergave van de thema's zoals die voor het onderzoek van belang zijn, en wel vanuit de eenheid en gedachtegang van de denkers zelf en 2) een thematische weergave en nadere aanscherping van de argumentaties. Voor de eerste samenvattende weergave wordt van elk van de denkers een boek gekozen waarin de eigen gedachtelijn het duidelijkst naar voren komt. Voor de tweede thematische weergave kan teruggegrepen worden op een breder oeuvre, maar nog steeds zal de betreffende denker bevraagd worden en zal ik me zo veel mogelijk onthouden van transcendente kritiek.

 

In hoofdstuk 5 zullen de thema's van de afzonderlijke denkers bijeengevoegd en bediscussieerd worden. Doel van dat hoofdstuk is om verschillen en overeenkomsten in begrippen, argumentatie en visie helder te krijgen, zodat de deelvragen beantwoord kunnen worden en een bijdrage geleverd kan worden voor de aanpak van de hoofdprobleemstelling.

 

Natuurlijk zullen in alle voorliggende hoofdstukken mijn eigen gedachten, visies, ervaringen en meningen een bepaalde rol spelen. In de hoofdstukken 2, 3 en 4 zullen ze, weliswaar op de achtergrond, toch meespelen in de keuze van de vragen en in de formulering van de vragen. Zelfs voor een weergave van een andermans standpunt is begrip en dus interpretatie nodig en binnen het filosofische discours is men het er over eens dat dit onvermijdelijk is en in ieder geval aangeeft dat het idee van een volledige objectiviteit mank gaat. In hoofdstuk 5 zal mijn eigen opvatting al meer sturing geven aan de rubricering en beoordeling van de thema's, hoewel ik zoveel mogelijk recht wil doen aan de denkers op wiens werk ik mij verlaat. Om toch een soort transparante verantwoording te geven van mijn eigen opvattingen, heb ik hoofdstuk 6 toegevoegd.

 

Hoofdstuk 7 is tenslotte een illustratie van het besprokene uit mijn eigen praktijkervaring. Het gaat tenslotte niet om een filosofisch discours als zodanig, maar om de ervaring van menselijke macht en menselijke onmacht in de inrichting of sturing van onze (technische) maatschappij. Alle denkers willen ingaan op die (grond)ervaringen en alle denkers komen tenslotte uit bij het zoeken naar een antwoord op de vraag wat kan een mens doen, hoe zou hij kunnen (of moeten) leven. Naar mijn gevoel kwam in de (uiteindelijk psychologische) crisis van het millenniumprobleem op praktische wijze aan het licht hoe verweven mens en techniek zijn en hoe de macht en onmacht van maatschappelijke sturing kan leiden tot het ‘standby-zetten’ van energie, mensen en machines.

 

De intermezzo's zijn tussengevoegd als transcendente kritiek. Op ironische wijze is geprobeerd niet alleen het hoofd, maar ook het hart te laten spreken. Niet alleen vanuit de theorie, maar juist vanuit de technische praktijkervaring in mijn leven wordt een karikatuur gemaakt van de gedachtegang van de besproken denkers om een aantal subtiele oneffenheden in mijn ogen uit te vergroten. Vanuit mijn werkkamer op de 21e verdieping van de Erasmus Universiteit verbeeld ik mij graag dat ik naast Erasmus op de godenbank heb plaatsgenomen en het gewemel en het gepruts van al die kleine mensjes gadesla. De lof der zotheid relativeert niet de ernst van de levensproblemen, maar wel de wijze waarop we er met z'n allen mee omgaan.  

 

Ernst en actualiteit van het thema

In de bestrijding van het millenniumprobleem werd ik geconfronteerd met diepgewortelde grondstemmingen ten aanzien van de techniek in het algemeen en ten aanzien van computers in het bijzonder. Enerzijds was er het volstrekte ongeloof dat een klein probleempje in één computer een ernstige bedreiging kon vormen voor maatschappelijke processen waar inventieve mensen de leiding hebben, en anderzijds was er een overtuigende angst, met name bij directeuren van bedrijven in de informatie-technologie, dat de gegroeide afhankelijkheid van computernetwerken zich zou manifesteren in een apocalyps van de westerse beschaving. Los van de vraag of het uitblijven van een grootschalige impact tijdens de jaarwisseling naar 2000 één van beide houdingen achteraf gelijk heeft gegeven, was het opmerkelijke dat men in de tijd van een (mogelijke) 'break-down' kennelijk terugviel op een basisvertrouwen in de mens en zijn maakbare samenleving of op een basisangst voor de techniek en haar onvoorspelbare gedrag met oncontroleerbare gevolgen.

 

Deze grondhoudingen ten aanzien van techniek zijn niet nieuw. In utopieën wordt al vanaf het verhaal van de torenbouw van Babel (± 2000 vC) , de 'Utopia' van Moore (1516) en het 'Nova Atlantis' van Francis Bacon (1626) het paradijs op aarde gerealiseerd door mensen met behulp van techniek. En in de mythologie van de westerse cultuur zijn het onder andere Prometheus, Leviathan en de doctoren Faust en Victor (bouwer van Frankenstein) die niet beseffen dat het experimenteren met techniek net zo gevaarlijk kan zijn als spelen met vuur en kan uitlopen op een vernietiging van de mens. Deze haat-liefde verhouding ten opzichte van techniek is niet alleen ideologisch of filosofisch bespreekbaar, maar ook in de dagelijkse praktijk herkenbaar. Men koopt een wasmachine voor het gemak, omarmt een cv voor het comfort en vervangt een auto voor de status, bejubelt een telefoon vanwege de belangenloze bijdrage aan de communicatie, en is dankbaar voor de wijze waarop we de EHBO kunnen realiseren. Tegelijkertijd vindt men videorecorders onhandelbaar, wordt een volautomatische klimaatregeling aangewezen als de oorzaak van het sick-building-syndrome, moet de snelheid van de auto gereguleerd worden omdat er teveel doden vallen in het verkeer, is men bang dat mobiele telefoons of chronische jetlags de hersenen aantasten en wordt alles wat technisch kan in de gezondheidszorg onbetaalbaar als we het ook voor iedereen beschikbaar stellen.

 

Men heeft wel geopperd dat er geen sprake is van een ambivalentie ten opzichte van techniek, maar van een extreme mate van verering: het eerbiedig en dankbaar gebruik van techniek is zo ver doorgeschoten dat men ontzag krijgt voor de techniek en er voor gaat vrezen. In het kader van ‘technology assessment’, waar men techniek en techniekbeleid evalueert, heeft men daarentegen geconstateerd dat de politieke instanties eigenlijk twee tegengestelde houdingen ten aanzien van techniek aannemen: enerzijds zijn er de subsidies en technologische-innovatie-projecten die de techniekontwikkeling aanwakkeren, anderzijds zijn er de regulerende en normerende wetgevers, die de impact proberen in te dammen. Het is begrijpelijk, maar toch betreurenswaardig dat deze twee gezichten niet in één instantie, laat staan in één benadering verenigd zijn. Het is bovendien betreurenswaardig dat de pogingen die ondernomen worden om tot een toenaderend gesprek te komen vaak resulteren in een afwijzing van één van beide benaderingen.

 

 

 

 

In een modern rationeel debat, waarin nog niet de postmoderne ontspanning alle inzichten tot meningen nivelleert, is voelbaar dat men zich wel wil ontdoen van de erfenis van mythen, utopieën en metafysische overbodigheden maar toch niet ontkomt aan de authenticiteit van die ambivalente grondervaringen. Tegelijkertijd dient men ervoor te waken dat het rationele debat niet onnodig ingewikkeld wordt door opvattingen van anderen te lichtvaardig te interpreteren als ‘gebaseerd op een verouderde mythologie’ om die vervolgens af te kunnen keuren met een impliciet beroep op de huidige tijdgeest. Met de ernst van de ervaringen en de gestrengheid van een eerlijke argumentatie wil ik het beoogde debat analyseren en in hoofdstuk 5 dunnetjes over doen.


2. Argumentatie van het (sociaal) constructivisme

In dit hoofdstuk wil ik nagaan in hoeverre de weerlegging van de klassieke techniekfilosofie nodig is voor het (sociaal) constructivisme. Achtereenvolgens zullen Bijker en Latour aan het woord komen.

 

De (sociaal) constructivistische benaderingen in techniekstudies hebben het afgelopen decennium de nodige aandacht gekregen van techniekfilosofen. Deze aandacht heeft enerzijds te maken met een kritiek op deze benaderingen100 en anderzijds met een poging om elementen uit deze benaderingen op te nemen in de eigen techniekfilosofische studies.31 (zie p.xvi)34 Waar de filosofie van de techniek zich bezig houdt met de vraag naar de aard en het wezen van de techniek enerzijds (o.a. tot uiting komend in het substantivisme) en de impact van techniek op maatschappelijke en ethische kwesties (meer in het algemeen: dingen van waarde) anderzijds (o.a. tot uiting komend in het determinisme), veronderstelt men dat het (sociaal) constructivisme een bijdrage kan leveren aan de filosofie van de techniek door een empirische evaluatie te geven van de claims aangaande aard en impact van technologie. Idealiter stelt het (sociaal) constructivisme nieuwe hypothesen op als alternatieve claims, waarbij zij zich concentreert op het ontwikkelingsproces van techniek, omdat ze ervan uitgaat dat tijdens de ontwikkeling van techniek sociale en culturele effecten vastgelegd worden. Naast deze algemene overeenkomsten wijst Brey ook op verschillen.(deel 3)17 Sinds het begin van de (sociaal) constructivistische techniek studies, zo rond 1985, zijn er minstens twee stromingen te onderscheiden: een strikte of harde stroming en een brede of milde stroming. In strikte zin wordt het (sociaal) constructivisme vormgegeven door de invloedrijke stroming van 'Social Construction of Technology' (SCOT) met de Nederlandse Bijker als belangrijkste pleitbezorger. In een bredere zin wordt het constructivisme vertegenwoordigd door Latour met zijn actor-netwerk-theorie. Binnen deze bredere benadering kan weer een verder onderscheid worden gemaakt, maar die laat ik verder buiten beschouwing, aangezien de argumenten van Bijker en Latour in het debat met de klassieke techniekfilosofen (voornamelijk over het technisch determinisme) een prominente rol vervullen en daarnaast omdat ze samen een groot gedeelte van het spectrum van (sociaal) constructivistische opvattingen beslaan.

 

Bijker

In zijn dissertatie uit 1990 (waaruit ik hierna steeds zal citeren)11 beschrijft Bijker het doel van zijn studies: "het beschrijven en begrijpen van het ontwikkelingsproces van technische artefacten. Het samenspel van maatschappij en technologie is in dat ontwikkelingsproces het meest intiem te zien." (p.10) Voor een theoretisch begrip van dit ontwikkelingsproces kon hij echter niet te rade gaan bij historische, filosofische of economische techniekstudies. Zijn kritiek op de filosofische techniekstudies is 1) dat ze geen gedetailleerde empirische analyse geven van de ontwikkeling van het betreffende technische artefact, 2) dat ze zelfs niet streven naar het begrijpen van de ontwikkeling van een stuk techniek, maar liever een karakterisering geven van techniek en van een technologische cultuur in algemene termen, 3) dat ze impliciet een lineariteit in het  ontwikkelingsproces aannemen, en 4) dat ze een asymmetrische verklaring hanteren. Bijker voegt daaraan toe dat het eerste punt, namelijk het ontbreken van empirische studies, een van de belangrijke punten van kritiek is. En als er sprake is van empirische studies, dan geldt punt 2, namelijk dat ze op een te hoog niveau geaggregeerd zijn om de techniek-inhoudelijke kanten mee te laten spelen, terwijl die nodig zijn om een adequate verantwoording te geven van innovatiestrategieën. In de veelgebruikte metafoor stelt Bijker dat techniekfilosofen de techniek als 'de black-box van Pandora' dicht laten zitten.

 

Het probleem van punt 3 (de aanname dat er een lineaire ontwikkeling is van bijvoorbeeld zuiver wetenschappelijk onderzoek, naar toegepast onderzoek, naar techniek ontwikkeling, naar productontwikkeling, naar productie en uiteindelijk gebruik), is dat men al te gemakkelijk een impliciete teleologie inleest in het materiaal, "alsof de wereld van vandaag het precieze doel is waar alle beslissingen, vanaf het begin van de geschiedenis, bewust naar toe wijzen." (p.12) Men valt daardoor al snel in de valkuil van retrospectieve vervorming. Met zijn sociale constructie van de 'Hoge Bi fiets' (met het grote voorwiel en het kleine achterwiel, ontwikkeld in de periode 1879-1897) geeft Bijker aan dat op de ontwikkelingsweg naar de 'veilige fiets', die uiteindelijk in massaproductie ging, er vele fietsen geproduceerd, in gebruik genomen en afgekeurd werden. Er is dus niet een eenduidige (door techniek gedomineerde) ontwikkelingsweg, lijkt Bijker te willen zeggen.

 

Het probleem van punt 4, de asymmetrische verklaring, is dat men het succes van een artefact impliciet gebruikt als verklaring voor de dynamiek van zijn ontwikkeling (waardoor men geen nadere verklarende werkzaamheden verricht), terwijl het falen van een artefact verklaard wordt door sociale factoren, zoals 'de tijd was nog niet rijp' of 'het product was zijn tijd vooruit'. Een symmetrische verklaring daarentegen gebruikt voor het verklaren van succes en falen eenzelfde raamwerk. Vervolgens neemt Bijker zijn positie in: "een symmetrische verklaring waarin het 'werken' of 'niet-werken' als intrinsieke technische eigenschappen van de machine worden gehanteerd, voldoen niet als oorzaken voor succes of falen". (p.22) Het al dan niet 'goed werken' van een machine is geen intrinsieke, maar een eigenschap die wordt toegedicht door een bepaalde subgroep gebruikers. Ter illustratie verwijst Bijker naar de Hoge Bi fiets: geoefende mannen vonden dat die fiets goed werkte, comfortabel was en erg sjiek, terwijl vrouwen de fiets beschouwden als een gevaarlijk, ongeluk-gevoelig en dus niet-werkend vervoermiddel. Zelfs het goed werken van een product is dus voor Bijker geen technische eigenschap die de ontwikkeling stuurt; het is een sociaal bepaalde eigenschap. Er zijn dus geen intrinsieke technische eigenschappen die de ontwikkeling sturen, lijkt Bijker te willen zeggen.

 

De punten 3 en 4 vormen, volgens Bijker, het fundament voor een technologisch determinisme. In zo'n technologisch deterministische visie, wordt technologie gezien als relatief autonoom en determinerend voor maatschappelijke ontwikkeling. In zo'n visie, aldus Bijker, wordt het beeld van technologie gedomineerd door elementen van 'autonomie', 'interne dynamica' en 'vallend buiten het domein van controle'. Een van de achtergrondmotieven om zijn dissertatie te schrijven is voor Bijker het argumenteren tegen zo'n opvatting van technologie. "Een technologisch deterministische visie is geen stimulans voor de deelname van burgers in processen van democratische controle van technologie. (..) Wanneer we geen (sociaal) constructivistisch beeld van techniek-ontwikkeling bouwen, waarin we de mogelijkheden en randvoorwaarden van verandering en keuze benadrukken, dan zal een groot gedeelte van het publiek zich afkeren en de technologie inderdaad uit de hand laten lopen." (p.15)

 

Om een beschrijving te kunnen geven van technische ontwikkelingen, waarin allerlei actoren sturing aan die ontwikkeling kunnen geven, wil Bijker een theorie opstellen. Hij stelt een aantal eisen aan zo'n theorie. De eerste eis is dat een dergelijke theorie recht moet doen aan het contingente karakter van techniekontwikkeling. Dit is echter niet genoeg, want als er geen structurele verklaringen voor menselijk handelen gelden en er alleen maar een vrije sturing is van individuele actoren en als zelfs de randvoorwaarden contingent zijn, hoe kan dan ooit betekenisvolle geschiedenis ontstaan? De tweede eis die aan een theorie gesteld moet worden is dan ook dat constantheid en continuïteit bestaan en dat naast technische verandering ook stabiliteit van artefacten beschreven en verklaard moet kunnen worden. In de derde plaats wil Bijker de techniekontwikkeling symmetrisch verklaren en de vierde eis is dat de theorie recht moet doen aan het belang van strategieën van actoren en aan de rol van structurele condities waarbinnen die actoren leven.

 

Vervolgens formuleert hij aan de hand van een drietal case-studies (fiets, bakeliet en TL-lamp) nieuwe concepten die een technische ontwikkeling kunnen beschrijven en verklaren. Het eerste kernbegrip is 'relevante sociale groep', waarmee de door de actoren relevant gevonden groepen worden onderscheiden. De onderzoeker kan deze onderscheiden groepen hanteren in de vaststelling van de betekenissen die deze groepen aan het artefact geven. Zo kan het al dan niet goed werken van een artefact per relevante sociale groep anders zijn. Het begrip 'betekenis-flexibiliteit' wordt daarmee geïllustreerd: een artefact als een bundeling betekenissen. Vervolgens kunnen de 'stabilisatieprocessen' en destabilisatieprocessen van het artefact in kaart gebracht worden. In de beschrijving van het stabilisatieproces wordt het begrip 'technisch raam' gebruikt om de standaardoplossingen te schetsen. Een technisch raam bevat de doelstellingen, gedachten en oplossingsmogelijkheden die gebruikelijk zijn voor bekende problemen. Bij de opbouw van een (gezamenlijk) technisch raam speelt het artefact de rol van 'exemplaar' en is de betekenis-flexibiliteit sterk afgenomen: het artefact is harder geworden en moeilijker te wijzigen, want alle relevante sociale groepen hebben erin geïnvesteerd. Naast de standaardoplossingen geeft een technisch raam tevens structurele beperkingen: men is blind voor creatieve oplossingen. Een technisch raam werkt meer belemmerend naarmate een actor een hogere inclusie heeft (dat wil zeggen: sterker verbonden is met het technisch raam, dus voornamelijk denkt en handelt binnen dat raam). Baekeland die een betrekkelijk lage inclusie in het technisch raam van de Celluloid technici had, slaagde er als enige bijvoorbeeld wel in om de phenol-formaldehyde reactie te realiseren die uiteindelijk leidde tot het eerste kunststof: Bakeliet. In de interactie tussen de verschillende relevante sociale groepen kan een bepaald artefact ook de rol krijgen van 'grens-object', waarmee bedoeld wordt dat er niets meer te wijzigen is aan het artefact en dat men  moet accepteren dat het artefact een dominante rol speelt bij de formulering van het technisch raam (het is een 'verplicht doorgangspunt') of men moet het artefact (in zijn geheel) inzetten als wisselgeld in de onderhandelingen. De TL-lamp was bijvoorbeeld een verplicht doorgangspunt: actoren die wilde deelnemen aan de markt van de fluoriscerende lampen, moesten van General Electric accepteren dat hun hoge intensiteitslamp als de enige daglicht-fluoriscerende lamp, in het spel meedeed.

 

Als eerste aanzet tot een theorie worden drie mogelijke configuraties onderscheiden: 1) er is geen technisch raam dat de interacties stuurt, 2) een van de relevante sociale groepen met een eigen technisch raam is dominant en 3) de verschillende groepen en hun technische ramen zijn even belangrijk. In de eerste configuratie kunnen er verschillende (radicale) innovaties ontstaan omdat er geen leidend (noch belemmerend) technisch raam is. In de tweede configuratie is er sprake van monopolistische omstandigheden en zullen de innovaties conventioneel zijn (standaardoplossingen in het dominante raamwerk). In de derde configuratie kunnen externe criteria belangrijk worden en zal men zoeken naar win-win oplossingen waarbij de innovaties dubbel conventioneel zijn, omdat ze moeten voldoen aan meerdere technologische ramen. Zo is de TL-lamp niet ontworpen door ingenieurs achter tekentafels, maar volgens Bijker "aan een conferentietafel, toen de stafleden van de elektriciteitsbedrijven en de lamp-producenten de lieve vrede in het Amerikaanse verlichtingswereldje probeerden te bewaren." (p.217)

 

Bijker sluit zijn dissertatie af met opmerkingen, waarvan hijzelf aangeeft dat ze buiten de scoop van de dissertatie liggen. In de eerste plaats stelt hij dat zijn theorie universeel toepasbaar is, niet alleen voor technisch artefacten maar ook voor allerlei sociale instituties (en alles wat daar tussenin ligt) en daarvoor introduceert hij de term sociotechnische ensembles. In deze ensembles zijn het technisch en het sociale in gelijke mate verbonden: "het technische is sociaal geconstrueerd en het sociale is technisch geconstrueerd." (p.186) Verder spreekt hij uit dat technisch reductionisme (waarin de maatschappij verklaard wordt door een reductie tot technische ontwikkeling) noch sociaal reductionisme (waarin het technische beschouwd wordt als zijnde gedetermineerd door het sociale) zijn methode zou moeten zijn. Daarmee verbonden geeft hij aan een pleidooi te voeren voor symmetrische rollen voor menselijke en niet-menselijke actoren, al voegt hij daar direct aan toe dat "dit voorstel onderwerp is van verhitte debatten". (p.187)

 

Aanscherping van de argumentatie

Nu de bouwstenen zijn aangewezen waarmee Bijker zijn (sociaal) constructivisme opbouwt, wil ik nader ingaan op de vraag: hoe verloopt zijn argumentatie tegen de klassieke techniekfilosofie en in hoeverre heeft hij die argumentatie nodig voor zijn (sociaal) constructivisme? Ik ga daarbij nog niet de confrontatie aan vanuit de techniekfilosofie, maar zal proberen eerst meer duidelijkheid te krijgen over de wijze waarop Bijker zelf de klassieke techniekfilosofie wil weerleggen. Ik zal een aantal immanent kritische vragen stellen.

 

Bijker geeft zelf aan dat de weerlegging van het technisch determinisme hem een dissertatie waard is. Hoewel hij bij het determinisme en de autonomie niet verwijst naar Heidegger of Ellul, heeft hij duidelijk wel de klassieke techniekfilosofie op het oog. Bijker lijkt het technologisch determinisme in de techniekfilosofie te willen weerleggen om te voorkomen "dat een groot gedeelte van het publiek de techniek de rug toekeert, waarmee de techniek echt 'out of control' raakt." (p.15) Verder stelt hij dat "een technologisch determinisme de burgers niet echt stimuleert om te participeren in democratische controle van de techniek". (p.15) Bijker zoekt dus naar een mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de techniek en in zijn zoektocht stuit hij op het technologisch determinisme en op de autonomie van de techniek die beide zo'n mogelijkheid lijken te ontkennen. Bijkers weerlegging van het technologisch determinisme verloopt vervolgens in 2 stappen: 1) de basisaannamen waarop het technologisch determinisme is gefundeerd worden blootgelegd en 2) daarna ondergraven.

 

Volgens Bijker is het technologisch determinisme gebaseerd op de impliciete aanname van een lineaire techniekontwikkeling (zijn derde punt van kritiek) en op de asymmetrische analyse van de technologie (zijn vierde punt van kritiek). Helaas maakt hij niet duidelijk hoe hij dat ziet. Wellicht verwijt hij het technologisch determinisme dat men met terugwerkende kracht een lineaire verklaring geeft alsof een technisch product er uiteindelijk wel zo uit moest zien, zoals het er uitziet, omdat het nu eenmaal door de techniek (en haar eenduidige norm van efficiëntie) gedetermineerd is. En wellicht bedoelt hij met de asymmetrische analyse dat het technologisch determinisme niet het falen van de techniek thematiseert, maar de dominantie van techniek juist wil aantonen met succesverhalen die verklaard worden uit intrinsieke technologische eigenschappen. Hij zegt dit echter niet. Stel dat ik nu aanneem dat hij iets dergelijks inderdaad voor ogen heeft: hoe belangrijk is deze weerlegging dan voor zijn theorie van het (sociaal) constructivisme?

 

Zijn eis dat een constructivistische theorie contingentie moet kunnen verklaren en symmetrisch moet analyseren, zegt nog niets over het uitsluiten van lineariteit of de noodzaak om asymmetrie te verbieden. Men zou immers kunnen stellen dat lineariteit een speciaal geval is van contingentie en in het model van Bijker zou dat zelfs beschreven kunnen worden wanneer er maar één relevante sociale groep is met een artefact dat een rol speelt als grens-object. Ten aanzien van de eis om een symmetrische analyse te geven van succes en falen van een artefact, ligt de kwestie ingewikkelder. De eis lijkt in eerste instantie plausibel omdat het 'werken' van een artefact en het 'niet werken' van een artefact elkaars tegenpolen lijken te zijn en dus in dezelfde terminologie verklaard zouden moeten (kunnen) worden. Afgezien van het feit dat deze plausibiliteit in nadere instantie al discutabel is (wie bepaalt immers of een 'esthetisch goed werken' en een 'ethisch niet goed werken' onder eenzelfde terminologie valt?) is het Bijker kennelijk om iets anders te doen. Hij zegt: "het gebruik van 'goed werken' van een artefact als verklaring in de studie van technologie lijkt hetzelfde te zijn als het gebruik van 'de verborgen hand van de Natuur' als verklaring in veel standaard studies van wetenschap. Dat wil zeggen: vaak wordt verondersteld dat wetenschappelijke feiten blijken te doen wat ze doen omdat de Natuur hen daartoe dicteert." (p.21) Het verwerpen van natuur(wetten) als verklaring motiveert Bijker kennelijk om ook 'de werking van een artefact' als verklaring te verwerpen. Net zoals de natuur zelf juist verklaard moet worden, moet ook de werking van een artefact verklaard worden. Het gaat kennelijk niet zozeer om de eis van een symmetrische analyse op zich, want een symmetrische analyse die het succes of falen verklaart vanuit een intrinsiek goede of slechte werking wordt kennelijk ook verworpen. Belangrijk voor Bijkers sociaal-constructivistische theorie is dus het verwerpen van intrinsiek technische eigenschappen als verklaring. En dat lijkt inderdaad niet te combineren met een klassieke techniekopvatting waarin het technische een dominante of autonome rol vervult (in welke zin dan ook). Het lijkt zelfs onverenigbaar met elke poging om effecten van technische aspecten als zodanig te beschrijven.

 

Wanneer Bijker vereist dat een intrinsiek technische eigenschap van een artefact geen oorzaak mag zijn voor bepaalde effecten, kan er op het niveau van artefacten ook geen technische determinatie zijn in de zin van 'bepaalde fenomenen of effecten die door techniek gedetermineerd zijn'. Deze eis weerlegt het technisch determinisme misschien niet, maar maakt het determinisme wel onverenigbaar met het sociaal-constructivisme. Dit laat echter nog een aantal vragen open: 1) waarom is deze eis nodig voor een sociaal-constructivistische theorie, 2) kunnen of mogen er in een sociaal-constructivistische theorie überhaupt wel intrinsiek technische eigenschappen beschreven worden en 3) als er wel intrinsiek technische eigenschappen in een sociaal-constructivistische theorie bestaan, kunnen of mogen die dan een bepaalde mate van autonomie hebben?

 

Op de eerste vraag blijft Bijker het antwoord schuldig, hij stelt eenvoudig dat "in een symmetrische verklaring de 'werking' en 'niet-werking', als intrinsieke technische eigenschappen van een machine, niet figureren als oorzaken voor achtereenvolgens zijn succes of falen." (p.22) Maar als Bijker de technische eigenschappen als verklaring verwerpt, laat hij dan nog wel plaats voor techniek als zodanig? Het is opmerkelijk dat Bijker deze tweede vraag zelf ook stelt: "Hebben we, door de sociale constructie van technologie, ons zicht op het materiële, de 'dingheid' van de artefacten, verloren? Ik zal laten zien dat dit niet het geval is." (p.181) In de direct daarop volgende passages gaat het echter alleen om 'betekenissen' en de verschillende mate van 'onverbeterlijkheid': 'flexibel', ‘minder flexibel’ en 'vast' en om de rol die een artefact als 'vaste betekenis' kan spelen in het vaststellen van een technisch raam (gedachten en probleem-oplossingsstrategieën) en grensbepalingen van het technisch raam. Wel maakt Bijker een interessante opmerking op het moment dat hij bespreekt dat een artefact een 'vaste betekenis' krijgt: "nu kan het gebeuren dat, naïef gesproken, een artefact zijn sociale ontwikkeling 'determineert'." (p.182) Betekent dit dat het materiële in het technische, hermeneutisch opgevat, dan toch determinerend kan werken? Maar wat betekent een hermeneutische opvatting van het materiële? Ik kan mij voorstellen dat dit de vragen zijn uit het verhitte debat waar Bijker in zijn toegift op wees. In een voetnoot aldaar verwijst hij naar Latour en het lijkt erop dat door Latour een andere insteek binnen het (sociaal) constructivisme kiest, terwijl op de derde vraag naar de autonomie van technische fenomenen expliciet wordt ingegaan.

 

Intermezzo Bijker

Ik heb het gevoel dat ik er bijna ben, maar de echte doorbraak laat nog op zich wachten. Langzaam fiets ik naar mijn werk. Het is half 8 en de wind heb ik tegen. Mijn gemiddelde snelheid is 15 km per uur, en inderdaad heb ik er ook langer over gedaan dan gebruikelijk is. Gelukkig ben ik baas over mijn eigen tijd, dat is zo het voordeel van een R&D plek. Als ik geen afspraak had gehad was ik thuis gebleven, daar werk ik toch rustiger en meer geconcentreerd. Voor de ontwerpfase is dat nodig. Rust, ruimte, een potlood en veel papier. Al vier maanden werk ik nu aan deze opdracht: het ontwerpen van een automatische versnellingsbak voor een fiets. Er is al veel gedaan, maar echt veel resultaat is er niet. Eigenlijk heb ik dus ook niets te rapporteren, maar ja mijn chef wilde dat ik erbij was wanneer zijn onderzoeker weer kwam. Veel weet ik niet van die onderzoeker, wel dat hij veel engels spreekt en waarschijnlijk van fietsen houdt, want ze noemen hem allemaal meneer 'biker'. Ik denk dat hij het als hobby doet, maar misschien is hij wel prof. In het begin vond ik hem wel aardig, hij heeft ons toen ook geweldig geholpen. Toen de overheid ons project wilde stoppen omdat er na drie maanden niets uitgekomen was, en alle grote fietsfabrikanten rapporten hadden opgestuurd dat het ‘technisch onmogelijk’ was, heeft hij ervoor gezorgd dat het toch door kon gaan. Als ik het goed begrepen heb heeft hij alleen maar laten zien dat het argument niet deugde. Niet de techniek, maar de economische belangen van de fabrikanten dreigde onze innovatie te blokkeren. Ook heeft hij laten zien dat de opa's en oma's die onze prototypen uitproberen erg enthousiast waren. Later in de kantine hebben we nog veel lol gehad om zijn formulering: 'ze zijn een relevante sociale groep met een lage inclusie in het technisch frame.'

 

Maar goed, nu zie ik hem weer en dat vind ik minder leuk. Laatst was hij zo maar ongeïnteresseerd weggelopen toen ik nog geen nieuw prototype had, terwijl ik wekenlang aan allerlei ontwerpen had gewerkt. Misschien snapt hij gewoon niet dat ik aan een idee werk. Hij mag dan in staat zijn om aan anderen uit te leggen dat er 90% transpiratie nodig is voor een uiteindelijk product, maar hij ziet niet die 10% inspiratie, laat staan de transpiratie die nodig is voor die inspiratie. Het zou natuurlijk ook kunnen zijn dat hij bang is om af te gaan als hij moet toegeven dat er toch een technische reden is voor de trage ontwikkeling. Enfin, we zullen wel zien. (...) Op het afgesproken tijdstip kwam mijn chef de werkplaats binnen. Voor de gelegenheid had ik de automaat in de versie van eergisteren maar weer in elkaar gezet, maar nog niet op een proeffiets geïnstalleerd. De onderzoeker had nog iemand meegenomen en we dronken eerst een bak koffie, dat wil zeggen zij twee kopjes en ik een mok: verschil moet er zijn. Mijn chef vroeg hoe het ermee ging en ik legde hem het probleem voor waar ik soms nachten van wakker lig: het automatisch schakelen is technisch onder de knie, maar het geheel geeft teveel weerstand. Voor de assistent voegde ik daaraan toe: 'dus het fietsen wordt iets zwaarder'. Mijn chef vroeg hoe dat komt en dus legde ik het probleem uit: 'het koppel in de laagste versnelling is nodig om op te trekken en dat is vele malen hoger dan het koppel dat nodig is om een rijdende fiets rijdend te houden. Om het koppel in die laagste versnelling aan te kunnen moeten we de hele bak overdimensioneren.' Omdat de assistent nog niet had afgehaakt, zei ik: 'het geheel moet zo sterk zijn dat het de krachten van het hoogste koppel makkelijk aankan. Maar door alles zoveel zwaarder uit te voeren, gaat het netto rendement van het lagere koppel in de hogere versnellingen naar beneden.' Mijn chef begreep het, want hij vroeg: 'dus het zwaarder trappen in de hoogste versnelling is door een fietser wellicht niet eens merkbaar, maar het is technisch gezien niet echt optimaal?'

 

De onderzoeker had tijdens de laatste zinnen zijn ogen gericht op het model van eergisteren en vertelde dat hij alle black-boxen altijd al had willen openmaken. Na een goedkeurend knikje van mijn chef overhandigde ik hem de ratel, maar hij noch zijn assistent wilden hun handen vuil maken: het ging hun om een 'beschrijving van binnenuit'. Ik begreep daar niets van en zij begrepen kennelijk niets van mijn prachtige, weliswaar technisch nog niet perfecte maar toch al autonome mechanisme, want ze stapten op en met een 'als je weer een werkend prototype heb, bel je maar', liepen ze de kamer uit. Volgens mijn chef gaan ze nu 'democratische machten mobiliseren om invloed uit te oefenen op de sociale relatie die ik in deze fase van het ontwerpproces met het betreffende fietsonderdeel heb'. Het klonk als een demagogisch dreigement en ik voelde me schuldig. Ik had het sterke gevoel dat ik ze weer teleurgesteld had, maar wist niet waarom. Op de terugweg naar huis kreeg ik de ingeving. Ineens wist ik hoe het probleem van het sub-optimale koppel omzeild kon worden. Met mijn mobieltje belde ik naar de onderzoeker en vertelde hem geestdriftig mijn doorbraak. 'Cont ...' hoorde ik, maar de verbinding was niet zo goed. 'Wat zegt u?', riep ik. 'Toeval!' riep hij en toen viel de verbinding weg. Ik realiseerde me dat ik weer te vlug was geweest. Hij had nog zo gezegd dat ik hem pas mocht bellen als er een werkend prototype was dat in de praktijk uitgeprobeerd kon worden.

 

Latour

Als resultaat van een zevenjarige discussie publiceerde de Franse filosoof Latour in 1987 zijn boek 'Science in Action', waaruit we hierna zullen citeren.66 De ondertitel van de Nederlandse vertaling luidt: 'wetenschappers en technici in de maatschappij', maar aan het eind van het boek zijn de begrippen 'wetenschap en techniek' en 'maatschappij' behoorlijk gedeconstrueerd. Het gaat Latour vooral om actie, voor, tijdens en na 1) het formuleren van uitspraken en 2) het formeren van machines. Geheel consistent met deze opvatting begint hij zijn boek met de vraag: "Waar moeten we een studie van wetenschap en technologie beginnen?" (p.11) Reeds in de inleiding wordt een Januskop van 'resultaat' tegenover 'actie' afgebeeld en dit zal een leidraad blijken te zijn in het hele boek. De kant-en-klare wetenschap links als een oude man en de wetenschap in wording rechts als een jonge man. Beide benaderingen zijn totaal verschillend, beiden hebben heel andere problemen en vraagstellingen. De oude man links wil dat de feiten kloppen, terwijl de jonge man rechts wil weten hoe je alle nutteloze feiten kwijtraakt. De oude man links wil gewoon de meest doeltreffende machine, terwijl de jonge man rechts wil weten wat doeltreffend is. De oude man links zegt: als de machine eenmaal werkt, zullen alle mensen overtuigd zijn, de jonge man rechts zegt: als alle betrokken mensen overtuigd zijn, werkt de machine. Latour stelt vast dat helaas bijna niemand geïnteresseerd is in wetenschap in wording. "De miljoenen of miljarden buitenstaanders kennen wetenschap en technologie alleen van populariseringen, waarin de feiten en artefacten die wetenschap en techniek produceren over hen heen komen als een uitwendig lot dat vreemd, even onmenselijk en even onvoorspelbaar is als het oude fatum van de Romeinen." (p.27) Latour wil de black-box voor hen openen en zijn eerste methodologische regel luidt: "We bestuderen wetenschap in actie en geen kant-en-klare wetenschap of technologie; om dat te doen arriveren we vóór de feiten en machines een zwarte doos zijn geworden of volgen we de controversen die de dozen heropenen." (p.327) Deze methode is volgens Latour veel eenvoudiger dan het traditioneel analyseren van eindproducten, zoals een computer, een kerncentrale, een kosmologische theorie, de vorm van een dubbele helix, een strip anticonceptiepillen of een economisch model. Men maakt het zichzelf onnodig moeilijk door naar een zwarte doos te kijken, daar de technische aspecten van de natuurwetenschap in te stoppen om vervolgens te zoeken naar maatschappelijke invloeden en tendensen. De verwevenheid met de maatschappij kan veel eenvoudiger door de wetenschappers en technici zelf worden aangegeven op de momenten dat ze de ene zwarte doos sluiten en de andere openen. Latour kiest dus voor een benadering van de jonge man rechts en hanteert de oude man links, die de traditionele benadering vertegenwoordigd, als contrast.

 

In zijn aandacht voor het worden vindt Latour een gegeven zin of stelling of een gegeven technisch product, als zwarte doos, op zichzelf niet interessant, het is feit noch fictie, goed noch slecht, het wordt pas interessant wanneer deze zin later (na het sluiten van de formulering) door andere zinnen opgenomen wordt: dan pas wordt het tot feit of fictie gemaakt. Dat geldt ook voor machines: pas de gebruikers bepalen of een machine het goed gaat doen. Latours eerste principe luidt: "Het lot van feiten en machines ligt in handen van latere gebruikers; hun eigenschappen zijn dus een gevolg, niet een oorzaak, van een collectieve daad." (p.328) en regel 2 luidt: "Om te bepalen of een bewering objectief of subjectief is, een mechanisme efficiënt of volmaakt, zoeken we niet naar hun intrinsieke waarden maar kijken we naar alle veranderingen die ze later in handen van anderen ondergaan." (p.327) Dan worden feiten en machines weer gevormd en dan gaat men weer van controversen naar grotere controversen. Latour merkt hierbij op dat "als de discussie voortgaat de opponenten lezers worden van technische teksten en rapporten. Hoe meer ze van mening verschillen, des te wetenschappelijker en technischer wordt de literatuur die ze lezen." (p.43) De suggestie van Galileï om de retorica van duizend Demostenessen en Aristotelessen achter zich te laten door in de natuurwetenschappen slechts de noodzakelijke en zekere gevolgtrekkingen te plegen zonder menselijke voorkeur, wordt door Latour van de hand gewezen. Een wetenschappelijke tekst is geen rustige formele verhandeling maar verjaagt zijn lezers: men geeft het op, of men neemt aansprekende punten mee naar de praktijk, of men gaat naar het laboratorium voor experimentele verificatie. "De wetenschappelijke tekst is gemaakt voor de aanval en de verdediging en er is geen plaats om rustig te verpozen, zoals bij de Bijbel, een roman van Stendhal of de gedichten van T.S. Eliot". (p.81)

 

In het laboratorium is er evenmin rust. Men probeert er allerlei verbintenissen te sluiten met materiële objecten, met collega's, managers en sponsors om daarmee een eigen bewering te bewijzen of beweringen van andere laboratoria's onderuit te halen. En als men zichzelf overtuigd heeft blijkt in het overtuigen van een ongelovige dissident hoeveel dozen er gesloten zijn: een denkbeeldige woordvoerder die een typische dissident rondleidt wordt door die dissident niet geloofd: de hoogleraar moet er zelf aan te pas komen. Uiteraard is ook het verhaal van de hoogleraar niet genoeg: de dissident wil het met eigen ogen zien. Dan kunnen de meetinstrumenten en de grondstoffen die gebruikt worden nog betwijfeld worden en zo verder. Waarschijnlijk is de bewering met zoveel zwarte dozen verbonden dat de dissident ze niet eens allemaal los kan maken. Een dissident (of een analist die wetenschap en techniek in actie wil beschrijven) moet dus een veelzijdig expert zijn en zich als een soort politie-inspecteur gedragen. Om de eigen beweringen kracht bij te zetten worden allerhande manipulatietechnieken niet geschroomd: referenties naar wetenschappers die de dissident wel geloofd, statistieken met een overdosis aan aantallen die desnoods op slinkse wijze bemachtigd zijn, en het zoeken van nieuwe bondgenoten in de strijd. De mogelijke tegenwerping à la Galileï dat men 'juist de controversen over de Natuur achter zich moet laten omdat alle vernuftige apparaten in de laboratoria in een klap overbodig zullen worden wanneer men zich eenvoudig op de Natuur zelf richt', wordt door Latour zorgvuldig gedeconstrueerd. Hij wijst erop dat we helaas niet weten wat de Natuur ons vertelt, dat is nu juist onderwerp van de controverse. Regel 3 luidt: "Aangezien het beslechten van een controverse de oorzaak is van de vertegenwoordiging van de Natuur en niet het gevolg ervan, kunnen we dit gevolg, de Natuur, nooit gebruiken ter verklaring van hoe en waarom een controverse is beslecht." (p.130) Latour voegt daar aan toe dat deze regel in tijden van controversen makkelijk is toe te passen, want dan is het niet duidelijk wat de Natuur zegt, maar wanneer een controverse is opgelost wordt het moeilijker, want dan neemt het andere gezicht van Janus de zaak over: het wordingsproces heeft dan immers geresulteerd in een kant-en-klare formulering. Toch moet men, volgens Latour, ook dan luisteren naar de nauwelijks hoorbare woorden van de jonge man rechts en het geschreeuw van de oude man links negeren. In de controverse tussen Blondlot en Wood rond 1900, waarin Blondlot claimde genezende N-stralen te kunnen produceren en Wood het laboratorium binnenliep, het belangrijkste element in de opstelling wegnam en geen verschil in de stralen constateerde (tot oprechte verbazing van Blondlot), is men er met het huidige inzicht over eens dat Blondlot ernaast zat. De verleiding is dan groot om het verlies van Blondlot te verklaren door het feit dat hij ongelijk had. Dit is typisch voor de linker Januskop, alsof de Natuur zelf had aangegeven wie goed en wie slecht was, terwijl de huidige beoordeling 'dat Blondlot ongelijk heeft' mede gebaseerd is op de uitkomst van het destijds beslechten van die controverse.

 

Na de literatuur en de laboratoria, behandelt Latour in hoofdstuk III de machines. Als voorbeeld gebruikt hij de lotgevallen van meneer Diesel, bekend geworden als de vader van de dieselmotor. Die motor ontstond echter niet op een ochtend uit Diesels geest, zoals Athene uit het hoofd van Zeus geboren werd, maar na lang zwoegen diende Diesel een octrooi-aanvraag in met een begeleidend boek waarin alle beschrijvingen en natuurkundige principes uitgelegd werden. Dit boek moest echter omgezet worden in een prototype. Met behulp van de 30-jarige praktijkervaring van technici van MAN lukte het Diesel na vier jaar om in laboratoriumachtige omstandigheden één prototype te realiseren. Al snel bleek dat de verbranding niet optimaal was en toen van de vele oplossingen er één gekozen werd was Diesel ver verwijderd van zijn oorspronkelijke octrooi-ontwerp: in plaats van een constante temperatuur was men bijvoorbeeld overgestapt op het principe van een constante druk. In juni 1897 wordt de motor plechtig aan het publiek gepresenteerd. De zorgen van een zwarte-doosbouwer zijn nu van een andere dimensie: hoe krijgt hij duizenden exemplaren over de wereld verspreid zonder al te veel onderhoud? Al snel bleek dat de motoren buiten het laboratorium allerlei kinderziektes vertoonden en men stuurde ze terug. Diesel kreeg een zenuwinstorting en zijn bedrijf ging failliet. Diverse technici van MAN bleven aan de motor werken en in 1908, toen het octrooi van Diesel verlopen was, kon men een onproblematische motor voor algemeen gebruik aanbieden. Diesel pleegde zelfmoord. Latour gebruikt dit uitgewerkte voorbeeld om aan aantal tactieken te illustreren. Voor ons onderzoek zijn echter een aantal definities en conclusies van belang.

 

Een machine is, volgens Latour, een machinatie, een soort truc of list, waar geleende krachten elkaar in bedwang houden zodat geen ervan de groep kan verlaten. Dit in tegenstelling tot een stuk gereedschap, zoals een vijzel in de hand van een vrouw die graan vermaalt. Pas wanneer je die maalsteen met een houten raamwerk verbindt en dat weer met wieken op een molen die op wind draait, heb je een machine. Zelfs de beste mecanicien zal het echter moeilijk vinden de krachtverdeling in de wieken steeds optimaal af te stellen. Naarmate de machines complexer worden gaat het er alleen nog maar om wie/wat het het eerst begeeft. Het zou beter zijn als de verzamelde krachten elkaar in bedwang konden houden door voor elkaar de rol van mecanicien te spelen: dan zouden de verzamelde krachten in de praktijk uit zichzelf bewegen. Dit is de strategie van een automaat. Door bijvoorbeeld een stoomklep te verbinden met de zuiger ontstaat een zelfregulerend mechanisme dat betrouwbaarder is dan de vermoeide onderbetaalde arbeider, omdat "de zuiger er direct belang bij heeft dat de stoom op het juiste moment binnenstroomt." (p.169)

Bouwers hebben twee soorten strategieën: 1) het werven en interesseren van menselijke actoren en 2) het werven en interesseren van niet-menselijke actoren die de eersten moeten vasthouden. Wanneer deze strategieën slagen wordt het gebouwde onmisbaar: iedereen neemt de prototypen van de succesvolle concurrent over met als gevolg dat de prototypen gewone gebruiksartikelen worden. Als alles goed gaat, krijgt het er de schijn van dat de zwarte dozen zich moeiteloos verspreiden dankzij 'hun eigen impuls', dat ze duurzaam worden dankzij 'hun eigen innerlijke kracht', 'de onomkeerbare vooruitgang van de wetenschap', 'de onweerstaanbare macht van de technologie' of soortgelijke UFO's. Dit is echter verspreidings-strategie van de oude man links die spreekt in termen van gefundeerde feiten en kant-en-klare machines. "Zo'n verspreidingsmodel staat haaks op de vele machiavellistische strategieën en introduceert zowel een technisch als een wetenschappelijk determinisme." (p.173) Diesels motor dringt zich op eigen kracht op aan de consument, het lijkt dat die zelfs zonder mensen zou bewegen en zelfs zonder mensen zou hebben bestaan. Wanneer men de oude man links (die niet kijkt naar techniek in wording) vraagt naar de wordingsgeschiedenis van de Diesel motor, tekent hij een soort stamboom van motoren waar de uiteindelijke motor uit ontstaan is. De linkse Januskop heeft ook nog een andere verklaring voor het 'plotselinge' verschijnen van kant-en-klare machines: het begrip 'ontdekking' wordt gebruikt, alsof de motor van Diesel er altijd al was, alleen ontdekt moest worden. Alle betrokkenen die hebben gestreden, onderhandeld en bondgenootschappen gesloten, worden gestyleerd in 2 statige figuren: de uitvinder (de winnaar wint zo alles) en de klant of gebruiker. Het noodzakelijke onderwijs hoe de machine (als zwarte doos) gebruikt en onderhouden moet worden, krijgt vanuit de linkerkant van de Januskop nauwelijks aandacht.

 

Latour wil hiermee zeggen: blijf luisteren naar de rechterkant. Alleen door acties van veel mensen beweegt de zwarte doos door de ruimte en wordt duurzaam in de tijd. Er zijn altijd mensen betrokken geweest bij de constructie van de motor, alleen zijn het niet steeds dezelfde mensen. De geschiedenis van de dieselmotor valt dus af te leiden uit de veranderende vorm van de motor (verbonden met verschillende mensen) of uit de veranderende mensen (verbonden met de motor). Generieker geformuleerd: "Als je een willekeurige zwarte doos neemt en het beeld ervan bevriest, kun je het stelsel van bondgenootschappen dat ze bijeenhoudt, op twee manieren beschouwen: 1) via het sociogram: door te kijken welke mensen ze moet werven en 2) via het technogram: door te bekijken waarmee ze is verbonden om de werving definitief te maken." (p.180) De zwarte doos zit tussen deze twee systemen van bondgenootschappen in en als ze succesvol is herbergt ze het grootste aantal van de hechtste banden in zich. Daarom noemen we dergelijke zwarte dozen 'harde feiten' of 'uiterst geavanceerde machines'. Als we nu het bevroren beeld weer verder laten bewegen, zien we een zwarte doos die zijn onderdelen en degenen die hij overtuigt tegelijk verandert. Iedere verandering in het technogram wordt uitgevoerd om een beperking in het sociogram te overwinnen en iedere verandering in het sociogram wordt uitgevoerd om een beperking in het technogram te overwinnen.

 

Latour wijst verschillende keren op de symmetrie die er is in de strategie om zich met menselijke en niet-menselijke actoren te verbinden. De uitvinder wiens uitvinding niet door de verkoopafdeling wordt opgenomen, heeft een keuze: de uitvinding veranderen of de verkoopafdeling veranderen. Dit overkwam de uitvinder van het gele plakpapiertje Post-it: hij bevond zich in het midden van het technogram en het sociogram en koos ervoor om het sociogram te veranderen. Hij deelde de plakpapiertjes uit aan de secretaresses met de mededeling dat ze zich tot de verkoopafdeling moesten wenden als ze meer wilden. Het raffinement waarmee de uitvinder verkopers die niet wilden verkopen rekruteerde is (symmetrisch) hetzelfde als het raffinement waarmee hij de plakpapiertjes construeerde met lijm die niet lijmt. Ook is het niet moeilijker of makkelijker om een groep te interesseren voor de productie van een vaccin dan de wind te interesseren voor de productie van brood. De symmetrie gaat zelfs nog een stapje verder: doorgronden wat machines zijn is hetzelfde als doorgronden wie de mensen zijn. "Als je de verzamelde sturende elementen beschrijft, begrijp je welke groepen worden gestuurd. Maar omgekeerd, als je de nieuwe, met elkaar verbonden groepen ziet, begrijp je hoe machines werken en waarom feiten hard zijn. De enige vraag die voor beide geldt, is welke banden sterker zijn en welke zwakker." (p.183)

 

Op de vraag: 'hoe kan men het al dan niet verspreiden van een machine verklaren?' geven de beide kanten van de Januskop een verschillend antwoord. In het 'dynamische' model van de jonge man rechts, zijn er menselijke en niet-menselijke actoren die heterogeen verbonden zijn met sterke of zwakke banden in bondgenootschappen en netwerken. Analyse van die banden geeft zowel in het sociogram als in het technogram een antwoord. In het 'statische' model van de oude man links, wordt de collectieve actie van menselijke en niet-menselijke actoren terzijde geschoven en moet men dus iets anders verzinnen om te verklaren waarom machines zich niet verspreiden. Volgens Latour moet men daarom wel zoiets als 'een maatschappij' verzinnen: men maakt een kunstmatige onderverdeling in sterkere en zwakkere verbintenissen: feiten zijn verbonden met feiten (het domein van de wetenschap), machines met machines (het domein van de techniek) en maatschappelijke factoren met maatschappelijke factoren (het domein van de maatschappij). Na deze kunstmatige indeling gaat men op zoek naar de invloed die deze domeinen op elkaar uitoefenen. Het ergste, volgens Latour, komt dan nog: sommigen proberen vervolgens wetenschap en technologie te verklaren op grond van de invloed van deze kunstmatig gevormde maatschappelijke factoren! "Aan het technisch determinisme wordt nu nog eens het maatschappelijk, cultureel of economisch determinisme toegevoegd." (p.183) Het maatschappelijk determinisme voert een moedige strijd tegen het technisch determinisme, terwijl geen van beide bestaan behalve in de fantasievolle beschrijving van de oude man links. Volgens Latour moet men te allen tijde het idee vermijden dat 'maatschappelijke factoren' de 'zuivere wetenschap' of 'de zuivere techniek' kunnen vormen, beïnvloeden, sturen of afremmen.

 

Aanscherping van de argumentatie

Hoewel Latours betoog nog verder gaat, heb ik hiermee de bouwstenen aangegeven waarmee Latour zijn constructivisme vormgeeft en waarmee zijn argumentatie tegen de klassieke techniekfilosofie te reconstrueren is. Net als bij Bijker wil ik nu (immanent kritisch) doorvragen naar een aanscherping van het debat: hoe weerlegt Latour het technisch determinisme en in hoeverre heeft hij die argumentatie nodig voor zijn constructivistische benadering?

 

Latour stelt dat het technisch determinisme (dat hij niet expliciet aan de filosofie van de techniek koppelt) geïntroduceerd is vanuit het zoeken naar mogelijkheden om de verspreiding van een technische artefact, als 'black-box', te kunnen verklaren. De benadering van een technisch artefact als 'black-box' maakt het onmogelijk om de verspreiding te verklaren vanuit het bloed, zweet en gekonkel van allerlei actoren, want die zitten onzichtbaar opgesloten in die black-box. Men moet dus iets anders verzinnen en komt dan met 'intrinsieke eigenschappen' aanzetten waardoor de verspreiding van het artefact verklaard zou moeten kunnen worden. De kritiek van Latour op deze benadering, die hij als één kant van de Januskop beschrijft, is dat die intrinsieke eigenschappen alleen maar verklaard kunnen worden uit de vele heterogene bondgenootschappen van menselijke en niet-menselijke actoren. In kleurrijke voorbeelden beschrijft hij eigenschappen van artefacten, zoals 'onproblematische dieselmotor' en 'succesvolle producten van de concurrent': ze bestaan dus kennelijk wel, maar zijn geen intrinsieke eigenschappen die los van de mensen gezien mogen worden.

 

Om de argumentatie toe te spitsen kan ik nu het volgende vragen: 1) is de weerlegging van het determinisme door het constructivisme gebaseerd op een ander perspectief ('worden' in plaats van 'zijn') en is het debat dus eigenlijk een  ontologisch gevecht omdat het verschil in de eerste aannamen besloten ligt; of 2) is de weerlegging gebaseerd op een andere schaalgrootte van het te onderzoeken object ('de binnenkant' van de black-box in plaats van de 'buitenkant' van de black-box) en is het debat dus een kwestie van nauwkeuriger formuleren; of 3) is de weerlegging gebaseerd op een vermoeden van een cirkel in de redenering van de technisch deterministen (men verklaart iets met oorzaken, terwijl het eigenlijk gevolgen zijn) en moet de argumentatie verder uitgewerkt worden om de weerlegging te staven?

 

 

 

Een ander perspectief

Dat er sprake is van een ander perspectief maakt Latour duidelijk met de Januskop: hij wil wetenschap en techniek in actie bestuderen, beschrijven en verklaren en niet de kant-en-klare producten van die activiteiten. Filosofisch gezien lijkt dit neer te komen op het oude debat van het 'zijn' versus het 'worden'. Volgens de Griekse filosoof Heraclitus (500 vC) is alles voortdurend in een proces van strijd en beweging verwikkeld, waarachter het vuur of de oorlog de drijvende kracht is. Zijn bekende uitspraak 'panta rei' ('alles stroomt') werd zo letterlijk opgevat dat men niet twee keer in dezelfde rivier kon stappen. De Eleaten namen de eenheid en onveranderlijkheid daarentegen als uitgangspunt voor hun denken en beschouwden verandering en beweging als schijn ten gevolge van de bedrieglijke zintuiglijke waarneming. In de tijden na hen hebben vele filosofen boven deze tegenstelling uit willen komen en in de huidige tijd zouden we, het post-modernisme waardig, kunnen stellen dat beide benaderingen hun eigen geldigheid hebben: beide benaderingen hebben sterke en zwakke kanten, en met Latour ben je geneigd om ze naast elkaar als Januskop te laten bestaan. Toch ontkom je daarmee niet aan ontologische voorvragen, zoals 'wat bestaat nu meer, echter of beter: dè dieselmotor, die in al zijn mogelijke verschijningsvormen hetzelfde blijft en waarnaar iedereen verwijst, of het continue samenspel van krachten en investeringen om een concrete dieselmotor ter plaatse te laten functioneren op een bepaald moment?' Wanneer men door dergelijke vragen gedreven naar een integratie zoekt en kiest voor een algemene theorie en een bijzonder geval, lijkt het voor de hand te liggen om een statische beschrijving van fenomenen (of een beschrijving van statische fenomenen, afhankelijk van het perspectief dat men heeft) te proberen in te passen in een theorie met dynamische beschrijvingen van fenomenen (of met beschrijvingen van dynamische fenomenen) als een bijzonder geval (bijvoorbeeld wanneer de tijd stopgezet wordt). Toegepast op het argument dat het determinisme moet weerleggen, zou ik de intrinsieke eigenschappen van techniek kunnen omschrijven als een constellatie van bondgenootschappen op een zeker tijdstip t=0, waarbij de sterkste bondgenootschappen (op dat moment) voornamelijk met niet-menselijke actoren zijn aangegaan. Aldus geformuleerd zijn intrinsiek technische eigenschappen nog contingent, want door een voortdurende beweging van de bondgenootschappen kan deze constellatie op t=1 weer anders zijn, dus zal aan de definitie toegevoegd moeten worden dat de constellatie een zekere continuïteit in de tijd moet hebben, bijvoorbeeld als een gemiddelde in een tijdsperiode of als een onveranderlijkheid over verschillende opeenvolgende willekeurige tijdstippen.Wanneer het dus alleen om een perspectief kwestie zou gaan, dan is er tenminste één oplossing mogelijk waarin het deterministische perspectief niet fundamenteel weerlegd, maar enigszins ingeperkt wordt.    

 

Een andere schaalgrootte

De poging tot weerlegging van het technisch determinisme kan ook gebaseerd zijn op het verschil in aandacht voor de buitenkant of de binnenkant van het te onderzoeken object. Met behulp van systeemconcepten kan dit verduidelijkt worden: een systeem kan gedefinieerd worden als een samenstelsel van subsystemen in een context. Nu zou men zich kunnen richten op het systeem in zijn relatie met de context (impact van een artefact als black-box op bijvoorbeeld de maatschappij), maar men kan zich ook richten op het systeem zoals het opgebouwd wordt uit subsystemen (openen van de black-box om de samenstellende delen en werkingen te beschrijven). In dat geval is er eigenlijk geen sprake van een weerlegging, omdat men gewoon een andere richting op kijkt. Toegepast op de argumentatie tegen het technisch determinisme, zou men kunnen stellen dat de impact die een systeem heeft op de omgeving, beschreven in eigenschappen van het systeem als black-box, niet onjuist maar noodzakelijk minder gedetailleerd is dan een beschrijving die de impact van het systeem kan verbinden met bepaalde subsystemen. In systeemtermen zou men kunnen spreken van een andere schaalgrootte in de hiërarchie van systemen, omdat een 'systeem in een context' zelf weer gezien kan worden als een omvattend systeem, en zo verder. Het openbreken van een (sub)systeem resulteert dan in een complexere, maar meer gedetailleerde formulering. Zo kan een constructivist in plaats van de formulering 'vanwege de intrinsieke eigenschap E heeft systeem S een impact I op omgeving O' na het openen van systeem S formuleren: 'de intrinsieke eigenschap E bestaat niet, er zijn alleen maar subsystemen A en B en hun onderlinge relaties.' Daartegenin kan men dan het determinisme verdedigen door de stelling als volgt te formuleren: 'de substemen A en B van systeem S en hun onderlinge relaties geven systeem S eigenschap E waardoor systeem S een impact I heeft op omgeving O'. Dat de constructivisten zich eerder met het openbreken van systemen bezighouden, dan met het analyseren van impact, houdt in deze optie geen noodzakelijke weerlegging van het determinisme in.

 

Een cirkelredenering

Latour gaat helaas niet expliciet in op bovenstaande mogelijkheden, maar blijft vaag als het gaat om het technisch determinisme. Wat bedoeld hij daar eigenlijk mee? In zijn boek wordt nergens duidelijk gemaakt waarom het technisch determinisme intrinsieke eigenschappen nodig heeft en hoe het determineren dan werkt. Door zijn opmerkingen over 'geforceerde onderverdeling in de bondgenootschappen' en het retorisch benadrukken dat 'het verklaren met oorzaken die gevolgen zijn niet kan', vermoed ik dat het technisch determinisme zich volgens Latour schuldig maakt aan een soort cirkelredenering (en dat mag natuurlijk niet). Het verloop van zo'n cirkelredenering zou ik kunnen reconstrueren op basis van de summiere opmerkingen van Latour als proeve van een 'philosophical reverse engineering project'. In de ontwikkelingsfase van de dieselmotor worden allerlei bondgenootschappen gesloten tussen technici, een aantal proefgebruikers, een motorblok, zuigers, cylinders, luchtinjectie, brandstof enzovoort. Wanneer er voldoende bondgenootschappen, door het beslechten van controversen, sterk genoeg zijn geworden, is er op een gegeven moment (t=kant-en-klaar) een verkoopbaar artefact, er zijn tevreden sponsors en er is een gebruikersgroep. Het technisch determinisme begint pas op t=kant-en-klaar met het zoeken naar eigenschappen van het artefact en naar factoren in de maatschappij. Latour lijkt niet te ontkennen dat op dat tijdstip er inderdaad sprake zou kunnen zijn van technische eigenschappen en maatschappelijke factoren. Echter, hij stelt uitdrukkelijk dat men niet op grond van het uiterlijk of inwendige eigenschappen kan uitmaken of de motor sterk of zwak is. Dat kenmerk 'sterk' of 'zwak' wordt alleen verkregen door inlijving in andere processen en machineonderdelen. Wanneer het technisch determinisme een goede verspreiding (of inlijving) van het artefact wil verklaren uit inwendige eigenschappen, veronderstellen ze al een inlijving die tot de inwendige eigenschappen hebben geleid. Dus zeggen ze in feite: een goede inlijving leidt tot een goede inlijving en andersom: als de motor als inwendige eigenschap heeft dat ze zwak is, en de slechte verspreiding wordt daardoor verklaard, zegt men eigenlijk: een slechte inlijving leidt tot een slechte inlijving.

 

Nog afgezien van een evaluatie of het technisch determinisme inderdaad zo'n redenering voert, is er toch nog een onduidelijkheid in de kern van Latours weerlegging van de intrinsieke eigenschappen van een machine als oorzaak. Stel dat ik een nieuw prototype van een bepaalde machine onderwerp aan een 'technical assessment', hoe kan dat proces beschreven worden in het constructivisme van Latour? Ongetwijfeld als een nieuw bondgenootschap, waardoor een inlijving in een nieuwe groep actoren kan ontstaan (externe technici die meedoen aan de assessment) die al dan niet met list en bedrog, een kenmerk plakken op het product. Wanneer er ook een bedrijfseconomisch onderzoek wordt gedaan en een tevredenheidstest onder een (klein aantal) gebruikers, en er allerlei andere inlijvingen worden uitgeprobeerd, en dat leidt (eventueel na diverse aanpassingen) tot het toedichten van een aantal kenmerken aan het product, waarom mogen die kenmerken dan geen (mede-)oorzaak genoemd worden van een succes dat daarna kan ontstaan? 1) Omdat al die kenmerken tezamen nog geen succes garanderen? Daar zullen voor- en tegenstanders het over eens zijn. 2) Omdat de toegedichte kenmerken geen echt bestaande inwendige eigenschappen zijn, maar uitsluitend naampjes in de hoofden van mensen en die kunnen via de krachtige werking van retoriek wel medebepalend zijn voor het succes, maar dan niet als inwendige eigenschappen? Dit brengt ons in het hart van de middeleeuwse universaliastrijd en dat debat gaat Latour niet expliciet aan. Dat is jammer, want daarmee zou naast het determinisme ook het substantivisme al in het debat betrokken kunnen worden. Wel zal ik in het onderzoek naar het substantivisme en de weerlegging daarvan in volgende hoofdstukken, nagaan of er inderdaad sprake is van uitsluitend naampjes in de hoofden van kopers en verkopers zonder enige relatie met specifieke eigenschappen van het product (hoe verweven die ook zijn met technici en testers). Als er meer is dan een willekeurige naampje, vervalt Latours argument. 3) Of is het omdat (al dan niet intrinsieke) eigenschappen entiteiten zijn en men alleen in de linkerkant van de Januskop mag spreken over entiteiten? De rechterkant van de Januskop spreekt daarentegen alleen over onderhandeling en testactiviteiten en alleen deze processen kunnen (in constructivistische zin) een reëel bestaan leiden en dus reële oorzaken zijn. In dat geval kunnen alleen de linkskoppigen inwendige eigenschappen als oorzaken aanwijzen en alleen de rechtskoppigen zouden zich aan de regels en principes van Latour moeten houden. Iedere kant van de Januskop heeft zijn eigen kijk op de wereld, maar ook zijn eigen spelregels. Ik zou in dat geval willen tegenwerpen dat het Latour niet aangaat om met zijn eigen principes (van de rechterkant) de linkerkant te beoordelen.

 

Wanneer de kern van Latours weerlegging van het determinisme hier wel op neerkomt, kan zijn weerlegging ook omgedraaid worden: met de principes van de linkerkant kan Latours kijk op techniek bekritiseerd worden. Stel dat een schrijver een bondgenootschap aangaat met een uitgever over het honorarium dat hij krijgt voor zijn nog te schrijven boek, dan is het effect van een monsterverkoop op de dag van publicatie inderdaad niet het gevolg van de intrinsieke waarde van het boek. Maar als het eerste boek over H. Potter van een onbekende schrijfster en nauwelijks gepromoot door de uitgever, dus een boek met weinig bondgenootschappen, na enige tijd een kaskraker blijkt te worden, dan hebben de rechtskoppigen een probleem, want zij mogen het niet verklaren door de intrinsieke waarde van het boek zelf. Daarom verzinnen zij geheime bondgenootschappen tussen de regels, die zo sterk zijn dat iedere lezer wel een bondgenoot moet worden van de regels. Het succes van een product is dus een resultaat van veel sterke bondgenootschappen. Maar wat is het succes van een product zelf? Een groot aantal sterke bondgenootschappen, antwoordt Latour. En dan ontstaat er een vergelijkbare cirkelredenering: veel sterke bondgenootschappen leiden tot veel sterke bondgenootschappen.

 

Op basis van het voorafgaande kan voorlopig worden vastgesteld dat Latour met zijn rechterkant van de Januskop een mooie aanvulling geeft op de linkerkant, maar dat de voorkeur voor de rechterkant ten opzichte van de linkerkant niet gebaseerd is op immanente onvolkomenheden van de linkerkop. De weerlegging van Latour van de verklaringen van het technisch determinisme brengen hem niet tot een weerlegging (noch bevestiging) van het technisch determinisme: hij situeert ze alleen nadrukkelijk aan de linkerkant en wijst op de beperkingen van één kant.

 

Intermezzo Latour

We gaan met z'n allen naar de bliksem. Dat is een overtuiging die ik al jaren heb en daar is niets aan te doen. Net zo goed als de wereld gedoemd is ten onder te gaan, ben ik gedoemd dat te geloven. Een goede vriendin van me heeft alles geprobeerd om mij te veranderen, maar het hielp niet. Als laatste wanhoopsdaad heeft ze me het adres gegeven van een psychiater in Parijs, net onder de Eiffeltoren. Die man helpt elke doem de wereld uit. Voor haar ben ik er heen gegaan. 'La tour' stond er op zijn naambordje, maar ja zo heet alles daar in de omgeving. Mijn intake verliep vlot. Binnen enkele minuten hadden we een traumatische ervaring uit mijn jeugd te pakken. Het betrof het moment dat ik me realiseerde dat we met de atoomtechniek ons eigen voortbestaan en dat van moeder Aarde voorgoed konden vernietigen.We konden dus meteen met de eerste sessie beginnen. 'De dood', sprak La tour, 'bestaat niet.' Dat sprak mij wel aan. Meestal beginnen geleerden als ze ook maar iets over een causa finalis horen, de argumentatie van Aristoteles aan te halen: 'alle mensen zijn sterfelijk, jij bent een mens dus je bent sowieso...' Dit klonk anders en ik vroeg: 'hoe weet u dat zo zeker?' Er volgde een stortvloed aan woorden, waaruit ik opmaakte dat de mens geen intrinsieke eigenschappen heeft, maar dat alleen datgene telt wat er met jou gebeurt. 'Jij denkt waarschijnlijk dat als je dood bent alles over is en er niets met jou gebeurt?', vroeg hij. Ik knikte vertwijfeld, niet wetend waar hij naar toe wilde. 'Als er niets met jou gebeurt, is er ook niets gebeurd.' Ik schudde mijn hoofd en zei dat ik hem niet meer kon volgen. Geduldig legde hij me het uit. Het was net als de bom: die heeft geen vernietigende eigenschappen, alleen als er een groot aantal sterke bondgenootschappen zijn die hem afvuren, kan er van een zekere impact sprake zijn. 'Symmetrisch is dat precies hetzelfde', voegde hij er nog diepzinnig kijkend aan toe. 

 

Na enige tijd begon ik in te zien, dat ik door allerlei traditionele beelden in een middeleeuwse metafysica was terechtgekomen. Ik kon me wel voor mijn hoofd slaan en deed dat dan ook. La tour glimlachte en zei: 'het is goed dat je dat nu inziet, maar je had je niet voor je hoofd hoeven slaan.' Ik vond dat ik zelf mocht weten wat ik deed en bovendien vond ik dat mijn arm het volste recht had om tegen mijn hoofd te slaan. Weer glimlachte La tour. Dat van mijn arm, dat kon hij volgen, dat noemde hij een 'actor', maar dat van mijn hoofd kon hij niet volgen, dat noemde hij een 'netwerk', een 'neuraal netwerk' welteverstaan. En toen begon hij pas echt te doceren: 'Eigenlijk bestaat je hoofd niet, als je de motorkap zou openen, zie je twee netwerken, één links en één rechts. In het netwerk links zitten de stemmen die je allerlei metafysische verzinsels influisteren, maar je moet luisteren naar rechts.' Mijn probleem was nu juist dat ik die stemmen links soms niet kon uitschakelen maar gewoon moest denken wat zij zeiden. Als kundig psychotherapeut vervolgde La tour toen zijn deconstructie van de linker hersenhelft.

 

Ik merkte dat het werkte. Mijn stereofonie was nu een rustig monotoon geluid geworden. Ik wilde hem bedanken maar was weer te vlug. Tot mijn grote schrik realiseerde ik me dat zo'n deconstructie ook op mijn rechter hersenhelft uitgevoerd kon worden en wat hield ik dan over? Bovendien is er het probleem dat je de ene kant nodig hebt om de andere te deconstrueren. En dan heb je weer het probleem dat de deconstructiemethoden waarschijnlijk verschillend zijn omdat die twee netwerken verschillend zijn. Ik werd bijna schizofreen van de gedachte dat er wel eens een bondgenootschap tussen die twee kanten zou kunnen bestaan. Bijna schizofreen, want als je van jezelf weet dat je het bijna bent, dan ben je het nog niet helemaal. Ik durfde al deze vragen niet rechtstreeks te stellen, omdat hij me dan wellicht verkeerd zou diagnosticeren, maar bedacht een listige omweg. 'U stelt dat bommen en politici, zeg menselijke en niet-menselijke actoren symmetrisch behandeld moeten worden hè?' Hij knikte, wilde een nuancering maken, maar bedacht zich. 'U stelt ook dat een technogram en een sociogram altijd in balans zijn?' Al iets meer opmerkzaam haalde hij zijn schouders op en knikte wederom. Toen kwam mijn aanval: 'Stelt u zich nu eens voor dat we een poot van de Eiffeltoren afhalen, wat gebeurt er dan?' Nu barstte La tour in lachen uit: 'meestal vragen mijn cliënten waarom ze de toren zelfmoordbestendig hebben gemaakt, maar jij, jij bent me er ook eentje.' Hij opende het raam en keek naar buiten. Daar stond Frankrijks trots, het technische wonder van de wereldtentoonstelling en sindsdien door miljoenen geïnterpreteerd als symbool van het technisch kunnen.

 

'Als je een poot zou weghalen', sprak hij nadenkend, 'dan zouden een aantal sterke verbintenissen in het sociogram zwakker worden en een aantal zwakke sterker. In concreto: de toren zou schreeuwen om hulp en allerlei nieuwe bondgenootschappen zouden waarschijnlijk gevormd worden om een vervangende poot te regelen, maar misschien komt er wel een heel ander symbool. In principe is alles mogelijk, maar het toekomstig technogram en sociogram zullen weer in evenwicht komen.' Hij keek me aan met een 'ik heb gezegd' en dat verbaasde mij niets, want dit antwoord was redelijk voorspelbaar, al bleef voor mij de vraag naar het 'waarom' van al die actoren die verbintenissen willen aangaan onbeantwoord, maar daar ging het me nu niet om. In feite was de voorgaande vraag een voorzet naar de inkopper: 'Maar wat als je de toren verplaatst naar de maan?' Het was lange tijd stil voor hij antwoordde. Ondertussen bedacht ik dat het helemaal niet zo'n gekke vraag was, want met onze hulp aan derde wereldlanden in de vorm van moderne landbouwmachines, doen we hetzelfde en dan heb je toch een soort 'technogram zonder sociogram': Ik was oprecht benieuwd wat mijn therapeut zou antwoorden. 'Waarschijnlijk ga ik er dan weer naast wonen.', zei hij en keek er gelaten bij. Ik had met hem te doen en voelde me ineens genezen. Zonder te bedanken liep ik weg in de stille hoop dat hij in Parijs zou blijven wonen.  

 

 

 



3. Het constructivisme en de filosofie van de techniek

Het (sociaal) constructivisme van de techniek is nooit bedoeld als stroming binnen de filosofie van de techniek, (p.18)11 hoewel ze expliciet sommige claims van klassieke techniekfilosofen verwerpt. Toch wordt door sommige techniekfilosofen een poging gewaagd om de inzichten van het (sociaal) constructivisme binnen de filosofie van de techniek een plaats te geven en deze techniekfilosofen gaan dan ook nadrukkelijk in op de relatie tussen het determinisme en substantivisme van de klassieke techniekfilosofie en het empirisme van het (sociaal) constructivisme. In Amerika is het vooral Feenberg die in het debat de klassieke techniekfilosofie bekritiseert en een alternatief schetst met behulp van het (sociaal) constructivisme. In de Benelux is het vooral Achterhuis die het debat vormgeeft door zich samen met de empiristen af te zetten tegen de deterministen en substantivisten in de hoop dat men al balancerend op een middenweg uit zal komen. Feenberg en Achterhuis zijn de belangrijke woordvoerders van het debat, dat aanleiding was voor deze scriptie, en zullen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan het woord komen.

 

Feenberg

Het boek 'Questioning Technology' uit 1998 wordt door Feenberg gepresenteerd als derde in een serie boeken van zijn hand over technologie en moderniteit. (p.xvi)34  In 1991 schreef hij 'Critical theory of technology' waarin hij aangeeft dat moderne technologie niet neutraler is dan bijvoorbeeld de middeleeuwse kathedralen of de Chinese Muur, maar dat moderne technologie een incorporatie is van waarden van (de elite van) een specifieke industriële civilisatie. (p.14)30 Om deze waarden te articuleren en te beoordelen is er een culturele kritiek van technologie nodig. In 1995 verscheen 'Alternative Modernity' waarin Feenberg aangeeft dat het probleem van de techniek hetzelfde is als het probleem van de moderniteit.31 Wanneer je je afvraagt wat het betekent om te leven in een moderne maatschappij, wat het karakteristieke is van het moderne leven, dan kan je zeggen dat het te maken heeft met politiek of secularisatie, maar ook dat het te maken heeft met techniek. Het was Marcuse, die zijn leerling Feenberg verwees naar zijn eigen meester Heidegger. Heidegger zag dat er rond de techniek iets zeer fundamenteels gebeurde waardoor de wereld werd veranderd. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze verandering van de wereld door techniek sterk bekritiseerd. Als student kwam Feenberg onder indruk van filosofen zoals Heidegger en Ellul, maar ook raakte hij betrokken bij de studentenprotesten in Parijs. Nu zegt hij: om tegen die wereld van de techniek in te gaan is het onvoldoende om technische apparaten te veranderen of zelf te proberen een betere wereld te krijgen; nodig is een verandering van de rationaliteit. Er moet een alternatieve moderniteit komen. In zijn boek 'Questioning Technology', (waaruit ik hierna zal citeren)34 gaat hij nog een stapje verder en stelt dat rationaliteit alleen historisch adequaat is als ze belichaamd is in een technische discipline. Van de (sociaal) constructivisten heeft hij geleerd dat de moderne rationaliteit diverse vormen heeft, afhankelijk van allerlei sociale en culturele factoren. Feenberg heeft zich tot taak gesteld om het realiteitsbegrip van technische disciplines te deconstrueren door te laten zien dat ze niet puur rationeel of puur praktisch is: het is ook nog sociaal en cultureel.

 

In zijn bespreking van het (sociaal) constructivisme verwijst Feenberg onder andere naar Bijker en stelt: "Constructivisten geloven dat technologie net zo sociaal is als instituties. Constructivisme breekt met de standaardopvatting, waarin de maatschappij wel het pad van vooruitgang conditioneert, maar niet het wezen van de technologie. Het constructivistische principe van symmetrie wijst op levensvatbare alternatieve technologieën die net zo goed ontwikkeld hadden kunnen worden, ware het niet dat een variëteit aan lokale omstandigheden de keuze bepaalde." (p.10) Het constructivisme kijkt dus naar de sociale relaties die ten grondslag liggen aan technische keuzes. De interesses en wereldbeelden van de actoren die deelnamen aan het ontwerp van technologie worden blootgelegd. En als het product dan eenmaal af is, onproblematisch werkt en alleen maar als instrument gebruikt wordt, dan is de doos gesloten en de sociale oorsprong snel vergeten. Het product verschijnt als een puur technisch artefact, zelfs met een zekere onvermijdelijkheid. "Dat is de bron van de deterministische illusie." (p.11)

 

Waar de techniek voornamelijk bestudeerd is in de beta-wetenschappen (in Amerika: 'the Sciences') ziet Feenberg de waarde van het constructivisme in de alfa-benadering (in Amerika: 'the Humanities') van de techniek. Feenberg noemt drie consequenties voor zo'n 'humanistische', 'softe' of  'sociale' benadering van techniek: "1) technische ontwerpen zijn niet gedetermineerd door algemene criteria zoals efficiëntie, maar door sociale processen die technische alternatieven differentieert naar een variëteit van criteria die specifiek zijn per geval; 2) die sociale processen zijn niet uit op het vervullen van 'natuurlijke' menselijke behoeften, maar ze zijn betrokken op de culturele definitie van de behoeften en daarom van de problemen waar techniek mee te maken heeft; 3) concurrerende definities reflecteren concurrerende visies van de moderne maatschappij en die worden gerealiseerd in verschillende technische keuzes." (p.83)  In de bestudering van sociale verbanden en conflicten, moet men dus nu ook technische kwesties meenemen. Sterker nog: de technische wereld wordt geopend om techniek te bestuderen, niet simpel als een verzameling van functies bepaald door logische principes, maar ook als objectivering van sociale waarden, dus als een cultureel systeem. Zo maakt Latour duidelijk dat in technische apparaten normen ingebakken zitten die verplichtingen helpen afdwingen, bijvoorbeeld het dashboardlampje dat pas uitgaat wanneer je de autogordel hebt vastgemaakt.

 

Feenberg memoreert een onderscheid dat Latour zelf maakt tussen zijn constructivistische benaderingen en andere (sociaal) constructivistische theorieën. Met de eis van symmetrie doelt Latour op eenzelfde behandeling van menselijke en niet-menselijke actoren. Een automaat en zelfs materiaal hebben, net als de mensen, een eigen wil en de constructie van sociale groepen bij mensen ontstaat, net als bij machines, vanuit een constructie proces. Wellicht dat Latour daarom liever spreekt van 'constructie' in plaats van 'sociale constructie'. De voorkeur van Feenberg voor de term 'constructie' boven 'sociale constructie' heeft echter een andere achtergrond. In een voetnoot legt hij uit dat hij die term gebruikt als een parapluterm, waar allerlei verschillende benaderingen onder vallen en later introduceert hij zijn eigen vorm: 'kritisch constructivisme' of in een andere setting: 'hermeneutisch constructivisme'. Eén van de belangrijkste verschillen tussen Feenbergs constructivisme en de andere benaderingen is dat Feenberg naast sociale en culturele factoren expliciet aandacht vraagt voor de politieke dimensie van een constructie. Politieke machtstructuren is het echte thema van Feenberg door de jaren heen, wat onder andere blijkt uit het boek 'The politics of knowledge' dat hij in 1995 als co-editor publiceerde. In een artikel voor een conferentie over de Erfenis van Herbert Marcuse, bouwt Feenberg zijn argumentatie over de politieke dimensie van technologie punctueel op. Om Feenbergs eigen standpunt ten opzichte van de (sociaal) constructivisten en ten opzichte van de klassieke techniekfilosofie inzichtelijk te maken, volg ik de lijn in dat artikel.33

 

Het probleem van de relatie tussen techniek en het goede (het waardevolle) verschijnt voor het eerst in de westerse filosofie, hoe kan het ook anders, bij Plato. Feenberg karakteriseert het probleem dan ook als de vraag van een tijdperk. In de dialoog Gorgias debatteert Socrates over de 'techne' van de retorica, ofwel de kunst van het redeneren. Socrates onderscheidt de 'ware kunst gebaseerd op een logos' en 'empirae', vuistregels gebaseerd op ervaring zonder onderliggende rationale. Voor Plato geldt dat de 'logos' verwijst naar een idee van het goede dat door de kunst wordt gediend. Zo is de kunst van scheepsbouw niet alleen maar het bijeenbrengen en construeren van onderdelen, maar de logos in de kunst van het scheepsbouwen stuurt de scheepsbouwer en leidt hem naar een sterk en veilig schip. Met een hedendaags voorbeeld illustreert Feenberg dit: een software engineer vertelde hem dat hij 10% van zijn tijd spendeerde aan het programmeren van Rolls Royce vliegtuigmotoren en 90% van zijn bezig is met het testen op de veiligheid van degenen die zullen gaan vliegen met de motoren die hij ontwerpt. Volgens Feenberg zou Plato ongetwijfeld bevestigen dat de logos bij Rolls Royce aan het werk is. Zo ook met de geneeskunst: dat is niet zomaar het voorschrijven van allerlei medicaties voor bepaalde klachten, maar de logos in de geneeskunst is een zorg-missie die de kunstbeoefening reguleert. Zonder een dergelijke technische logos (ver)wordt de ware kunst tot een verzameling trucjes waarmee men onderdelen samenstelt ten behoeve van subjectieve doelen. Dat gevaar ligt altijd op de loer: Omdat mensen vatbaar zijn voor het accepteren van verschijnselen in plaats van de werkelijkheid en liever het plezier hebben dan het goede, kent elke kunst zijn eigen trucjes waarmee de effecten van de ware kunst worden geïmiteerd en waarmee de mensen als slachtoffers worden misleid. Zo verwordt geneeskunst tot cosmetica, waarmee men er gezond uitziet zonder het in werkelijkheid te zijn. Het gevaarlijkste trucje, volgens Plato, is de retorica want dat is de macht in taal waarmee de werkelijkheid wordt vervangen door verschijnselen. In de dialoog Gorgias wordt de persoon Callicles ten tonele gevoerd als de advocaat van dit retorische trucje. 

 

In een moderne opvatting verwoordt Weber het onderscheid tussen 'techne' en 'empiria' als het verschil tussen substantieve en formele rationaliteit. Substantieve rationaliteit positioneert een 'goed' en regelt middelen om dat goed te bereiken. Veel publieke instituties werken op deze basis: onderwijs is een 'goed' en dat bepaalt de geschikte middelen zoals lokalen en onderwijzers. Formele rationaliteit concentreert zich voornamelijk op de efficiëntie van de middelen zonder verwijzing naar het 'goed'. De doelen van de formele rationaliteit komen van buiten, van de gebruikers, en daarmee is ze zelf waardevrij zoals Plato's empiriae. Moderniteit bestaat nu uit de triomf van de formele rationaliteit over een substantieve rationaliteit die we uit het verleden hebben geërfd. De 'markt' is het instrument bij uitstek voor deze transformatie: zij vervangt het geplande streven naar waarde voor cash values. In Plato's opvatting moet de triomf van Callicles, waarbij er geen hoger goed is dan de individuele subjectiviteit, leiden tot tirannie en anarchie. Ook Weber was pessimistisch over het lot van de westerse civilisatie. Webers analyse gaat echter nog een stap verder dan Plato. Uit de triomf van de technische middelen over de waarden van 'vrijheid' en 'individualiteit' is een nieuwe orde ontstaan. De empiriae hebben een eigen logica als een systeem van middelen geïnstitutionaliseerd in markten en bureaucratieën en die logica legt zichzelf op, onafhankelijk van welke waarde dan ook, en zelfs onafhankelijk van de menselijke wil.

 

Heidegger heeft, een generatie na Weber, de nadruk op markten en bureaucratieën verschoven naar technologie. Heidegger beargumenteert dat de werkelijkheid fundamenteel geherstructureerd is door het systeem van research en development, zodanig dat de intrinsieke potenties volledig gestript zijn, terwijl de werkelijkheid blootgesteld wordt aan de dominantie ten behoeve van subjectieve doeleinden. Het uiteindelijke effect van dit proces is de vernietiging van mens en natuur. Ook de moderne Callicles is gevangen in het systeem dat hij denkt te beheersen. Voor Heidegger ligt het gevaar dus niet zozeer in de atoomwapens zelf of in de effecten van het gebruik ervan, maar in de vernietiging van de menselijke status en waardigheid, waardoor de wereld op het goede toegelegd had kunnen worden. De verschuiving van het door Plato beschreven 'misbruik van de empiriae door de gebruikers' naar 'een technologie die inherent destructief is', wordt veroorzaakt door het feit dat technologie niet zozeer de verschijnselen in taal manipuleert, maar zichzelf opdringt aan de werkelijkheid als een systeem. Het probleem van ons tijdperk heeft dus meer te maken met de dominante presentie van technologie dan met ethische vragen over waarden van goed, slecht of neutraal. De neutrale of 'waardevrije' technologie blijkt dus een waarde in zichzelf te hebben en dat is de waarde van dominantie.

 

Marcuse heeft, als leerling van Heidegger, deze paradox expliciet gethematiseerd in zijn 'Eén-dimensionale mens': hoe kan men theoretische consistentie krijgen in de beweringen 'technologie is niet gericht op een waarde' en 'technologie is gericht op dominantie'? Om beter zicht te krijgen op wat bedoeld wordt met de waardevrijheid of neutraliteit van de techniek gaat Marcuse terug op de Griekse notie van een causa finalis. Dit is een soort essentiële vorm waarnaar al het zijnde gericht is. Het zijnde is daardoor als het ware altijd imperfect omdat het wil of moet worden wat het eigenlijk (ten diepste) is, of waar het oorspronkelijk op aangelegd is. Alle kunst wil deze essentiële vorm existentieel maken. Feenberg geeft twee voorbeelden. De kunst van het regeren is om mensen rechtvaardig te maken en de kunst van het onderwijzen is om het rationele als een essentie van de mens te vormen. Volgens Marcuse is het probleem van de moderne technologie dat er geen impliciete causa finalis in die technologie zit. In de moderne technologie gaat het alleen maar om classificeren, kwantificeren en controleren. Alleen de empirische existentie is werkelijk. Er is alleen een 'is' en niet een 'moet zijn'. De antieke intrinsieke finaliteit wordt in de moderne techniek beschouwd als een subjectieve doelbepaling. De causa finalis wordt gesubjectiveerd. Neutraal betekent: alle doelen zijn subjectief en dus gelijkwaardig. Marcuse gaat nu nog een stap verder. Als je geen finaliteit  mag aangeven (behalve als subjectief doel) dan wordt automatisch de bestaande hiërarchie in de subjectieve doelen gereflecteerd in de neutraliteit. De machtstructuren van de maatschappij waarin die moderne techniek functioneert worden in die techniek zichtbaar. Als er dus een bepaalde dominantie in de maatschappij zit, bijvoorbeeld een klasse-maatschappij, dan wordt die gehandhaafd in de formele rationaliteit c.q. neutrale technologie. Het gedijt er niet alleen in, maar kan zelfs welig tieren, totdat het alle sferen van een cultuur geabsorbeerd heeft.

 

Met deze verklaring van de neutraliteit en de dominantie van de moderne techniek geeft Marcuse tegelijkertijd een opening voor een alternatief. Naast de ontologische vraag naar techniek stelt Marcuse ook de politieke vraag naar wat we kunnen maken van techniek. Wat is alternatieve technologie? Niet het simpel verbeteren van je (subjectieve) doelstellingen, niet het veranderen van een lopende band in een zelf-expressie setting, ook niet het propaganderen van cultuur en vrij denken, want het systeemkarakter van de moderne technologie blokkeert ook deze doeleinden. Marcuse concludeert dat technologie op het meest fundamentele niveau gereformeerd moet worden. Niet de doeleinden, maar de middelen moeten veranderd worden voorzover ze dominantie in hun structuur incorporeren. Zowel de materiële basis als de institutionele superstructuren moeten veranderen. Waar Marx, Engels en Lenin de bestaande maatschappij veroordelen omdat ze het bestaande technologische fundament niet ver genoeg doorontwikkelen, pleit Marcuse ervoor om de bestaande technologische basis niet verder te ontwikkelen, maar te gebruiken voor een andere en nieuwe basis. Marcuse is, volgens Feenberg, ook radicaler dan Heideggers oproep om een vrije relatie ten opzichte van technologie te krijgen. Marcuse wil het wezen van de instrumentaliteit veranderen, door het verbannen van de klassemaatschappij met het bijbehorende principe. Verder wil hij dat mensen weer gaan leren om hun wensen te bereiken via het realiseren van inherente potenties (finaliteiten) in plaats van het over te laten aan zaken als (politieke) macht en (economische) winst. De vraag is echter: hoe kan Marcuse zo'n normatieve opvatting van finaliteiten rechtvaardigen? Op grond waarvan maakt hij dat onderscheid tussen finaliteit en subjectieve doeleinden?

 

Marcuse moderniseert daarvoor de Griekse opvatting van essenties door deze niet meer eeuwig en onveranderlijk te laten zijn, maar historisch bepaald. Hij doet dit door te verwijzen naar het gebrek aan zelf-bewustzijn van de antieke filosofen, waardoor ze niet inzagen dat de essenties alleen gedurende hun eigen tijd niet veranderen. De nieuwe waarde, het nieuwe goed, waarnaar de nieuwe techniek zich moet richten als een finaliteit is, volgens Marcuse, Eros. Zowel Eros als Logos moeten, volgens Marcuse opnieuw geconstrueerd worden, maar dan als historische categorieën. Meer concreet: de waarneembare spanningen in de werkelijkheid moeten geïnterpreteerd worden als onderdeel van een groter historisch proces. Marcuse geeft drie 'bemiddelaars': 1) een analyse van technisch haalbare verbeteringen in de menselijke situatie onder de gegeven condities; 2) het erfgoed van de westerse filosofische traditie waarin de substantieve essenties ontwikkeld werden en haar eerste contouren kregen; en 3) projecties van een verbeeldingsvolle rede die vrij is om de werkelijkheid esthetisch te benaderen. Reflectie op esthetische ervaring kan namelijk helpen om betekenisvolle 'Vormen' van de werkelijkheid te identificeren, en daarbij essentie te onderscheiden van accidentie, en hogere potenties van een verminkt empirisch bestaan. Schoonheid is het symbool van het na te streven goed en het is een klasse-onafhankelijke waarde.

 

Feenberg zoekt na deze theoretische uiteenzetting naar een zinnige concretisering. Hoe ziet een moderne 'techne' er uit? Volgens Marcuse moet het waarden incorporeren in zijn structuur en het moet in zijn essentie georiënteerd zijn op een goed. Feenberg merkt daarbij op dat technische toepassingen naast de economische en technische principes ook andere principes kunnen incorporeren, zoals sociale, culturele, politieke en ethische. Voorwaarde is volgens hem wel, dat de toepassingen opgenomen dienen te zijn in een concrete technische discipline. Op het niveau van de concrete historische vormen van een technische discipline is er ruimte voor een variëteit aan verschillende rationaliteiten. Iedere technische discipline heeft zijn eigen rationaliteit, zijn eigen model van de werkelijkheid. Dit realiteitsbegrip van een technische discipline kan de realiteit maar gedeeltelijk weergeven. Tevens heeft zo'n realiteitsbegrip een ontologisch karakter en het kan dus door de praktijk gefalsifieerd worden. Het is aan ons om de beste te kiezen. Geen enkel realiteitsbegrip is 'neutraal', zelfs de moderne technologie, die niet gericht is op een goed in Plato’s termen, is niet neutraal, want ze belichamen allemaal een historisch project. De terugkeer van techne op een moderne basis, betekent niet een omverwerping van de technisch principes die ten grondslag liggen aan de bestaande technologische rationaliteit, maar deze zullen gerangschikt worden rond nieuwe sociale imperatieven en ongetwijfeld leiden tot de ontdekking van nieuwe technische principes. De vraag van ons tijdperk kan daarmee als volgt nauwkeuriger geformuleerd worden: 'hoe gaan we technologie onder een voortdurende controle brengen van normatieve principes, in plaats van het blind voorthollen met het momentum van een overgeërfd systeem, dat geschapen is door schaarste en strijd en nu overwonnen kan worden door de rijke en krachtige maatschappij die de technologie zelf gecreëerd heeft?'

 

Aanscherping van de argumentatie

Voor zijn kritiek op de klassieke filosofie lijkt Feenberg het constructivisme niet nodig te hebben. De betekenis van het constructivisme voor de filosofie wordt zelfs gemarginaliseerd en impliciet bestreden. De volgelingen van Callicles ontkennen een causa finalis, waardoor de moderniteit vatbaar werd voor dominante politieke structuren. In de cruciale filosofische debatten staat Feenberg zij aan zij met de Griekse leermeesters tegenover de empiristen. Pas na het historiseren van de Griekse essenties op grond van filosofische overwegingen, komt er ruimte voor een empirisch constructivistische benadering. De kritiek van Feenberg op Heideggers substantivisme is dat hij niet radicaal genoeg is en weinig aanwijzingen geeft voor een concrete overlevingsstrategie.

 

In Feenbergs heldere uiteenzetting van zijn argumentatie zitten enkele punten die ik wil ophelderen om in het debat met de klassieke techniekfilosofen nader uit te zoeken. Het eerste punt betreft de dominantie van de moderne techniek. Tot en met de uitwerking van de neutraliteit van de moderne techniek klinkt de argumentatie overtuigend. Daarna wordt het onduidelijk. Als er immers geen causa finalis in de moderne techniek zit, dan is de invulling van de daardoor ontstane neutraliteit door contemporaine politieke structuren wel een mogelijkheid, maar niet een noodzakelijke. In plaats van de causa finalis, zou ook de causa materialis een leidende rol op zich kunnen nemen, waarmee de neutraliteit en daarmee samenhangende nihilistische subjectiviteit gerelativeerd kan worden. Neem bijvoorbeeld het verhaal van Michelangelo waarin hij vertelt dat hij bij een stuk marmer geen idee heeft wat er uit tevoorschijn komt, maar gewoon aan het werk gaat om het marmer zelf te laten openbaren welke vorm het verkiest. Zo zou ook bijvoorbeeld de causa formalis een leidende rol kunnen spelen, waarmee alleen maar gezegd is dat de stap naar een 'politieke structuur van dominantie' slechts een mogelijke verklaring wordt. Vervolgens zou de verklaring zelf betwijfeld kunnen worden, want als de politieke structuur zo bepalend is voor de invulling van de technische neutraliteit, zou men een sterk (wellicht niet altijd wenselijk) sturingsmechanisme hebben, maar niemand heeft die ervaring. Sterker nog: politici van West- en Oost-Europa lijken juist van het tegendeel overtuigd te zijn. Bovendien zou eerst aannemelijk gemaakt moeten worden dat de verschillen in technologie in de diverse politieke systemen veroorzaakt wordt door die politieke structuren en niet door andere sociale, culturele of ethische factoren. Zowel bij Ellul, als bij Heidegger zal nauwkeurig moeten worden nagegaan hoe zij de dominantie van de technologie definiëren. Het zal voor een concrete realisering van alternatieve technologieën een grote impact kunnen hebben.

 

Als invulling voor de alternatieve politiek structuur die in apparaten ingebouwd zou moeten worden kiest Feenberg voor een democratische. Een democratie die ingebouwd wordt is immers verkieselijker dan een klasse-systeem of een dictatuur. Toch is deze overlevingsstrategie te weinig uitgewerkt en daarom problematisch. In de eerste plaats wordt gesuggereerd dat er maar één vorm van 'democratie' is, terwijl de verschillen tussen Europese democratieën toch nogal verschillen, met name op het punt van de organisatie van macht. In de tweede plaats is uit de praktijk gebleken dat democratische overlegstructuren om te bepalen hoe technische systemen zouden moeten functioneren moeizaam verlopen zonder een externe (apriori aan het overleg overeengekomen) normering van het overleg zelf. In de derde plaats is het gelijkheidsbeginsel dat ten grondslag ligt aan het democratische ideaal fataal voor het adequaat inbrengen van de diverse expertise die aanwezig is bij de deelnemers aan het overleg. In het systeemdenken, waar Habermas’ communicatieve rationaliteit als ideaal wordt gezien voor de normering van een overleg over het ontwerp en de ontwikkeling van technische systemen, bekritiseert men de gelijke inbreng van iedere deelnemer omdat dat geen recht doet aan de specifieke kennis of inbreng die elke deelnemer zou kunnen hebben. Met het honoreren van die specifieke inbreng komt echter onvermijdelijk een nieuwe normativiteit in het overleg en daarmee de mogelijkheid tot dominantie van een bepaalde expertise. Het democratisch ideaal is dus niet eenvoudig in te bouwen als alternatieve politieke machtsstructuur. Daar komt nog iets bij. Stel dat men er in slaagt om via democratische overlegstructuren ook de democratische machtsverdeling in te bouwen, dan ontstaat er wellicht een alternatieve techniek, maar het is nog steeds techniek. Een eventuele dominantie van techniek in de maatschappij is daarmee nog niet aangepakt.

 

Een tweede punt dat ik nader uitgewerkt zouden willen zien is de rol van de causa finalis. Het klinkt als een waardevolle opmerking om bij het ontwerp van apparaten de causa finalis (weer) leiding te geven. Daarmee kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat in het ontwerp van een ziekenhuis het economische gaat heersen over het medische. De rol van de causa finalis is echter niet eenvoudig. In de eerste plaats kan men zich afvragen wat er precies mee bedoeld wordt: is het de eigenlijke doelstelling of bestemming van een ziekenhuis? Zo ja, wie bepaalt dat dan? Stel dat een toekomstige democratie het er over eens is dat de causa finalis van een ziekenhuis 'winst maken' is, wat dan? In de tweede plaats kan de leiding van zo’n causa finalis veel vormen aannemen: hoe moet men het economische en het ethische integreren met het technische vanuit een causa finalis? De wijze waarop de diversiteit aan empirisch gegeven bondgenootschappen geaccepteerd en verwerkt moet worden tot een ontwerp vereist meer dan alleen een causa finalis.

 

Vooralsnog stel ik vast dat Feenberg het constructivisme gebruikt om het ontwerpproces open te breken en aandacht te vragen voor de diversiteit aan technische vormen, maar dat hij en passant fundamentele kritiek uit op het constructivisme door te verwijzen naar de beperkingen van een empirische benadering. In lijn met het constructivisme levert Feenberg kritiek op de klassieke techniekfilosofie om het 'eenduidig technische' ervan te weerleggen. Volgens Feenberg is de techniek in wezen niet eenduidig maar even divers als de politieke machtsstructuren en is het niet zozeer de techniek als wel de politiek die de techniek bepaalt.

 

Intermezzo Feenberg

Onlangs nog ben ik in Pisa geweest. Ik dacht daar de beroemde toren aan te treffen, maar wat schetst mijn verbazing: het hele terrein was een werkplaats geworden en het was er een drukte van belang. Niet vanwege de toeristen, maar vanwege de vele constructeurs die daar rondliepen. In eerste instantie was ik erg teleurgesteld. Ik was oprecht geïnteresseerd in de wedergeboorte van de Griekse oudheid en wilde de belichaming van het streven naar de  eeuwige Platoonse ideeën met mijn eigen ogen aanschouwen. Ik wist natuurlijk wel dat de bovenste verdiepingen van de toren gesloten waren: de eeuwige ideeën waren immers voor de Grieken zelf ook al onbereikbaar, en al zouden ze in staat geweest zijn om ertoe op te klimmen dan zou de angst voor hubris hen er van weerhouden hebben. Ik wilde dan ook maar tot halverwege gaan om in ieder geval over de hoofden van alle toeristen met hun verschillende meningen en opvattingen heen te kunnen kijken. Daar had ik die hele reis voor ondernomen. Maar het zag er naar uit dat zelfs dat niet doorging. De toren was scheefgezakt, ook dat wist ik al. Het Griekse erfgoed was verwaarloosd en verworden tot een interessant curiosum. Toch was de toren nog steeds dominant in het stadsgezicht en ook ver daarbuiten was de toren bepalend voor het wetenschappelijk denken. In opeenvolgende eeuwen waren de mensen overmoedig geworden en toch doorgedrongen tot de hoogste verdiepingen. Beroemd geworden natuurkundigen hebben er zelfs voorwerpen vanaf gegooid om de ideeën van de Grieken belachelijk te maken. Door al die slechtziende mensen daar op de top van de toren (ze hadden allemaal lenzen nodig om de meest in het oog springende sterren te kunnen zien) ontstond een steeds groter krachtmoment, waardoor de toch al wat verzakte toren steeds verder scheefzakte. Dat moest voorkomen worden en daar was ik het helemaal mee eens. Maar toen bleek dat men de toren om die reden gesloten had en ik dus helemaal niet meer naar binnen kon in het gebouw zelf (in de materiële structuur waarin allerlei filosofieën en theorieën verwerkt zijn), viel me dat toch wel tegen.

 

De teleurstelling duurde echter niet lang, want al vlug werd mijn aandacht getrokken door een enorme graafmachine waarmee men de zachte veengrond onder de andere kant van de toren aan het weghalen was. Op een informatiebord was te lezen dat men met een ingenieus project bezig was om de toren weer 5% rechter te krijgen, door aan de kant waar de toren niet verzakt was grond weg te halen. Wat een moed en wat een rationale voor zo'n probleem. Zou zoiets echt mogelijk zijn? Er lag inmiddels een enorme berg met veen en honderden sensoren gaven aan een centrale computer door wat het effect was van deze technische ingreep. Geboeid sloeg ik het werk gade. Er waren maar weinig toeristen, wel een wandelaar maar die zag er niet uit als een toerist. Hij wenkte me dichterbij en vroeg waarom ik zo lang bleef kijken. Ik vertelde hem dat ik geïnteresseerd was in techniek en filosofie en de fundering van beide. Een blik van herkenning verscheen op zijn gezicht en hij nodigde me uit voor een glas thee. In zijn huis achter de toren vertelde hij me meer over de filosofische strijd die gevoerd was rondom de toren. Eerst hebben Duitsers de fundering aan de verzakkende kant willen versterken, maar de geheide Germaanse palen waren te diep in de grond geslagen. Als afbetaling hebben ze enorme hoeveelheden marken gebruikt om de ontbrekende ruimte op te vullen. Dat was een historisch moment. De toren is vanaf dat moment niet verder gezakt. Toen duidelijk werd dat de toren niet verder zou zakken heeft die als fallussymbool zijn moderne schoonheid gekregen. En toen kwam die Amerikaan. Hij had de hele voorgeschiedenis van de toren bestudeerd en kwam tot de conclusie dat die weer in zijn oorspronkelijke essentie moest worden hersteld. Vandaar het graafwerk. Ik was wederom geboeid, nu door het verhaal. Ik vroeg de man wat hij er nu allemaal zelf van vond. 'Ach', zei hij, 'het is wat rustiger geworden in de buurt, maar dat kan ook komen door de openstelling van de toren van Pisa in Japan'. 'In Japan?', vroeg ik verbaasd. Ik wist natuurlijk wel dat de Japanners alles nabouwen en dan denken dat ze daarmee ook de essentie hebben nagebouwd, maar ik wist niet dat ze het lef hadden om zo'n eeuwenoud en dominant symbool van de moderne tijd ook te imiteren. 'Tja', vervolgde de man, 'je kent wel die reisgids voor studenten: Lets Go, sinds men daarin melding maakt van de kopie in Japan en de constructieve werkzaamheden alhier, is het bezoek hard teruggelopen. Alleen een enkele verdwaalde zoals jij komt hier nog.' Ik veronderstelde dat de Amerikaan daar niet zo blij mee was, maar gek genoeg bleek de Amerikaan er, volgens de man, juist veel waarde aan te hechten, want zo konden de verschillende politieke structuren zichtbaar worden in een technische constructie en dat was nu precies zijn stokpaardje. Ik zag dat de man zijn thee op had en wilde daarom opstappen. Als laatste vraag vroeg ik hem hoelang de man dacht dat de Amerikaan nog bezig was. 'Oh', zei hij, 'dat kan nog wel lang gaan duren, want men is de projectleiding aan het democratiseren. Iedereen mag zijn eigen ontwerpje inleveren om de toekomst van de toren gerealiseerd te krijgen. En je weet hoe dat gaat: als men het grote ontwerp van de toren met de eeuwige ideeën loslaat en begint met allerlei eigen ontwerpjes waarover gestemd moet worden, dan krijg je binnen de kortste keren emotionele discussies waarin het wel en wee van de toren wordt verbonden met het wel en wee van de wereld en voor je daar een consensus over hebt, ben jij al vele keren naar Japan geweest.'

 

Achterhuis

In 1995 bundelde Achterhuis een aantal artikelen van zijn hand samen onder de titel 'Natuur tussen mythe en techniek', waaruit ik in het vervolg zal citeren.2 In dit boek zoekt hij een middenweg tussen het symbool van 'de boom des levens' en 'de moralisering van de apparaten' aan de hand van vele voorbeelden uit de  milieuproblematiek. In de openingszin verwijst hij naar het bekende blauwe bolletje als symbool voor moeder aarde en vervolgens vraagt hij aandacht voor de merkwaardige paradox dat deze voorstelling van de aarde pas mogelijk werd dankzij de laatste hoogstandjes van de ruimtevaarttechnologie die op haar beurt pas mogelijk werd na het verdwijnen van de idee van moeder aarde als 'een weldadige goede Moeder die met de grootste vrijgevigheid haar gaven schenkt'. De moderne mens staat, na het optimisme van de Verlichting die de mythe vanzelf door de rede zag verdwijnen, nu als mytheloze mens, hongerend temidden van het verleden, op zoek naar wortels. Instemmend citeert Achterhuis Nietzsche: 'Waarop wijst die behoefte van de onbevredigde moderne cultuur. Is het niet op het verlies van de mythe, op het verlies van het mythische thuis, van de mythische moederschoot?' Achterhuis vraagt zich vervolgens af waarom we de mythe nodig hebben en waarom we het niet alleen met techniek kunnen redden. Hij verwijst dan naar Gogarten die stelt dat het technisch heersen over de wereld pas mogelijk werd toen het christendom de wereld ontmythologiseerd had. En omdat, na de doorbraak van de techniek, het traditionele christendom verloren ging, staan we nu in moreel opzicht met lege handen tegenover de technische vooruitgang. Achterhuis concludeert dat we enerzijds in een technotoop à la Ellul leven die in haar eigen termen begrepen moet worden, maar anderzijds dat het goede leven in een technologische cultuur niet mogelijk is zonder de verhalen uit de traditie: "nadenken over de terugkeer van de mythe blijkt meer dan een wijsgerige begripsverheldering, het is een normatieve onderneming waarvan het grote belang voor de toekomst van de moderne samenleving niet genoeg onderstreept kan worden." (p.10)

 

Achterhuis concretiseert de culturele betekenis van de levensboom in diverse culturen. De Joodse amandelboom en de Egyptische vijgenboom, maar ook Descartes' wetenschapsboom en Sartre's kastanjeboom worden getekend waarna hij besluit met een uitwerking van de Afrikaanse kokospalm. Hiermee illustreert hij de moderne wetenschappelijke en technische beheersing van de mythische levensboom. Waar de kokospalm, juist vanwege haar natuurlijke eigenschappen wel zo'n honderd producten levert, van medicijnen en lampen tot melk en boter, wordt deze enkele boom als samenvatting van het hele leven van een Afrikaans dorp, door de westerse moderne landbouwdeskundigen tot een nuttige olieproducerende plant opgevat en door wetenschappelijke cultivering optimaal rendabel gemaakt. Alle oorspronkelijke functies in economisch, sociaal, cultureel en religieus opzicht worden gereduceerd tot een enkele technisch-economische. Terugkomend op de vraag of de wortels van de ecologiecrisis in het christendom gezocht moeten worden, constateert Achterhuis een verschuiving naar het humanisme. "Het zestiende en zeventiende eeuwse humanisme met haar eindeloze variaties op Cicero's lofzang op de menselijke hand als het gereedschap bij uitstek om de natuur te onderwerpen, om bos te kappen, mijnen te ontginnen en rivieren begaanbaar te maken, betekent niet alleen een breuk met de traditie van Moeder Aarde, maar deels ook met het christelijke denken." (p.55)

 

De allergrootste vraag is voor Achterhuis of we dan de westerse humanistische traditie overboord moeten zetten en terug moeten keren naar een religieus-sacraal wereldbeeld. In veel New Age bewegingen ziet Achterhuis zo'n terugkeer, maar hij is daar niet gelukkig mee. Het holisme, van bijvoorbeeld Zoeteman, wordt gereduceerd tot een moderne systeemtheorie. Juist hierdoor wordt de natuur vernietigd om plaats te maken voor milieu. Ook is Achterhuis pessimistisch over de impact van dergelijke oproepen. "De discussie over de veranderingen van het klimaat door het kappen van uitgestrekte Amerikaanse wouden was in de achttiende eeuw waarschijnlijk feller dan de huidige discussies over het broeikaseffect en het tropisch regenwoud. Heeft dit iets uitgehaald?" (p.60) Een andere veelgehoorde weg is het stellen van grenzen aan de groei. Reeds in de 15e eeuw was het Pico della Mirandola, een van de grondleggers van het humanisme, die stelde dat voor de mens geen grenzen gesteld zijn maar dat de mens deze in vrije wil voor zichzelf moet stellen. Achterhuis memoreert dat hij in zijn boek 'Het rijk van de schaarste' de maatschappelijke, structurele kant heeft geschetst van het onvermogen van de mens om zichzelf grenzen te stellen.

 

Op zoek naar de oorzaken van onze onmacht, verwijst Achterhuis naar een paradox van Illich: aan het gebruik van water opgevat als H2O kan geen grens gesteld worden; het wordt beschouwd als schaars goed en zal dus steeds schaarser worden. Als er niet meer over water gedroomd kan worden, worden ook de grenzen niet zichtbaar die voortkomen uit de erkenning van de levenskracht, poëzie of heiligheid. Ook het gebruik van de auto kent zo'n paradox: wanneer men de auto ziet als een voertuig waarmee men zich snel kan verplaatsen, zal blijken dat de gemiddelde snelheid lager is dan een fiets. Voor de 10.000 km die een Amerikaan per jaar gemiddeld rijdt, is hij 1500 uur in de weer (= iets meer dan 6 km/uur) met het rijden zelf, maar eerlijk is eerlijk, ook met het werken om de belasting, verzekering en benzine te betalen, het zoeken naar parkeerruimte, het filerijden enz. Kortom, de auto is meer dan een instrument. Opgevat als cultuurverschijnsel dat ons denken en handelen bepaalt heeft de auto zelfs geleid tot de omschrijving 'de gothische kathedralen van de moderne tijd'. "Terwijl voor een gothische kathedraal als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat deze meer is dan een simpel bedehuis, lijkt dit culturele aspect voor de auto nauwelijks te worden gezien. Zowel voor- als tegenstanders ervan beschouwen hem eigenlijk alleen als vervoermiddel." (p.79) Al in de jaren dertig wees de historicus van de techniek Mumford erop dat allerlei nieuwe technologische ontwikkelingen grote maatschappelijke beloften inhielden op voorwaarde dat ze op de juiste wijze maatschappelijk ingekaderd werden. Als dat niet zou gebeuren, aldus Mumford, zouden de bestaande problemen juist kunnen verergeren. Mumford werkte dit toen al concreet uit voor de auto, die naargelang de wijze waarop een wegennet en een vervoerssysteem zouden worden ontwikkeld, de binnensteden meer tot hun recht zou kunnen laten komen, of ze juist onleefbaar maken. In navolging van Spengler, die het beeld van de culturele 'pseudomorf' voor het eerst gebruikte, wijst Mumford op het in de geologie bekende fenomeen dat een rots zijn structuur kan behouden, zelfs als bepaalde elementen uitgeloogd en door ander materiaal vervangen zijn. Omdat de uiterlijke structuur van de rots blijft bestaan, wordt het nieuwe product een pseudomorf genoemd. Achterhuis verwijst verschillende keren in zijn boek naar Mumfords pseudomorf in culturele zin. "Allerlei nieuwe krachten, technieken en instituties kunnen, in plaats van ze te laten uitkristalliseren in zelfstandige en ervoor geëigende vormen, ook opgenomen worden binnen de structuren van een bestaande cultuur". (p.138,219) Het zal dus veel gerichte maatschappelijke inspanningen vragen om ervoor te zorgen dat nieuwe technologieën, bijvoorbeeld de biotechnologie, niet in een pseudomorfe maatschappelijke vorm verstart. Met het principe van duurzaamheid in plaats van schaarste zou men technologie zodanig maatschappelijk kunnen inbedden dat ze zelfs een materiële ondersteuning gaat bieden voor normalisering en moralisering van de grote volksmassa. Zo geeft Foucault aan dat de architectuur, de inrichting van de fabriek, de plaatsing van de machines en apparaten, de opzet van school en ziekenhuis, alle verantwoordelijk waren voor wat hij noemt: disciplinering en normalisering.

 

Toch signaleert Achterhuis ook een gevaar bij het inbedden van technologie in nieuwe maatschappelijke kaders. Wanneer technologische ontwikkelingen en maatschappelijke structuren naadloos in elkaar over lopen en er een 'seamless web' ontstaat kunnen ontwikkelingen elkaar gaan versterken. Zo sluit de moderne informatica naadloos aan op maatschappelijke ontwikkelingen die in het Westen al eeuwenlang aan de gang zijn. "Minstens vanaf de 18e eeuw heeft men geprobeerd de maatschappij zo te ordenen en te disciplineren dat velerlei gegevens over mensen  in modellen en schema's waren onder te brengen. Naarmate deze verfijnder en uitgebreider worden en er steeds meer gegevens boven water komen, worden steeds hogere eisen gesteld aan het beheer van al deze informatie. De computer is hierop het laatste technologische antwoord, maar dit antwoord versterkte weer de richting waarin de maatschappij zich ontwikkelt. Het bestaan van de computer werkt de modellering van de werkelijkheid in de hand." (p.166) Daaraan kan nog toegevoegd worden: de automatische voorkeur om problemen technisch op te lossen. Deze 'technical fix' blijkt zelfs uit de verwachtingen, geuit in milieurapporten waarin men nieuwere en schonere technologieën beschrijft en er soms al mee rekent. De dominantie van het technische wordt dan gehandhaafd.

 

Volgens Achterhuis beschrijft Ellul de technology als een autonome realiteit met eigen specifieke wetmatigheden, waar de mens machteloos tegenover staat. Hoewel Achterhuis instemt met Elluls analyse van de moderne maatschappij als technotoop, verwijt hij Ellul dat er nauwelijks te ontsnappen is aan het fatalisme zoals uit de formuleringen van Ellul blijkt. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Dessauer, wordt de rol van uitvinder door Ellul verwaarloosbaar klein geacht. "Voor elk technisch probleem dat gesteld wordt is er volgens Ellul slechts één perfecte oplossing, 'the one best way', en deze oplossing komt bijna automatisch voort uit de technologische ontwikkeling zelf. Als illustratie hiervoor wijst Ellul naar het bekende gegeven dat een bepaalde uitvinding of een nieuwe technologische ontwikkeling vaak bijna gelijktijdig in twee of meer totaal verschillende contexten wordt gedaan." (p.145) Achterhuis geeft drie kanttekeningen bij dit fatalistisch klinkend verhaal, waarbij de eerste kanttekening een ontsnappingsmogelijkheid biedt, en de twee volgende kanttekeningen Elluls autonomie-opvatting bevestigen zonder de consequenties daarvan te delen. 1) Zoals Ellul elders aangeeft is zijn determinisme niet noodzakelijk, maar waarschijnlijk omdat hij verwacht dat de mensen hun impliciete vooronderstellingen zullen vasthouden. 2) Het vooruitgangsdenken, bijvoorbeeld van 1850-1920 in Nederland, heeft de technische innovaties ook altijd zonder veel discussie als autonoom (maar dan in positieve zin) beschreven, terwijl Habermas in de jaren zeventig zelfs poneerde dat er geen alternatieve technologische ontwikkeling voorstelbaar was omdat de techniek een noodzakelijk pad volgde waarvan niet kon worden afgeweken. 3) Ellul heeft, volgens Achterhuis, zeker gelijk als hij betoogt dat de gevolgen van veel technische ontwikkelingen onvoorzien en onbeheersbaar zijn. Maar de gevolgtrekking dat de techniek daarom autonoom is lijkt, volgens Achterhuis, eerder ingegeven te zijn door de teleurstelling over de maakbaarheidsideologie dan door een reële inschatting van de technische ontwikkelingen.

 

In klassieke theorieën die techniek met noodzakelijkheid, absolute maakbaarheid en waarheid verbinden, wordt de gedachte dat de techniek ook totaal anders had kunnen zijn, volgens Achterhuis, verdrongen. "Naar de toekomst toe wordt op deze wijze de mogelijkheid om als samenleving verantwoordelijk te zijn voor het creëren van nieuwe technieken ontkend." (p.142) Achterhuis stelt dat men in de techniekfilosofie terugschrikt voor contingentie en vrijheid. "Deze traditionele argwaan komt misschien het meest duidelijk tot uitdrukking bij Heidegger. Moderne techniek is voor hem een manifestatie van de wil, die hij met Nietzsche als een 'wil tot macht' ziet." (p.142) In plaats van het willen kiest Heidegger voor het vernemende denken als een openstaan voor de 'Omgeving' in tegenstelling tot het rekenende denken dat besmet is door willen. "In het (vernemende) denken, dat tegelijkertijd danken is, wordt gelijktijdig 'ja' en 'neen' gezegd tegen de technische wereld. Het 'ja' betekent dat we de technische voorwerpen in onze alledaagse wereld (laten) binnentreden, het 'neen' dat we ze voor ons nooit iets absoluuts laten worden. In deze houding worden de contingentie van en de verantwoordelijkheid voor techniek ontkend." (p.142)

 

In navolging van de wetenschapsfilosofie is er in de techniekfilosofie, met enige vertraging,  sprake van een empirische wending. Techniek wordt niet langer los van de maatschappij gezien, maar context gebonden. Met een verwijzing naar Bijker, stelt Achterhuis dat uit het onderzoek naar de ontwikkeling van de fiets blijkt dat het rijwiel geenszins het resultaat is van een rechtlijnige technische evolutie. "Onze hedendaagse fiets is niet 'the one-best-solution' op een eenduidig gesteld probleem, maar een sociaal geconstrueerd artefact, dat via vele toevalligheden en kronkelwegen gestalte kreeg en op zijn beurt zijn maatschappelijke omgeving gestalte gaf." (p.149) Het belangrijkste resultaat van Bijkers onderzoek is, volgens Achterhuis, dat techniek en maatschappij niet te scheiden zijn. "Smits en Leyten stellen in hun proefschrift Technology Assessment (1991) als een soort samenvatting van dit onderzoek dat techniek het resultaat is van sociaal handelen en van sociale strategieën van verschillende maatschappelijke groepen." (p.149)

 

Keerzijde van deze medaille is de vrijheid en verantwoordelijkheid die het sturen en construeren van techniek met zich meebrengt. Met een verwijzing naar Frankenstein maakt Achterhuis duidelijk, dat deze constructie pas gewelddadig en monsterlijk werd, nadat "de schepper ervan weigert de verantwoordelijkheid ervoor te aanvaarden." (p.136) Toen Frankenstein namelijk aan zijn schepper Victor vroeg om een vrouwelijk exemplaar, en Victor daarmee bezig was, overviel hem de angst dat hij zijn schepping misschien niet meer zou kunnen beheersen en hij vernietigde zijn laboratoriummateriaal. In de vorm van het Joodse kabbala verhaal van de Golem is dit motief al in het begin van de moderne tijd naar voren gekomen. "Het draait er steeds om dat de goddelijke scheppingsmacht, tot uiting komend in het gebruik van de goddelijke naam, gebruikt wordt zonder verantwoording af te leggen aan de Schepper, ja zelfs tegen de Schepper in. Lang voor Nietzsche en het moderne secularisatiedenken, wordt in de Golem-mythe het thema van de dood van God expliciet met de technische scheppingsmacht van de mens verbonden." (p.135)

 

Hoe moeten we echter onze verantwoordelijkheid nemen? Achterhuis geeft een aantal antwoorden van techniekfilosofen. Er zijn er die zeggen dat je de techniek weer de baas moet worden door techniek als enkel instrument te beschouwen. Sommigen pleiten ervoor om de omkering van het doel-middel schema terug te draaien en het doel (de techniek) weer als middel gaan zien. Anderen suggereren om te leren omgaan met onzekerheden. Onderzoek naar de teloorgang van de maakbaarheidsgedachte in de economie laat zien dat er in diverse landen methoden ontwikkeld worden om met onzekerheden om te gaan. Achterhuis waarschuwt echter dat daarmee de angst nog niet is overwonnen. "Zeker, risicobeheersing kan onze apparaten en producten veiliger maken en vele vrezen doen verdwijnen. (..) De diffuse angst die aan al deze vrezen ten grondslag ligt, wordt hierdoor echter niet overwonnen." (p.201)

 

Andere filosofen willen de angst overwinnen: net zoals Descartes en Hobbes hun angst bezworen hebben door een nieuw geloof en een nieuw wereldbeeld te verschaffen, kunnen het vooruitgangsgeloof en de maakbaarheidsgedachte opnieuw aangegrepen worden om de angst te lijf te gaan. Achterhuis ziet echter dat door allerlei gebeurtenissen dat geloof in de maakbaarheid tanende is en dat de angst voor de onzekerheden in de techniek zich cultureel vertaalt in een angst voor de technische producten. De apocalyps verschijnt niet meer als dood, hongersnood en pest, maar als atoombom, milieuprobleem en biotechnologie. "Niet meer de natuur maar de techniek wordt als de grote bedreiging ervaren, waarmee geenszins gezegd is dat de moderne mens geen angst meer heeft voor de natuur. Al het onderzoek over de gevolgen van rampen laat echter steeds zien dat technologische rampen veel dieper ingrijpen dan natuurrampen." (p.200) "Niet de vlucht maar de confrontatie met het verschijnsel dat de angst oproept, maakt het mogelijk ermee om te gaan. Dat geldt dus in onze tijd voor de techniek." (p.202) In feite is dit antwoord al door Heidegger gegeven: 'Waar het gevaar is, groeit ook de mogelijkheid van redding'. "Wat dit concreet zou kunnen inhouden is echter nauwelijks door Heidegger en zijn adepten uitgewerkt." (p.202) Zelf suggereert Achterhuis dat in plaats van te voorspellen dat bijvoorbeeld een cyborg, de volgende stap in onze evolutie zal worden, men maar beter op een "nuchterder wijze naar het fenomeen cyborg kan kijken door te onderkennen dat we feitelijk allemaal cyborgs zijn, aan onze apparaten gekoppelde wezens die zonder techniek geen dag zouden kunnen leven. Aan de wijsbegeerte de taak om te doordenken wat dit betekent." (p.203)

 

Achterhuis verwijst diverse keren naar Hannah Arendt, overigens zonder haar leermeester Heidegger te noemen, vanwege het belang dat hij hecht aan haar onderscheidingen in de 'vita activa', het actieve leven van de mens: 1) arbeiden; 2) werken of maken en 3) handelen. (p.107, 150,161) Arbeiden is noodzakelijk om het biologische leven van de mens en zijn soort in stand te houden. Het is een cyclisch proces: elke dag opnieuw eten. Het werken betreft het maken of bouwen van gebruiksvoorwerpen. Dit is een lineair proces: het eindigt als het product af is. Arbeiden en werken zijn twee activiteiten waarin we ons tot de wereld verhouden. Het handelen daarentegen vindt plaats in een netwerk van menselijke relaties. Als mensen handelen, stellen zij daden en spreken zij woorden. Op deze manier onthullen zij zichzelf, laten zij aan anderen zien wie zij zijn. "Vergeleken met het werken, het maken van dingen, kent het handelen vele zwakheden. Reeds in het vroege Griekse denken komen deze scherp naar voren. In de eerste plaats is het onbeheersbaar en onvoorspelbaar; omdat men in zijn handelen altijd afhankelijk is van andere mensen, staat de uitkomst nooit vast. Daarnaast is het onbegrensd: een kleine onbelangrijk geachte handeling kan een keten van overstelpende en onvoorziene gevolgen hebben. Tegelijkertijd biedt het handelen de mens de gelegenheid om zich te tonen, te laten zien wie hij is." (p.151, 162)

 

In de publieke ruimte van het handelen golden een aantal principes die de gevaarlijke kanten van het handelen deels moesten opvangen. De bekendste hiervan is het maathouden. Overschrijding van de maat was hubris, overmoed en uit den boze. Een ander principe was dat men zich niet mocht verschuilen achter de gevolgen die niet te overzien waren: wie 'grote daden' wilde stellen moest zo goed mogelijk proberen de gevolgen te overzien, maar diende ook verantwoordelijkheid te durven dragen voor de onvoorziene gevolgen. Vanwege dit verschil tussen handelen met onvoorziene gevolgen, die het maken niet kent, suggereert Plato dat er een andere macht is die aan de touwtjes trekt. "Om maar meteen de reuzensprong naar het heden te wagen, die andere macht die Plato als 'godheid' aanduidde, wordt in onze tijd vaak als 'de economie' of 'de techniek' benoemd." (p.163)

 

Wanneer Achterhuis de rol die de techniek in een mythe speelt wil thematiseren, grijpt hij aan het einde van zijn boek weer terug op de dialoog Protagoras. Het thema van de dialoog is de antithese tussen tuche (lot, contingentie in natuur en maatschappij) en techne (kunst van wetenschap en techniek). Waar de eerste mensen hun leven in verwarring en voortdurende ellende doorbrachten, leren zij dankzij techne de tuche beheersen. Twee vormen van techne zijn in het spel: techne om te werken, dingen te maken, en techne van de rechtvaardigheid, de vaardigheid van het elkaar verstaan in het samenleven en handelen. Nussbaum wijst erop dat de goden deze twee techne schenken als intrinsieke eigenschappen, waarmee niet alleen de vaardigheden geschonken werden, maar waarmee tevens de schepselen ontstonden die die vaardigheden intrinsiek bezaten. "De techne hebben veel meer dan een middel karakter, zij roepen een eigen levensvorm in het leven die intrinsiek bij het mens-zijn hoort. Tegenover de gebruikelijke klassiek-filosofische visie op de mens als een 'zoön logon echon', een wezen dat gekarakteriseerd wordt door de logos, de taal die het de mens mogelijk maakt zich met zichzelf en anderen te verstaan, stelt Protagoras dat hij tegelijkertijd een 'homo faber' is, een wezen dat zich dankzij het gebruik van werktuigen verder ontwikkelt." (p.257)

 

De poging van talloze (klassieke) techniekfilosofen om de techniek weer onder de logos te brengen, weer terug in het symbolische domein, heeft volgens Hottois, die Achterhuis met instemming lijkt te citeren, alles te maken met een poging om de eigen levensvorm van de technologie te ontkennen. "Door te poneren dat de structuur van de werkelijkheid van talige aard is, pretendeert de filosoof nog steeds, ook in een technologische cultuur het laatste fundamentele woord te kunnen spreken. Als Heidegger stelt dat de mens woont 'in het huis van de taal' is dat een duidelijke miskenning van de wijze waarop de moderne mens ook in zijn concrete, door de technologie geconstrueerde en onderhouden huis woont." (p.244)

 

Aanscherping van de argumentatie

In de inleiding op de bundel 'Van stoommachine tot cyborg' uit 1997 vat Achterhuis zijn standpunt nog eens kort samen.3 Zijn waardering van en kritiek op de klassieke techniekfilosofie, de rol van het constructivisme daarin en de onderlinge verhouding van die twee stromingen worden in deze samenvatting duidelijk.

 

Over de waarde van de klassieke techniekfilosofen zegt hij dat zij "zich eerder beziggehouden heeft met de historische en transcendentale voorwaarden die moderne techniek mogelijk maakten, dan met de daadwerkelijke veranderingen die de ontwikkeling van een technologische cultuur met zich meebracht. De filosofische inzichten in de techniek die op deze wijze werden gegenereerd zijn waardevol." (p.9) Verder ziet hij het als de grote verdienste van de klassieke techniekfilosofie dat zij het nieuwe en radicale van de breuk met het traditionele cultuurpatroon van de mensheid onderkend heeft. Achterhuis doelt daarmee op de breuk waardoor het technische niet langer onder het talige of symbolische valt, maar een zelfstandigheid kent. Wanneer een louter technische benadering van de werkelijkheid in de moderne tijd de menselijke conditie bepaalt, wordt deze niet langer cultureel begrensd. 'Alle mogelijke dingen' moeten reeds in het Nieuwe Atlantis van Bacon tot stand gebracht worden. Heidegger peilt het wezen van de nieuwe techniek hierin dieper dan de gebruikelijke beschouwingen die technologie als instrument zien of als één van de vele mogelijke cultuuruitingen.

 

Over de beperkingen van de klassieke techniekfilosofie zegt hij: "Omdat de technische verhouding tot de werkelijkheid, die de voorwaarde vormt voor de ontwikkeling van de techniek, niet noodzakelijkerwijs samenvalt met de verschillende wijzen waarop techniek zich manifesteert, blijven haar filosofische inzichten beperkt." (p.9) Men schrikt terug voor de concrete technische praktijken en ontwikkelingen en miskent hoezeer deze de feitelijk de normatieve kaders van de cultuur in snel tempo veranderen. Bovendien is er de neiging om zich na een diepgaande analyse terug te trekken in het talige. "Nadat Heidegger het 'niet-menselijke' van de techniek kort maar diepgaand gepeild heeft, wendt hij zich echter terug, weg van de techniek in zijn feitelijke praktijken, naar de taal. Alleen van daaruit kan het wezen van de techniek als het hoogste gevaar voor het denken, maar dus ook voor een mogelijke redding, gedacht worden." (p.10) In de computer en taaltechnologie zag Heidegger dan ook het grootste gevaar. Als de mens hierdoor van zijn natuurlijke taal wordt beroofd, betekent dat ook het verlies van zijn wezen. De beweging van Heidegger terug naar de taal, herkent Achterhuis in vrijwel alle klassieke techniekfilosofen. "Ellul, die het radicale en onherleidbare onderscheid tussen de taal en de techniek voortdurend thematiseert, gaat zelfs zover dat hij de mogelijkheid van een technologische cultuur en van een filosofisch denken over de moderne techniek ontkent." (p.10) In algemene zin stelt Achterhuis dat de klassieke wijsgerige benadering vooral de nadruk legt op 'disembedding' van technologie, waarbij de culturele inbedding van traditionele technieken verloren gaat. Hij erkent dat dit de mogelijkheidsvoorwaarde is voor moderne technologie, maar bekritiseert de miskenning van een nieuw proces van verstrengeling van technologie en samenleving dat tegelijkertijd plaatsvindt.

 

Over de waarde van de empirische wending die Achterhuis globaal als 'constructivistisch' omschrijft, zegt hij dat deze ontstaan is "uit onvrede over de gangbare wijsgerige benadering van techniek die weinig perspectief bood op zowel het begrijpen van nieuwe ontwikkelingen in de technologische cultuur als op de ontwerpfase van nieuwe technieken." (p.11)

 

Over de waarde van de klassiek techniekfilosofie voor de meer empirisch gerichte constructieve benadering zegt hij: "Als pioniers binnen de wijsbegeerte hebben de klassieke techniekfilosofen onderkend dat l'enjeu du siècle (de uitdaging van onze eeuw, Ellul) in de moderne techniek gezocht moet worden. In de confrontatie met deze uitdaging doen zij een aantal ontdekkingen en stellen zij een aantal vragen die voor een actuele, empirisch gerichte techniekfilosofie nog steeds maatgevend zijn. Hiertoe behoort het idee dat technologie geen toegepaste natuurwetenschap is, dat zij eerder een levensvorm behelst dan een instrument vormt en dat zij vooral als 'systeem' (Ellul) of 'megamachine' (Mumford) begrepen moet worden." (p.9)

 

Het verschil tussen de klassieke techniekfilosofie en de constructivistische benadering is niet alleen aanwezig in de wijze waarop naar cultuur gekeken wordt, maar ook in de wijze waarop naar natuur gekeken wordt. Juist hier kan Achterhuis op z'n scherpst zijn, gezien het bovenbesproken boek. Hierover resumerend zegt Achterhuis: "De klassieke techniekfilosofen gaan er als vanzelfsprekend vanuit dat de natuur in het op technologie berustende project van de moderniteit gedesacraliseerd is, gereduceerd tot uitwendige, op het nut van de mens toegesneden materie." (p.13) Daartegenover stelt hij dat de westerse mens "juist in de afgelopen eeuwen op velerlei manieren op mythische wijze aan het landschap gestalte heeft gegeven. De totaal verschillende moderne mythes rondom het bos in de Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk en Engeland staan hier tegenover de moderne opvatting." (p.13) Even verderop stelt hij echter dat veel natuurervaringen die door kritische milieu- en techniekfilosofen worden aangeroepen als tegenhanger van een reductionistische kijk, "paradoxalerwijze in de moderne technologische cultuur mee zijn geproduceerd. (...) De natuurmythe waarop hierbij een beroep wordt gedaan kan alleen worden begrepen als een onderdeel van de technologische cultuur zelf." (p.13)

 

Deze paradox kan mijns inziens juist worden opgevat als het krachtigste bewijs van het gelijk van de klassieke techniekfilosofen. Als Ellul stelt dat zelfs onze natuurervaring door het technische gedomineerd zal worden, geeft Achterhuis een versterkende detaillering: zelfs de mythen die we gebruiken om ons tegenover het technische te stellen, zijn afkomstig van een technische benadering van de werkelijkheid.

 

Hoewel Achterhuis veel verwijst naar Heidegger en Ellul, zegt hij op diverse plaatsen dat 'een volledige uiteenzetting van Heideggers techniekfilosofie' en 'een analyse van Elluls sluipende overgang van het substantiële naar het instrumentele in zijn uitgebreide oeuvre' eigenlijk wel nodig zijn, maar voor hem in het kader waarin hij op dat moment bezig is 'te ver zou voeren' of 'het bestek te buiten zou gaan'. In een volgend hoofdstuk wil ik iets van deze schuld proberen in te lossen.

 

Intermezzo Achterhuis

Het rustig getik van de schaakklok werd ineens onderbroken door een weifelende hand die boven de stukken ging zweven. Iedereen hield de adem in; welk stuk zou gepakt worden? De seconden werden uren en toen het getik weer was teruggekeerd was ook de hand weer bij de stukken vandaan. Er was niets verzet, nog niet. In het nu jaren durende spel hadden wit en zwart zich goed ingegraven. Wit was begonnen met een standaardopening waar zwart heel lang over nagedacht heeft. In die tijd heeft zwart een geweldig aanvalsplan bedacht en bijna zet na zet doorgevoerd. Wit was er confuus van. Alle stukken stonden nu kriskras door elkaar en het was niet eenvoudig om nog enige lijn in het spel te ontdekken. Gelukkig was onze schaker behulpzaam en analyseerde hij regelmatig de tussenstand. Oorspronkelijk was men begonnen met het fundamentele onderscheid tussen wit en zwart. Niet als abstracte tegenstelling, maar gewoon als verzameling stukken. In de hand van een goed schaker waren de witte stukken als sierlijke gebruiksvoorwerpen een lust voor het oog. De zwarte stukken daarentegen leken wel een eigen leven te leiden. Op een gegeven moment domineerde zwart het spel en kon wit alleen nog maar reageren op de zetten van zwart. Eigenlijk determineerde zwart dus alles, zijn eigen zetten volgden een logisch aanvalsplan en de zetten van wit waren voorspelbare reacties, gegeven de zetten van zwart. Aan de stem van de schaker kon je horen dat hij het spel niet meer leuk begon te vinden. Als één van beide partijen zo dominant is, mis je de spanning die het spel juist levend houdt. Om zichzelf toch moed in te praten concentreerde de schaker zich op de keuzevrijheid die wit toch nog had. Per slot van rekening waren alle stukken nog in het spel en ieder stuk had zijn eigen vorm en bewegingsvrijheid. De diversiteit van de witte stukken en de mogelijke zetten die daarmee gedaan konden worden en niet te vergeten de nog complexere stellingen die daarvan weer het gevolg waren moest men niet onderschatten. Want het zijn niet de witte stukken als zodanig, maar ook het gebruik van die stukken en wat nog veel belangrijker is: het zijn ook de contexten van de stukken, die bij elke zet overwogen moeten worden. En met die contexten is niet zomaar het schaakbord bedoeld, maar eerder alle onzichtbare relaties die elk stuk heeft met alle andere stukken, terwijl het schaakbord wordt opgevat als een naadloze aaneenschakeling van even belangrijke vlakken.

 

Toen de schaker nadacht over wat hij gezegd had om de complexe situatie uit te leggen, duizelde het hem ook. Wanhopig vroeg hij zich af hoe het toch zover had kunnen komen. Eeuwenlang hadden mensen toch dit schone spel gespeeld en waarom was het nu zo uit de hand gelopen? Kwam het doordat in de loop van de jaren de witte stukken waren vergeeld en door het vele virtuele gebruik zelfs zwart waren geworden, terwijl de zwarte stukken juist waren afgebladerd en bleek geworden? Hadden wit of zwart misschien ergens een foute zet gedaan? Nee, dat kon toch niet, want iedereen had er met zijn neus boven op gestaan. Waren de spelregels misschien veranderd? Mogelijk, maar daar waren zwart en wit niet van op de hoogte. Er bleef maar één mogelijkheid over: de introductie van Grietje, de schaakrobotica, met haar ongelofelijke rekencapaciteit, maar ook met haar nog steeds wat beverige robotarmen, had de stukken misschien niet helemaal goed verplaatst, waardoor het leek alsof het zwarte paard op B4 en de witte toren op H7 stond, maar in werkelijkheid stonden ze er net naast. Dat maakt het spelen niet eenvoudiger. De schaker had ondertussen voor de zoveelste keer een rondje om het schaakbord gemaakt om het geheel van alle kanten te bekijken en stelde voor om pauze te houden, niet vermoedend dat de ontknoping nog slechts enkele zetten op zich liet wachten.

 

Toen na de pauze iedereen z'n plaats weer in de zaal had ingenomen en de schaker zijn inmiddels welbekende inleiding had gehouden, liep hij terug naar zijn rolstoel, zette zijn VR helm weer op en begon weer rondjes te rijden. Op zijn bril werden alle zetten geprojecteerd die Grietje naliep en evalueerde, en dat ging zo snel dat hij eigenlijk alleen maar een flitsend scherm zag. De schaker wist ondertussen echter maar al te goed dat als het scrollen van al die duizenden zetten maar een fractie stilhield, je dan grote kans had dat de laatst geprojecteerde stap de volgende zet zou worden. Hij begon dan met zijn joystick de arm van Grietje alvast te bewegen in de richting van het stuk dat gepakt moest worden. Iedereen hield dan z'n adem in. De schaker glimlachte flauw. Men had hem ooit verweten dat hij iedereen voor de gek hield. Dat Grietje gewoon met zichzelf aan het spelen was en dat hij, de schaker, met het publiek speelde. Natuurlijk was dat niet zo. Wit was wit en zwart was zwart. Dat had hij zo laten programmeren. Hij deed alleen maar waar Grietje fysiek nog niet goed toe in staat was en het was juist zijn verdienste dat hij de stukken niet gewoon met zijn eigen hand verplaatste, maar dat hij het vrouwelijke weer terug in de cultuur wilde brengen. Men had hem ook wel eens verweten dat niet de robot, maar dat hij, de schaker, gewoon tegen zichzelf aan het spelen was. Hij was het immers die de robot geprogrammeerd had, zowel de zwarte als de witte kant. Om dat (moeilijker te weerleggen) verwijt toch tegen te kunnen spreken was hij in de huid van de robot gekropen om het verschil te kunnen achterhalen. Deze cyborg-achtige beweging had echter niet lang indruk gemaakt, vandaar dat hij hier nu weer zat, te piekeren wat hij straks weer als tussenstand zou verzinnen.

 

Lang hoefde hij daar niet over na te denken want het flitsen van zetten stagneerde en vanuit z'n ruggenmerg stuurde hij de arm over de stukken. Op dat moment verscheen echter een volgende zet op het scherm. Dat was niet eerlijk. Snel moest hij de pak-hand bewegen in de richting van het andere stuk, maar toen verscheen er weer een andere zet en toen weer één... Voordat de schaker doorhad dat het scrollen gewoon iets langzamer ging dan hij gewend was, had hij de arm al naar zoveel stukken uitgestrekt, dat het wagentje alle kanten op wiebelde. Nog net had hij kunnen voorkomen dat er een aantal stukken waren omgevallen, want dat zou het einde van het spel betekend hebben, omdat de input van Grietje daardoor onder de betrouwbaarheidsdrempel zou zijn geschoten. Hij had echter niet kunnen voorkomen dat de zet waar Grietje uiteindelijk op uit was gekomen, niet helemaal netjes op het bord was terechtgekomen. De beide witte lopers stonden nu in een witte lokale context en dat kon natuurlijk niet. Het publiek was als één man razend opgestaan om te protesteren, maar wat de schaker ook vertelde men luisterde alleen naar zichzelf. Schreeuwend gaf hij aan dat er niets aan de hand was, dat het alleen maar leek alsof er een ongeldige zet was gedaan, maar dat er in het inwendige van het apparaat gewoon een geldige zet was ontstaan, maar niets hielp. Mensen van de eerste rang liepen al dreigend op hen af en de schaker bedacht zich geen moment. Moedig draaide hij zijn VR wagen richting het publiek en trok aan zijn joystick om met beide armen de eerste de beste te lijf te gaan. Toen greep Grietje in. Er was een kunstmatige intelligentieregel geactiveerd die aangaf dat 'een beweging met beide armen tegelijkertijd' in een 'ongeldige zet' zou resulteren. In plaats van een error-melding op het scherm, moest zij dit in zo'n geval gewoon hardop melden en dat deed ze dan ook. ‘Ongeldige zet’, zei ze met haar harde maar duidelijke stem. Verbaasd over zoveel wijsheid werd het publiek even van zijn stuk gebracht, blij als ze was dat ze toch gelijk gekregen had, maar het volgende moment drong tot hen door dat er nu een andere reden was om de zaal te verlaten: vals spel. Binnen no time was de zaal leeg, het spel onbeslist, maar nog lang niet uitgespeeld. De schaker bleef ontgoocheld achter: hij was een ervaring rijker, maar een illusie armer. Samen met Grietje leefde hij nog lang en gelukkig.

 

 

 


4. Argumentatie van de klassieke filosofie van de techniek

 

 

Bij de inventarisatie van de argumentatie van de constructivisten in hoofdstuk 2 is geconstateerd dat Bijker het determinisme van de techniek wil weerleggen omdat hij bang is dat er anders niemand meer gemotiveerd kan worden om techniek te ontwikkelen en te sturen. Bijker richt de pijlen op de veronderstelde lineaire ontwikkeling van technische artefacten en op de ogenschijnlijk logische verklaring dat een succesvol product haar succes te danken heeft aan technische superioriteit ten opzichte van andere ontwerpen. Latour wil het determinisme weerleggen omdat het in zijn werkelijkheid niet bestaat. Het determinisme is een verabsolutering die alleen in de gedachten van mensen voorkomt, maar niet in de werkelijkheid. Latour richt zijn pijlen op het vaststellen van standen van zaken, op het sluiten van black-boxen en op het geïsoleerd spreken over techniek, samenleving, natuur enzovoort. Er is alleen een netwerk-achtige verwevenheid van allerlei menselijke en niet-menselijke actoren. Een succesvol product zit als het ware barstensvol verwevenheden en heeft dus geen technische essentie in de zin van intrinsieke waarde. Om het construeren veilig te stellen moeten de constructivisten elke vorm van technische determinatie in het constructieproces uitsluiten of ontkrachten. Op het niveau van de constructie wordt het technische dus aangevallen: 1) het determineert de ontwikkeling niet, 2) het domineert de constructie niet, en 3) het bestaat niet zelfstandig. 

 

Bij de inventarisatie van het huidige debat tussen constructivistische ideeën en opvattingen uit de klassieke techniekfilosofie is in hoofdstuk 3 geconstateerd dat Feenberg met de constructivisten kritiek heeft op het eenduidig typeren van de enorme diversiteit in de techniek. Feenberg valt de constructivisten ook bij waar het gaat om het creëren van een opening om techniek publiek te kunnen sturen. In de aandacht voor de constructiefase wordt niet alleen een black-box geopend, maar wordt de menselijke bijdrage in de techniekontwikkeling mogelijk. Tegelijkertijd geeft Feenberg op indirecte wijze aan dat de benadering van de constructivisten als alternatieve filosofie te kort schiet. Naast de empirie is de logos (en eros) van belang om de diversiteit te ordenen. Zo streeft Feenberg naar het inzichtelijk maken van de diverse rationaliteitsbeginselen in de verschillende technische disciplines, die wel degelijk te onderscheiden zijn. Ook het onderzoek naar de aard en de neutraliteit van de techniek is voor Feenberg legitiem. Zijn probleem is nu juist hoe de neutraliteit en de ingebouwde (politieke) normativiteit samen kunnen gaan. Op dit punt heeft hij kritiek op Heidegger: volgens Feenberg is het niet de techniek die domineert, maar de heersende politieke machtsstructuur die bepalend is voor het ontwerp en die bevestigd wordt door het technische artefact. Achterhuis valt de constructivisten bij in hun afwijzing van de technische one-best-way en in hun deconstructie van techniek en maatschappij als los van elkaar bestaande entiteiten. Met Ellul gaat Achterhuis echter wel een stap verder dan de constructivisten door te stellen dat juist die vervlechting van techniek en maatschappij tot een versterking kan leiden van de technische dominantie in de maatschappij. Het probleem dat Achterhuis heeft met het technisch determinisme is dat het een fatalisme versterkt waarachter de mens zich kan verschuilen, terwijl Achterhuis juist een uitweg ziet als de mens zijn verantwoordelijkheid wel durft te nemen (in tegenstelling tot de maker van Frankenstein) voor datgene wat hij in gang gezet heeft. Onze angst voor techniek kan alleen overwonnen worden als we de confrontatie aangaan, zo interpreteert Achterhuis de orakelspreuk van Heidegger. Hoewel Achterhuis dit zo concreet mogelijk wil doen, neemt hij ook de opvatting van techniek als boven-individuele macht serieus: Achterhuis zoekt naar een verklaring voor deze opvatting aan de hand van het onderscheid tussen maken en handelen. Als kritiek op Heidegger stelt Achterhuis dat men niet moet pogen de techniek weer ondergeschikt te maken aan het talige (de filosofie bijvoorbeeld) maar dat het technische een eigenheid bezit waardoor de mens (in het gebruik van techniek) zichzelf kan ontwikkelen.

 

Wanneer ik in dit hoofdstuk twee typerende en in ons debat de meest bekritiseerde klassieke techniekfilosofen aan het woord laat, zal ik vooral vragen naar de technische determinatie. Hoe heeft men dat bedoeld en hoe verhoudt deze determinatie zich met het constructieproces? Verder zal gevraagd worden naar de mogelijkheden van de menselijke inbreng in het technisch gebeuren: is er sturing van de techniek mogelijk? In welke vorm en in welke mate kan de verantwoordelijkheid van de mens gestalte krijgen en met welk doel kan die aangewend worden? Ook zal ik nauwkeurig nagaan hoe men vanuit de concrete technische artefacten naar de abstractere typering van techniek komt. Wat is de betekenis van een wezenlijke karakterisering van techniek voor het dagelijks beoefenen van techniek? 

 

Ellul

In 1954 verscheen in Parijs het boek 'La technique ou l'enjeu du siècle' (de techniek of de inzet van de eeuw) van de hand van de jurist, historicus en socioloog Ellul. In 1964 kwam de welbekende engelse vertaling op de markt: 'The Technological Society'.26 Het volgende belangrijke werk rondom dit thema was 'Le Système technicien' uit 1977 en vertaald in 1980: 'The Technological System'.27 De drieluik wordt in 1990 afgesloten met 'Le bluff technologique' dat in hetzelfde jaar ook in het engels verschijnt 'The Technological Bluff'.29 In 1981 verschijnt 'Perspectives on our age', waarin Ellul spreekt over zijn leven en werk.28 Uit dit boek volg ik de hoofdlijnen van zijn argumentatie.

 

Aan de hand van enkele biografische noties maakt Ellul duidelijk dat zijn kritiek op de technologische maatschappij voortkomt uit een actieve participatie in maatschappelijke kwesties. Toen zijn vader vanwege de crash in 1929 werkeloos werd en hij met al zijn vaardigheden en talenten bij geen enkel bedrijf aan de slag kon, was het Marx die Ellul jr. antwoorden gaf. Ellul zocht aansluiting bij socialistische en communistische groeperingen, maar ontdekte dat die een theoretische en totalitaire interpretatie van Marx gaven. Franco's optreden in de Spaanse Burgeroorlog en het doden van Franse verzetslieden in de 2e wereldoorlog door communisten omdat de verzetslieden geen communisten waren, brachten Ellul onder andere tot een breuk met het communisme. Hij bleef Marx echter trouw, en heel zijn leven heeft hij gezocht naar een verwerkelijking van 'de revolutionaire functie die mensen hebben ten opzichte van de voor hen actuele concrete historische maatschappij.' Voor Ellul werd het christendom vooral een spirituele inspiratiebron. Als lid van een zogenaamde 'persoonlijkheids-beweging' was hij tegen individualiteit (gebaseerd op het 19e eeuwse bourgeoisie) en tegen collectiviteit. Een mens is een persoon, zowel economisch als spiritueel. De maatschappij moet daarom gestructureerd worden rondom deze persoonlijkheidsontwikkeling enerzijds en rondom een gemeenschap als groep waartoe een zich ontwikkelend persoon kan behoren anderzijds. In 'The Political Illusion' heeft Ellul de politieke onmacht tegenover gouvernementele bureaucratie beschreven op basis van zijn ervaringen met de na-oorlogse politiek. Het is Elluls overtuiging dat de maatschappij niet veranderd kan worden door politiek actie. Om het milieu te beschermen richtte hij in 1968 verschillende groepen op. Hij sloeg daarbij drie vliegen in één klap: het was een aanval op de technologie, de bureaucratie en het kapitalisme. Met technologie bedoelt Ellul hier niet de techniek als zodanig, maar de autoritaire macht van de technocraten die 'technologie' gebruiken als rechtvaardiging van overbodig werk en als argument om hun eigen projecten geaccepteerd te krijgen. Ook de enorme hoeveelheid technologische errors en onjuiste toepassingen die nergens toe dienden en waar geen controle over mogelijk was wilde Ellul aan de kaak stellen. Terugkijkend op die periode zegt Ellul: "Het lijkt er misschien op dat ik aan de ene kant op een algemene, allesomvattende theoretische wijze denk en dat aan de andere kant al mijn inspanningen op kleine schaal en lokale situaties gericht zijn. (..) Ik zou willen zeggen dat dit zeker waar is. Ik geloof niet in acties op land- of wereldschaal. Mijn motto is altijd 'Think globally, act locally'." (p.26) Toch geeft Ellul later toe dat hij nooit geweigerd heeft om in regeringscommissies zitting te nemen als men hem daarvoor vroeg, maar hij realiseerde zich altijd dat de resultaten niet groot zouden zijn. "Dit wordt bewezen door de Commissie over Geweld: we maakten uitstekende rapporten, maar ze hadden geen enkel effect." (p.29)

 

Ellul kwam tot de ontdekking dat technologie het beslissende is in de verklaring van onze eeuw; het kan eenzelfde verklarende rol vervullen als het kapitaal bij Marx. De verandering van de wereld was complexer dan Marx had voorzien; tot Elluls stomme verbazing waren er overeenkomsten in kapitalisme en communisme: het koste wat het kost vergroten van industrie ten behoeve van de ontwikkeling van technische objecten. Een Sovjet fabriek en een Amerikaanse fabriek zijn hetzelfde en evenzo een Russische auto en een Amerikaanse auto. Wanneer Ellul over 'techniek' spreekt maakt hij altijd een duidelijk onderscheid tussen techniek (automobiel en motor als fenomeen) en technologie (in de 'Technological Bluff' omschreven als 'het discours over techniek, waardoor we alles gaan geloven wat gezegd wordt en waardoor we zelfs onze houding ten opzichte van techniek laten veranderen: de bluf van de politici, media en economische modellen' p.xvi).29 Verder vat Ellul techniek veel wijder op dan gebruikelijk. Reeds in de inleiding van zijn eerste boek over de ‘Technological Society’ is techniek (het franse ‘technique’) niet alleen het werk van ingenieurs, maar 'het geheel van methodes waartoe men rationeel komt en die absolute efficiëntie hebben (voor een gegeven ontwikkelingsfase) in elk veld van de menselijke activiteit'.26 Zo vallen monetaire systemen, reclamecampagnes en atletiekoefeningen onder het begrip techniek. In de vertalingen van Ellul wordt echter het begrip techniek of technologie gebruikt voor de moderne techniek, zo ook hieronder. Voor Marx was het de arbeid die waarde creëert, terwijl Ellul de techniek aanwijst als waardescheppend. In deze betekenis is techniek het determinerende element in de maatschappij en ook het determinerende in het waarde creërende. De typisch technologische maatschappij begon volgens Ellul in 1945. De wereld na die tijd moet opnieuw gelezen worden in termen van technologie.

 

Verschillende sociologen hebben de technologische maatschappij bestudeerd, maar steeds fragmentarisch. Men kan echter niet de alle moderne sociale fenomenen bestuderen op basis van de technostructuur van alleen een televisie. Er is namelijk een algemene benadering, die onderzoek en industrie, moderne staat en televisie omvat. Deze allesomvattende kijk, dit framework, is dat van technologie. Als men stelt dat er slechts een gradueel verschil is tussen een pijl en boog en de atoombom, zegt Ellul met Marx dat een kwantitatief verschil kan overgaan in een kwalitatief verschil. Alle culturen hebben hun praktijken: vissen, bouwen en verzamelen. In het westen is er echter een nieuw fenomeen sinds de 18e eeuw en uitgewerkt in de 19e en 20e eeuw: het technologische fenomeen. Ellul geeft in ‘Perspectives’ drie verschillen tussen de normale praktijken en de moderne technologie. 1) het rationele participeert sinds de 18e eeuw: technieken worden vergeleken en toepassing gerationaliseerd. Het perspectief veranderde: het object is niet langer meer een praktijk of een operatie met religieuze of traditionele doeleinden, maar efficiëntie. Niet alleen de hoeveelheid techniek veranderde, maar ook de functies. 2) De technologie heeft het materiële overstegen. Het is een grove miskenning als de essentie van technologie wordt opgevat als machine. Waar vroeger de techniek alleen ter vervanging of uitbreiding van menselijke spierkracht werd ingezet, omvat het nu al onze activiteiten. Sport is volledig geprogrammeerd, er is geen eigen stijl meer. 3) De relatie technologie en wetenschap is veranderd: het toepassingsidee is te simpel. Wetenschap kan alleen maar vooruitgang boeken dankzij technologie en andersom: er is een wederkerige en niet-lineaire relatie. "Technologische innovatie is niet zomaar een toepassing van een nieuw wetenschappelijk inzicht, maar heeft een intrinsieke oorzaak in de ontwikkeling van de techniek zelf. Integratie van domeinen hoeft niet perse wetenschappelijk te gebeuren, maar kan ook technologisch." (p.39)

 

Het belang van Industriële Revolutie wordt vaak overschat: niet de nieuwe techniek, maar de technologische mentaliteit die tegelijk met rationaliteit en efficiëntie in allerlei domeinen opkwam was de echte revolutie. Niet langer is de vraag hoe men van werktuig tot machine kwam, maar waarom bepaalde processen die tevoren wellicht bekend waren ineens toegepast werden. Volgens Ellul zijn er vijf nieuwe condities in de 18e eeuw die de ontwikkeling van het technologisch fenomeen mogelijk maakte: 1) de populatie was enorm gegroeid waardoor er werkvolk beschikbaar kwam en er meer georganiseerd moest worden; 2) oude sociale structuren in Engeland, Frankrijk en Duitsland werden vernietigd; 3) er waren nieuwe uitvindingen met technologische intentie om eenzelfde systeem toe te passen in alle domeinen; 4) er was een onderliggend geboorteproces van technologie dat al 250 jaar duurde en 5) er ontstond een accumulatie van kapitaal dat voor nieuwe industriële middelen kon worden aangewend. Dit leidde tot nieuwe maatschappij, waarin technologie een sleutelfactor werd. Moderne techniek is dus meer dan alleen maar een praktijk, het veronderstelt waarden, intellectueel en spiritueel die consistent zijn met de eisen van technologie (rationaliteit en efficiëntie). Wat de technologie eerst mogelijk had gemaakt, werd vervolgens een eis voor haar verdere ontwikkeling. "Technologie vereist, om te groeien, dat menselijke waarden in exacte overeenstemming zijn met de technologische ontwikkeling en dat sociale structuren zich ontwikkelen in puur technologische termen. Dit illustreert dat niets in de maatschappij hetzelfde blijft op het moment dat techniek begint door te dringen." (p.42)

 

Als voorbeeld wijst Ellul op het argument dat 'technologie het werk economiseert'. Dit is volgens hem inderdaad een juiste constatering, maar het is gebaseerd op een veranderende menselijke waarde, namelijk de overtuiging dat 'we altijd moeten werken' en dat is in geen oudere cultuur het geval. Waar men in de Middeleeuwen het werk zag als een vloek, is dat nu ten positieve omgeslagen: iedereen moet kunnen werken met als paradoxale utopische verwachting dat de techniek ons ooit zal verlossen van al het werk! Een ander voorbeeld is het ontstaan van de waarde 'geluk'. Natuurlijk was dat in allerlei culturen al een waarde, maar het nieuwe element was dat geluk nu gebaseerd werd op bepaalde materiële voorwaarden die binnen het concrete bereik van de mensen was komen te liggen. De 18e en 19e  eeuw verwierpen het idee van een spiritueel of intellectueel geluk om een materieel geluk te kunnen hebben dat bestond uit een aantal gebruiksgoederen. De technologie veronderstelt niet alleen dat waarden zich aanpassen, technologie vereist ook een sociale structuur die de verdere ontwikkeling van technologie mogelijk maakt. Wanneer technologie in een omgeving wordt geplaatst die er niet geschikt voor is, zal die omgeving van streek raken. Dat is precies wat er met de derde wereld technologie gebeurde. Ook tijdens de industrialisatie verlieten de werkers van die industrie hun families en gingen naar de stad. Ze kregen daar andersoortig en vaak geheel onbekend werk en vielen uit de sociale controle van hun milieu. Om de groepsmoraal binnen de sociale controle te compenseren, was men aangewezen op een individuele moraal, maar die had men niet. Een lang en moeizaam proces van aanpassing volgde, want de technologie wacht niet.

 

De techniek bepaalt ook mede de regerende klasse. Waren het bij Marx de kapitaalbezitters, nu lijken alle sociologen het er over eens te zijn dat niet degenen die wat hebben, maar degenen die wat weten de dienst uitmaken. "De technische experts met praktische know-how en technische kennis van zaken zijn heer en meester in de moderne maatschappij: zij bezitten een geheim. Technische expertise is altijd een mysterie voor niet-technici." (p.45) Toch is dit niet de technocratie waar Ellul het over heeft, want technici zijn niet de machthouders, al is er een tendens waarneembaar naar een aristocratie van experts. Ellul wijst in dit verband op een merkwaardig onderscheid tussen vakbekwame technici en theoretisch geschoolde technici: de laatste kunnen in de kringen terechtkomen waar de macht en de controle daarvan geconcentreerd wordt, want de huidige technologische maatschappij vereist wetenschappelijke scholing om de technologie verder te kunnen laten ontwikkelen. Politici hebben steeds minder macht (anders dan de fenomenen die Weber bestudeerde, want daar bleef de macht van de staat in handen van politici). We hebben niets meer aan mannen als Bismarck, want politici zijn volledig afhankelijk van technici geworden.

 

Technologie is voor Ellul zowel 1) een sleutelfenomeen als 2) een gezichtspunt. Als dominant fenomeen is het realiteit, het bestaat echt. Als viewpoint is het een wetenschappelijk instrument: men moet een technische bril op zetten om te begrijpen en te verklaren wat er gebeurt. Alle fenomenen imiteren technologie (het administratieve systeem moet bijvoorbeeld herordend worden om de computer te imiteren c.q. optimaal te laten functioneren) of ze zijn een compensatie voor de impact van technologie (hoewel mensen zich meer en meer aanpassen is het bijvoorbeeld nog steeds onmogelijk om in een technologische universum te leven: de astronaut moet beschermd worden in de 'technologische' ruimte). Men zoekt compensatie want door technologie wordt 1) het subject onderdrukt en 2) de betekenis onderdrukt. De onderdrukking van het subject komt doordat technologie objectiveert: een auto vraagt om op een bepaalde manier bediend te worden en daarin maakt het niet uit wat voor persoon je bent. Ook tijdens het bellen en andere verre-afstand-relaties is er geen subject meer zoals bij een fysieke ontmoeting, hoewel we ons wel subject blijven voelen. De onderdrukking van de betekenis komt doordat technologie gericht is op een extreme ontwikkeling van middelen, waardoor de doeleinden verdwijnen en daarmee de doelen waarvoor we leven, enzovoort. Ook de wet verliest, volgens Ellul, haar kracht, haar geldigheid en betekenis. Het wordt een technisch device voor administratie en organisatie, niet gerechtigheid brengend, maar een instrument in de handen van administrateurs. Wetten worden achteraf gemaakt. In de nieuwe roman is er geen plot en een schilderij of een muziekstuk worden door een computer gemaakt, niet door te luisteren, maar door wiskundige berekening. Ook taal hoeft geen mening meer te hebben, ze wordt louter als structuur opgevat. Compensatie is er in erotiek en religie als een escape uit het technologisch milieu.

 

Technologie als een nieuw leefmilieu is door Ellul geanalyseerd in de vorm van een stad: een geheel kunstmatige wereld. Milieu is de plaats waar een persoon in leeft, maar ook een middel om te (over)leven. Tegelijkertijd is het milieu iets waardoor je in gevaar gebracht wordt. Er is een natuurlijk milieu (prehistorisch), een maatschappelijk of sociaal milieu (5000vC-1945) en een technologisch milieu (1945-). Niet alleen is natuur vervangen door technologie, ook maatschappelijke relaties worden geschapen en gemedieerd door technologie. De voorgaande milieus worden niet vernietigd, er is geen onderdrukking van het natuurlijke en het sociale, maar deze worden bemiddeld. De technologie is bovendien een 'systeem' geworden (Ellul verwijst hierbij naar Von Bertalanffy): een samenspel van onderling geïntegreerde elementen die gesitueerd zijn in termen van elkaar en op elkaar reageren. Elk element wordt begrepen in termen van het geheel, het systeem en elke verandering in het geheel heeft consequenties voor alle elementen.

 

Technologie als systeem betekent: (p.47)

1.      Het is echt een systeem geworden: een actueel systeem van onderlinge technologieën.

2.      Het is een filosofisch en sociologisch concept om te interpreteren wat er aan de hand is: een epistemologisch instrument om technologie beter te begrijpen.

3.      Technologie als systeem heeft enorme consequenties:

a.       Het gehoorzaamt zijn eigen wetten: autonoom, een gesloten geheel: een marginale mogelijkheid om (economisch of politiek) te interveniëren; het is autonoom ten opzichte van moraal en politiek enzovoort.

b.      Het is betrokken in een proces van intrinsieke zelfovertuiging: het vermeerdert zichzelf met eigen redenen. Mensen die interveniëren zijn geen meester, maar instrument van technologie. Dit is een moeilijkheid: een autonome groei die alleen mogelijk is bij de gratie van menselijk handelen (het is dus niet autonoom in de zin van 'zonder menselijk handelen'). De handelende mensen zijn echter steeds technocraten; vrije denkers en criticasters hebben het niet voor het zeggen. Er is geen (negatieve) feedback, alleen met nieuwe technologie wordt een bug gerepareerd: een positieve feedback en geen zelf-regulering: technologie als systeem kan zichzelf dus niet controleren of in de hand houden.

c.       Technologie als zodanig is niet meer te begrijpen, het bestaat alleen in termen van een geheel, al denken we van niet. We denken dat we de baas zijn over de tv (uitzetten) of de auto (al of niet aanschaffen of gebruiken). De sociale groep verplicht je echter moreel om te kijken en de wereld (van anderen) wordt wel grotendeels door tv bepaald (algemene aankondigingen en wetswijzigingen).

d.      De impact van technologie is niet te voorspellen: òf Huxley's Brave New World òf Club van Rome's rampen. Beide zijn echter vals en onmogelijk, sterker nog: de positieve en negatieve effecten zijn niet te scheiden. Overigens was het Huxley zelf die op het eerste congres over Elluls ideeën, in 1962, opmerkte: 'hij maakt precies het punt dat ik in Brave New World probeerde te maken.'

 

De term 'technologische maatschappij' betekent niet dat alles technologisch is, maar dat technologie dominant is, de determinerende factor naast economische, politieke en irrationele factoren. Het technische systeem is gelokaliseerd in de technologische maatschappij als een soort kanker: het volgt zijn eigen wetten. Er zijn echter altijd gebieden die niet onder de technologie vallen: in een toenemende chaos zien we een technologische orde. Als technologie toeneemt, neemt ook de chaos en crisis toe en daarmee het fundamentele gevaar. Oplossing is niet eenvoudig: historisch is dit zo gegroeid en dat verander je niet zomaar. Technologie is een uitdaging (Ellul verwijst hierbij naar Toynbee) om te overwinnen (zoals de natuur en het sociale overwonnen worden). De politiek is volgens Ellul onmachtig om technologie te sturen. Hun instituties zijn uitgevonden in vorige eeuwen die niet kunnen omgaan met de fenomenen van deze tijd. Eigenlijk zou er een totalitaire technologische overheid moeten zijn, maar die willen we niet. Politici zouden lange termijn beleid moeten maken en idealistisch moeten zijn maar dat kunnen ze niet: ze kunnen niet anders dan achteraf reageren op omstandigheden.

 

Op het niveau van verschijnende fenomenen zijn er allerhande veranderingen. De Sovjet invloed in Afrika wordt vervangen door een Chinese invloed. Op het niveau van de onderliggende structuur is er echter grote overeenstemming. Sociologisch zijn er drie niveaus: 1) politiek niveau van gebeurtenissen en omstandigheden die veranderen, 2) economische fenomenen die lange termijn effecten kennen en 3) stabiele structuren, die nu door technologie gegeven worden. Dat betekent niet dat technologie onveranderlijk is: er zijn bijvoorbeeld economische barrières voor de (autonome) technologische ontwikkeling. Hoe meer we gefocust hebben op de veranderlijkheden, hoe meer we de structuur intact houden!

 

Is er dan geen hoop? Zeker wel; steeds weer heeft de mensheid bewezen dat er fundamentele veranderingen mogelijk zijn. Onder Hitler of Stalin zag men geen uitweg, toch kwamen er veranderingen. Groepen en tegenbewegingen zijn belangrijk, niet vanwege hun argumenten, die kunnen net zo fout zijn als van politici, maar vanwege hun houding dat er op maatschappelijk niveau wat veranderd moet worden, bijvoorbeeld via spontane referendums, of door een volwassen feminisme. Ook zou technologie gedesacraliseerd kunnen worden. Technologie is nu zowel heilig (omdat mensen ervan afhankelijk zijn worden) als heiligschennend (omdat techniek voor niets en niemand eerbied heeft en mensen het toch moeten gebruiken). Maar er lijkt ook een wet te zijn die zegt dat 'datgene wat een gegeven werkelijkheid desacraliseert, zelf een nieuwe sacrale werkelijkheid wordt.' Daarbij wordt door anderen verwezen naar de lijn natuur - christendom – Bijbel (tijdens de Reformatie) – wetenschap en rationaliteit.

Ellul maakt een onderscheid tussen groei en ontwikkeling. Groei is kwantitatief: meer van hetzelfde, ontwikkeling is kwalitatief: gebalanceerd en minst schadelijke 'small is beautiful'. Technologie streeft naar groei, niet naar ontwikkeling. Hoog 'ontwikkelde' technologie die bovendien efficiënt is, is niet altijd beter. Dure en snelle labtests leveren bijvoorbeeld niet altijd een zekerder diagnose dan de eenvoudige tests. Soms zijn ze zelfs pijnlijker of gevaarlijker. Toch is het technisch milieu een realiteit waar je je niet van kan distantiëren. Je kan tegenwoordig niet in het bos gaan leven en ook niet technologie afzweren zoals Komeini. Men moet ook de groei niet willen stopzetten en het niveau van een vorige eeuw willen stabiliseren: onze kinderen zouden misfits worden voor wie het leven onmogelijk wordt, vatbaar voor de macht van de technologie. Beter is te gaan beseffen dat technologie een gevaar is en kritisch te gaan letten op de niet-technische en niet-instrumentele aspecten van techniek. In 'The Technological Bluff' geeft Ellul bij het voorbeeld van de introductie van telematica aan: let op de reorganisatie van de maatschappelijke processen waarvoor ze bedoeld zijn, let op de politieke vraag naar wie de macht toegaat door de informatiestroom verandering, let op de economische gevolgen ten aanzien werkgelegenheid en materialen. Let op de sociologische vraag: 'wie gaan ervan profiteren ten koste van wie?', op de psychologische: 'wat is de gedragsverandering?' en op de culturele: 'welke verschillen zullen er komen?' (p.339)29 Leven in technologie (genoeg weten van technologie om te leven) en tegelijk tegen technologie (kritische bewustwording) is dialectisch mogelijk, maar rationeel niet op te lossen.

 

Resumerend benadrukt Ellul dat alles wat hij bediscussieerd heeft in relatie tot technologie niet primair theoretisch is. In wezen zijn het observaties van wat hij ziet als het substratum, of in Marxistische woorden: de onderbouw (of infrastructuur) van onze maatschappij. Op basis van deze waarnemingen heeft hij een overkoepelende interpretatie gegeven door middel van een theorie die in geen geval een gesloten systeem is. In ‘Perspectives’ geeft hij drie voorbeelden waaruit deze openheid blijkt: 1) tot 1968 was hij meer pessimistisch over sturingsmogelijkheden, maar toen werden nieuwe wegen geopend; 2) er bleek toch verschil te zijn in Sovjet religie en Europese religie: naast technologie zijn er soms ook andere psychologische condities; 3) de verspreiding van computers heeft de wereld veranderd, niet als apart technisch fenomeen, maar door massale verspreiding. Ter afsluiting stelt Ellul nog eens dat zijn theorie niet metafysisch is, maar uitsluitend gebaseerd op realiteiten van de huidige wereld.

 

Aanscherping van de argumentatie

Het gaat Ellul niet om technische producten als zodanig in de eerste plaats, maar juist om de vervlechting met de maatschappij. Juist de wederzijdse fit is noodzakelijk. Opmerkelijk is dat hij het begin van het technologische fenomeen beschrijft aan de hand van maatschappelijke voorwaarden. Pas na de grootschalige sociale impact ontstond een soort zelfversterkende cyclus waarbij waarden veranderden (in die zin stelt techniek haar eigen waarden en is autonoom) en voorwaarden voor technologische ontwikkeling gecreëerd moesten worden. Als voorbeeld van een veranderende waarde wijst Ellul op de mechanisatie van het broodbakken. Verschillende inrichtingen van de bakruimte waren al tevergeefs geprobeerd tot men het innerlijk van het brood ging veranderen. Daarmee werden de hygiënische eisen gehaald, alleen de smaak van het brood was wel veranderd en na verloop van tijd ook de smaak van de mensen. De intrinsieke kwaliteit van het middel, inclusief de onbedoelde effecten en het type handelen dat vereist wordt, noemt Ellul een 'sociaal feit' waar de mensen niet omheen kunnen.

 

De technologische maatschappij ontstond in 1945 toen men met de wederopbouw begon en de technologische vereisten ingebouwd werden in de maatschappelijke orde. Door de onderlinge samenhang van technische producten en methoden is een technologisch systeem ontstaan in de maatschappij. Dat technologisch systeem werd dominant, omdat het zowel waarden als voorwaarden veranderde. Vanwege de dominantie van het technologische systeem (dus naast allerlei andere invloeden en factoren), spreekt Ellul van een technologische maatschappij. De verstrengeling met de staat maakt dat de techniek niet meer neutraal is, maar een machtsbolwerk is geworden. Dit is het verraad van de techniek: de techniek wordt ontrouw aan haar oorspronkelijke karakter van gereedschap ten dienste van de mensen en wordt 'macht'. "Door de mens boven het hoofd te groeien heeft de techniek de mens verraden." (p.274)63

 

Het gaat Ellul niet om abstracte metafysische krachten, maar juist om de mensen die in al de processen die hij beschrijft een rol spelen. Het zijn nog steeds mensen die aan de touwtjes trekken, maar wel geleid door en geheel afhankelijk van andere mensen, en dat zijn in onze tijd de experts. De massamens heeft weliswaar het idee dat hij subject is en eigen meningen en vrijheden heeft, maar deze worden goed beschouwd door techniek veranderd zonder dat men het merkt. Door zijn vele uitgewerkte voorbeelden van reclamecampagnes, wordt van zijn werk ook wel gezegd dat het een 'fenomenologie van de technische staat van de menselijke geest' is. Hierdoor is de mens ongemerkt in een technische houding beland waarmee hij alle (sociale) problemen op een (voorspelbare) efficiënte wijze oplost en de techniek (met haar onvoorspelbare implicaties) verder versterkt.

 

Wat betreft het one-best-way argument: wanneer Ellul daarmee zou bedoelen dat er in het ontwerpen van machines of sociale instellingen geen ruimte zou zijn voor een diversiteit aan technische afwegingen zoals snelheid en betrouwbaarheid, en voor een diversiteit aan andere factoren zoals sociale, ethische en psychologische, dan zou hij ernstig tekort doen aan de keuzemogelijkheden in de ontwerpfase. Wanneer hij echter bedoeld dat men in de huidige maatschappij er eigenlijk niet aan ontkomt om een auto te hebben, en dat een manager eigenlijk geen keus heeft als hij de winst van een grote onderneming moet verdubbelen, dan wordt duidelijk waar hij op doelt. Natuurlijk is er een individuele keuze op een bepaald moment in een bepaalde situatie, maar we zijn zo technisch gaan denken, dat we toch al snel even de auto pakken en (uiteindelijk) toch maar besluiten om het aantal werknemers te verminderen. Bottom line blijft de norm van de efficiëntie. Men zou zelfs kunnen stellen dat die enkele keer dat je toch 25 km per fiets aflegt er inderdaad sprake is van een persoonlijke vrijheid, maar voor de massa heeft Ellul dan (statistisch) nog steeds gelijk wanneer hij beweert dat de technische norm van de efficiëntie dominant is. Het enige punt van kritiek op het argument is meer filosofisch van aard: hoe interpreteert men efficiëntie? De eenvoudige formele definitie is: minimalisering van middelen om een gesteld doel te bereiken. Echter, het minimaliseren veronderstelt wel dat men eerst waarde toe moet kennen aan de diversiteit van de factoren. Zo kan een sportfietser het efficiënt vinden om toch de fiets naar zijn werk te nemen, omdat hij dan z'n dagelijkse training meteen heeft gehad.

 

Wat betreft de zelfversterking van de techniek valt op dat de neutraliteit en de daaraan te verbinden effectiviteit (met de gegeven middelen zoveel mogelijk resultaat behalen) niet door Ellul gethematiseerd wordt. Wel stelt hij dat de technische ontwikkeling niet lineair verloopt. Hij lijkt daar te denken aan twee zaken: enerzijds verloopt de technische ontwikkeling exponentieel (op product niveau zichtbaar in bijvoorbeeld de processorsnelheid van de computer) en anderzijds zijn de gevolgen van een technische oplossing onvoorspelbaar en dus ook de oplossingen die daar weer voor gevonden moeten worden. Overigens stelt hij met nadruk dat de zelfversterking niet buiten de mens om gaat, alleen dit menselijk handelen is niet het resultaat van een bewuste, authentieke keuze en daarom niet echt menselijk te noemen. Later kan hij dan ook zeggen dat de technische vooruitgang zonder menselijke interventie verloopt. Door een dergelijk naïef woordgebruik wordt zijn argumentatie lastiger te volgen en doet een beroep op de welwillendheid van de lezer of op een uitvoerige bestudering gevolgd door een nauwkeurige tekst-met-tekst vergelijking.

 

Ook het gebruik van de term 'universalisme' kan misverstaan worden. De techniek is universeel betekent volgens Ellul dat een autofabriek in de Sovjet er net zo uitziet als een autofabriek in West Europa. Iedereen die een beetje op de hoogte is van de autotechniek weet dat dit maar ten dele waar is: automonteurs begrijpen elkaars technische taal wel, maar zullen allerlei andere oplossingen kiezen voor eenzelfde probleem. Dat geldt zelfs al voor twee garages in Nederland. Ellul doelt echter enerzijds op die technische taal en daarmee ook nog op een tweede aspect: waar in de klassieke techniek nog individuele technieken konden worden ingekaderd in een cultuurpatroon, omvat de moderne techniek zoveel gebieden van het menselijk handelen, dat ze universeel is geworden. De techniek geeft de betekenis van de dingen aan, schept een eigen teken-wereld met als doel ook van de mens een teken te maken.

 

Een opmerkelijk argument tegen een constructivistische opvatting is Elluls stelling dat het zinloos is te denken dat een onderscheid gemaakt kan worden tussen techniek en haar gebruik, want technieken hebben specifieke sociale en psychologische gevolgen onafhankelijk van onze gebruikswensen. Er is geen ruimte voor morele overwegingen hier, zelfs niet van technici.

Als levenshouding ten opzichte van de techniek, proclameert Ellul een dialectische houding ten opzichte van onze technische maatschappij. Hij betreurt het dat de techniek zo alomvattend is geworden, dat de creatieve dialectische spanning tussen mens en techniek verdwenen is. Slechts een transcendente factor kan de dialectische beweging in de maatschappij weer op gang brengen. Voor Ellul was dat het christelijk geloof. Mitcham concludeert op basis hiervan dat Ellul een explicieter alternatief voor de technologie van de technicus geeft dan Heidegger.

 

Intermezzo Ellul

Het wordt een spannende dag vandaag. Vanmiddag begint het proces tegen degene die verdacht wordt van openlijke kwaadsprekerij. Het proces heeft enorme aandacht van de media gekregen. Ook zal er een live-verslaggeving zijn vanuit de rechtszaal. De aanklager heeft reeds aangegeven dat het eigenlijk een eenvoudige zaak is. De verdachte is vergelijkbaar met een stuurman die op de wal met een radiografische besturing een heuse onderzeeër heeft willen aansturen. Dat is natuurlijk verwijtbaar: als je iets wilt besturen moet je verstand van zaken hebben en zelf betrokken zijn. Je moet zelf op ‘de brug’ staan om zo’n nucleair gevaarte die alle denkbare techniek aan boord heeft, veilig van de ene naar de andere kant van de wereldzee te commanderen. De beste stuurlui staan nog steeds aan wal en dan maar roepen dat de onderzeeër onbestuurbaar geworden is, of buiten bereik. De verdachte heeft ter verdediging aangevoerd dat het technisch bolwerk een eigen koers is gaan varen en zich niets meer aantrekt van de corrigerende en protesterende stuurlui aan de wal. Allemaal ‘gelul’ natuurlijk en zo noemen ze hem tegenwoordig ook, in het Frans uiteraard, want men blijft beschaafd. Nee, als je de zaak analyseert, heeft de persoon in kwestie zijn verantwoordelijkheid verzaakt en dat is verwijt nummer 1 en verwijt nummer 2 is dat hij vervolgens roept dat het de schuld is van de onderzeeër met al zijn techniek aan boord en dat is kwaadsprekerij ten opzichte van de wonderschone en uiterst geavanceerde technologie. De aanklager heeft wel voor hetere vuren gestaan, dit is in feite een gewonnen zaak.

 

In de daadwerkelijke beschuldiging, die iedereen op tv volgde, deed de aanklager er nog een schepje bovenop. De verdachte had immers beweerd dat de onderzeeër autonoom was en dat was wel de grofste ontkenning van al die mensen aan boord die jarenlang getraind waren om het schip in de vaart te houden en te besturen. Het meest verwijtbaar was echter de wijze waarop de verdachte de wereld bang had gemaakt. Door te verwijzen naar de dreiging van een ontploffing die niet meer door mensenhanden zou zijn tegen te houden, wordt niet alleen de techniek in de beklaagdenbank gezet, maar wordt het ook steeds moeilijker om mensen te vinden die daadwerkelijk in de onderzeeër plaatsnemen om de stuurhendels over te nemen. Het is dus een anti-reclame voor techniek en voor de bestuurders van techniek. Tenslotte verklaarde de aanklager dat de verdachte geheel toerekeningsvatbaar was bevonden, want hij had alleen maar wat dichterbij hoeven te komen en dan had hij weer bereik gehad. Hij was dan minder vervreemd geraakt en hij had bovendien kunnen zien, dat er allerlei vakbekwame mensen aan dek waren die nog alle kanten opkonden met de onderzeeër. Bovendien was de onderzeeër door mensen gebouwd en de verdachte had die mensen toch ook nog om advies kunnen vragen. Het was doodstil toen de verdachte zich uit zijn bank verhief om zelf de verdediging te gaan voeren. ‘Geachte rechter, waarde publieksjury’, zo begon hij, ‘uit de commotie die is ontstaan naar aanleiding van mijn uitspraken heb ik moeten opmaken dat u geen van allen de ernst van de situatie inziet.’ Zo, dat was nog eens een opening, de aanval is inderdaad de beste verdediging. Op heldere wijze zette hij nog eens uiteen hoe de situatie er in zijn ogen uitzag.

 

De voorstelling van een radiografische besturing door één persoon was veel te naïef. De onderzeeër werd, volgens de verdachte, niet door één persoon, maar door een uitgebreid communicatienetwerk bestuurd. Het gaat allang niet meer om een verouderd Russisch schip dat zelfstandig kan varen op basis van enkele directieven uit Moskou. Het type onderzeeër waar we sinds de Tweede Oorlog mee te maken hebben is niet zomaar een uiterst geavanceerd technisch systeem, nee het is een product van de informatie- en communicatiemaatschappij. Het staat continu in verbinding met alle mogelijke stuursystemen, politieke mogelijkheden, mensen die huis en haard verlaten en zich voor volk en vaderland opofferen, mensen die zich moreel of sociaal verplicht voelen om deel te nemen en binnen of buiten de boot vallen, met industrieën die dergelijke technische wonderen produceren en weldoordachte publiciteitscampagnes die de noodzaak voor het aanwenden van publiek geld aannemelijk, rechtvaardig en zelfs wenselijk maken, ook met machthebbers die hun status willen vergroten en zo verder. De jurisprudentie moet dus niet over een boot gaan, niet over de techniek, maar ook over het totaal van de menselijke reactie erop, hoe waarachtig of leugenachtig die ook is, kortom over techno-logie. De ernst van de situatie is nu dat dat geheel zich onttrekt aan een individuele menselijke controle. Dat is ernstig omdat er dus geen rechtspersoon is die ter verantwoording geroepen kan worden. De techniek zelf mag dan wel automaten voortbrengen en filosofen mogen de niet-menselijke actoren serieus gaan nemen, maar dat is niet de autonomie waar men bang voor moet zijn. Het gaat om de wijze waarop mensen met die techniek om (menen te) moeten gaan wil die techniek functioneren. ‘En met mensen bedoel ik de maatschappij, het gaat mij immers om het verschijnsel technologie, dat is hoe een maatschappij omgaat met techniek en techniekontwikkeling. En die verwevenheid van mensen en techniek in een maatschappij zorgt ervoor dat geen enkele individuele mens of niet-mens sturing kan geven ook al is die in bereik, ook al is die nog zo betrokken, ook al staat die met grote ervarenheid op de brug van het schip zelf. Ieder individuele actor is afhankelijk van een informationeel en procedureel netwerk en niemand kan dus feitelijk ter verantwoording worden geroepen.’

 

De camera zoemde in op de publiekstribune. Een gemêleerd gezelschap zat ingespannen te luisteren naar deze opmerkelijke wending die de aanklager even in verlegenheid leek te brengen. Er was een onderzoeker, nog met zijn racefiets-schoenen aan, en er zat een psychiater naast een Amerikaanse bouwkundige en er was een beroemd schaker. Ze hadden kennelijk allemaal wel enkele uitspraken gelezen van de verdachte, want ze waren minder verbaasd dan de overige luisteraars, die druk gesticulerend hun instemming of afkeer kenbaar aan het maken waren. De aanklager kreeg gelegenheid voor het stellen van een vraag. Hij zei op de man af: ‘U zegt dat niemand de eindverantwoordelijkheid heeft, maar tevens heeft u herhaaldelijk betoogd dat het de politici zijn die hun machtsstreven maskeren met technische termen. Zij spelen kennelijk een belangrijker rol dan anderen. Kunnen zij niet ter verantwoording geroepen worden?’ De Amerikaan op de tribune knikte instemmend naar de schaker. De verdachte antwoordde: ‘Inderdaad kan de uitspraak van een politicus een grotere impact hebben dan de stem van een individuele burger, maar een politicus weet zelf niets, hij is volkomen afhankelijk van zijn ambtenaren en die van het draagvlak onder de bevolking en dat is weer mede afhankelijk van wat er de vorige dag in de krant heeft gestaan enzovoort. Het geheel is niet te overzien en daarom onbestuurbaar. Sterker nog: er zit een eigen dynamiek in het geheel waardoor er een versterking optreedt van de vicieuze cirkel.’ De rechter onderbrak de verdachte op dit punt met de opmerking: ‘U heeft dergelijke abstracte uitlatingen vaker gedaan en omdat die nergens op gebaseerd zijn kunnen we er niets mee. We hebben liever concrete uitspraken die we, zoals we u gezegd hebben, tegen u kunnen gebruiken.’ De verdachte vervolgde zijn verhaal. ‘Natuurlijk moet ieder mens doen wat hij of zij goed dunkt, maar men moet zich geen illusies maken over het effect daarvan. De vernieuwing van de Amerikaanse krijgsmacht komt er gewoon en ieder land wil daar een graantje van meepikken. Natuurlijk zal de ene natie meer kritiek hebben en voorwaarden stellen dan een andere natie, maar het geheel gaat gewoon door. Net zo goed als de Betuwelijn en de Westerscheldetunnel in de Nederlandse natie. Op lokaal niveau moet men echter blijven protesteren als men zich daartoe geroepen voelt, vanwege het feit dat men zich daartoe geroepen voelt en in de tweede plaats omdat er in een gunstige samenspel van krachten soms ineens toch een moment van bezinning en alternatieve ontwikkeling kan zijn. In concreto: de val van de Berlijnse muur en, om nog een Nederlands voorbeeld te geven, het verbod om olie uit de Waddenzee te halen.’

 

De aanklager had geen vragen meer en de rechter schorste de zitting. Na ampel beraad en na raadpleging van de publieksjury kwam de rechter net voor het 20:00 journaal met het vonnis. De verdachte werd niet schuldig bevonden aan alle ingebrachte beschuldigingen op één na. En dat was de inderhaast toegevoegde aantijging dat de verdachte had gezegd dat er niemand ter verantwoording geroepen kon worden voor de ontstane situatie. Dat was onverteerbaar en als brenger van die boodschap moest de boodschapper dat met een levenslange gevangenisstraf bekopen. Alleen het beroep op een hogere rechtbank stond hem nog open.    

 

Heidegger

Als het gaat om de behandeling van de vraag naar de techniek door Heidegger, komt zijn verhandeling over 'Die Technik und die Kehre' het meest in aanmerking.42 Hierna zal ik uit de vertaling daarvan citeren.43 Toch is dat niet de enige plaats waar Heidegger over techniek spreekt. In feite is het in heel (ook zijn vroege) oeuvre al te vinden. In de empirische wending van de techniekfilosofie speelt echter voornamelijk de argumentatie uit ‘die Kehre’ een prominente rol. In de verhandeling 'Die Technik und die Kehre' spreekt Heidegger eerst over 'de vraag naar de techniek' en daarna over 'de ommekeer'. Al in het begin geeft Heidegger aan dat het vragen naar de techniek een denkweg op het oog heeft (men moet dus niet op afzonderlijke uitspraken blijven hangen) en net zoals alle denkwegen leidt ook de denkweg die de techniek betreft op een ongewone wijze door de taal. In het vragen naar techniek en voor het ervaren van haar begrenzing, moet men niet gebonden zijn aan techniek. Vrij worden van techniek kan wanneer ons menszijn geopend wordt voor het wezen van de techniek. Op dit punt aangekomen maakt Heidegger een belangrijk onderscheid dat consequent door heel zijn werk heen loopt: "De techniek is niet gelijk aan het wezen van de techniek." (p.29) Net zoals het wezen van de boom (dat wat van elke boom een boom maakt) zelf geen boom is die tussen de andere bomen aangetroffen kan worden, is het wezen van de techniek niet iets technisch. Sterker nog: "We ervaren daarom nooit onze betrekking tot het wezen van de techniek, zolang we ons slechts het technische voorstellen of techniek bedrijven, ons erin schikken of haar ontwijken. Overal blijven we onvrij aan de techniek geketend, of we haar nu hartstochtelijk beamen of afwijzen. Het ergste zijn we echter aan de techniek overgeleverd, als we haar als iets neutraals beschouwen. Deze opvatting, die tegenwoordig met voorliefde wordt gehuldigd, maakt ons immers totaal blind voor het wezen van de techniek." (p.29)

 

Toch begint Heidegger zijn vraag naar het wezen van de techniek bij de instrumentele opvatting van techniek als 'het geheel van het vervaardigen en het gebruiken van werktuigen, gereedschap, en machines, het vervaardigde en het gebruikte zelf, en de behoeften en doelstellingen waarvoor ze dienen.' De instrumentele opvatting wordt door Heidegger als 'juist' gekarakteriseerd, zelfs voor de moderne techniek, die immers ook een middel tot doelstellingen is. Uit dit instrumentele karakter van de techniek is het te begrijpen dat de techniek, bijvoorbeeld een hamer, de mens in de juiste houding ten opzichte van techniek brengt, bijvoorbeeld door de hamer vast te pakken. "Men wil, zoals het heet, de techniek geestelijk in handen krijgen." (p.30) De techniek is, volgens Heidegger, echter meer dan een instrument. De instrumentele benadering is 'juist', maar daarom nog niet 'waar'. Techniek is 'waar' als het wezen van de techniek onthuld wordt en dat is niet altijd het geval. Dit 'meer dan instrumentele' heeft gevolgen voor onze wil om de techniek in handen te krijgen, te beheersen. Om het juiste van techniek te zien, moet men de techniek als instrument opvatten, maar om het ware van de techniek te zien, moet men door het instrumentele heen kijken en vragen: wat is het instrumentele zelf eigenlijk? Het instrumentele is, volgens Heidegger, de oorzakelijke relatie van middel en doel. De doelstelling is de oorzaak die de middelen bepaalt. "Sedert eeuwen leert de filosofie, dat er vier oorzaken zijn: 1) de causa materialis, het materiaal, de stof waaruit bijvoorbeeld een zilveren schaal wordt vervaardigd; 2) de causa formalis, de vorm, de gestalte, waarin het materiaal wordt opgenomen; 3) de causa finalis, de doelstelling, bijvooorbeeld de offerdienst, waardoor de benodigde schaal naar vorm en stof wordt bepaald; en 4) de causa efficiens, die het effect, de voltooide werkelijke schaal, bewerkstelligt[†]: de zilversmid. Wat de als middel opgevatte techniek is, wordt onthuld als we het herleiden tot de viervoudige oorzakelijkheid." (p.31) Heidegger merkt hierbij op dat de causa efficiens tegenwoordig domineert. "Dat gaat zover dat men de causa finalis, de finaliteit, helemaal niet meer tot de causaliteit rekent." (p.32)

 

De reden voor deze misvatting is dat in de vertaling van Aristoteles' verhandeling vanuit het Grieks naar het Latijn voor het woord ‘oorzaak’ het Latijnse ‘causa’ is gebruikt, wat in de Romeinse tijd 'het bewerkstelligende'** betekende. Maar in het Griekse denken, betoogt Heidegger, wordt aition ('aition') gebruikt voor oorzaak en dat betekent: ‘dat wat iets anders verschuldt’. Het zilver is als stof (mede)schuldig aan de zilveren schaal en de schaal dankt aan het zilver, dat waaruit ze bestaat. Zo ook voor de vorm, maar het belangrijkste is de derde, de causa finalis, want het bepalende stelt een einde, een einddoel aan het ding, waardoor het niet ophoudt, maar juist begint als datgene wat het na zijn vervaardiging zijn zal. "Tenslotte is er een vierde element medeschuldig aan het voor ons gereedliggen van de voltooide offerschaal: de zilversmid. Maar geenszins hierom, dat hij door te werken de voltooide offerschaal als het effect van een maken bewerkt, niet als causa efficiens. De leer van Aristoteles kent de met deze term genoemde oorzaak niet, evenmin gebruikt ze een overeenkomstige Griekse naam. De zilversmid overlegt en verzamelt de drie genoemde wijzen van het verschulden. Overleggen heet in het Grieks legein, logoV." ('legein', 'logos' p.33)  Het vertalen van het Griekse woord voor oorzaak in ‘causa’ is dus verwarrend geweest, maar het gebuik van het woord causa voor de vierde oorzaak blijkt onjuist en misleidend te zijn geweest. De drie oorzaken danken aan het overleg van de zilversmid, dat en hoe ze voor het voortbrengen van de offerschaal te voorschijn komen en in het spel komen. Dit is een verschil met het ontstaan van de bloesem in het ontluiken, want dat heeft het ontstaan van het 'te voorschijn brengen' (poiesis) in zichzelf (autopoiesis), terwijl het ambachtelijk en artistiek tevoorschijn gebrachte, bijvoorbeeld de zilveren schaal, het in de ambachtsman heeft. Het tevoorschijn brengen berust op en wordt gestuwd door een 'ontbergen' (als tegenpool van verbergen). Volgens Heidegger gebruiken de Grieken daarvoor het woord alhJeia ('aleteia') en de Romeinen 'veritas' en wij 'waarheid'.

 

"Waarheen zijn we afgedwaald? We vragen naar de techniek en we zijn nu bij de alateia, het ontbergen beland. Wat heeft het wezen van techniek met ontbergen te doen? Antwoord: alles." (p.35) Het ware van techniek, de waarheid van techniek is een ontbergen die de vier ‘oorzaken’ in zich verzameld. Waar dus de mens in het ontbergen (het wezen van de techniek) drie wijzen van ‘verschuldigd zijn’ verenigt (vorm, materie en finaliteit), is het de onverborgenheid (waarheid) die ze alle vier verzamelt. Heidegger zegt dat deze visie ons lang en aangrijpend moet bevreemden. Het woord techniek geeft echter een bevestiging van deze afleiding. Het Griekse tecnh ('techne') duidt niet alleen op het ambachtelijk kunnen, maar ook op het tevoorschijn brengen ('poiesis'); ze is iets poëtisch. Bovendien wordt ze (tot Plato) in verband gebracht met kennen (episteme) en dat ontsluit ook. "Het kenmerkende van de tecnh ligt bijgevolg geenszins in het maken en het hanteren, niet in het aanwenden van middelen, maar in het vermelde ontbergen." (p.36) Techne is dus een tevoorschijn brengen, maar dan als ontbergen, niet als vervaardigen. De vraag is nu: geldt dit ook voor de moderne techniek? Het 'juiste' is het instrumentele, voor de ambachtelijke en moderne techniek, het 'ware' is het ontbergen, in de zin van tevoorschijn brengen, voor de ambachtelijke techniek: wat is het 'ware' voor de moderne techniek? Het in de moderne techniek heersende ontbergen is een tevoorschijn vorderen en niet een tevoorschijn brengen.

 

Dit is het belangrijkste punt in de argumentatie van Heidegger. Hij geeft een aantal voorbeelden om het verschil tussen ambachtelijke techniek en moderne techniek te tonen. De wieken van de windmolen wentelen wel in de wind, maar blijven rechtstreeks afhankelijk van het waaien: er wordt geen windenergie ontsloten om op te slaan. "Een landstreek daarentegen wordt tot het delven van kolen en erts die opgevorderd worden, uitgedaagd. De grond wordt dan ontborgen als steenkoolgebied, de bodem als bergplaats van erts. Op een andere wijze verschijnt het veld, dat de boer eertijds bebouwde, toen bebouwen nog koesteren en verzorgen betekende." (p.37) Het werk van de ambachtelijke boer daagt de akkerbodem niet uit: bij het zaaien van koren vertrouwt hij het zaad toe aan de groeikracht en hij waakt over het gedijen ervan. In de moderne landbouwtechniek wordt het land wel uitgedaagd: met een minimum aan inspanning moet het een maximum aan resultaat opleveren. Dit uitdagen van het land is dus eigenlijk een 'stellen'. De moderne boer besteld het graan bij zijn lap grond. Het aldus bestelde graan is meer dan alleen maar voorraad. Het is besteld met een bepaald doel en daarom is het niet zomaar een voorwerp dat voor ons staat. Een vliegmachine op de startbaan kan worden opgevat als een voorwerp, maar het is meer: het is besteld om te vliegen en "daartoe is heel haar bouw, in elk van haar bestanddelen in staat om besteld te worden, dat wil zeggen startklaar te zijn." (p.39)

 

Het ontbergen van de moderne techniek, dus het tevoorschijn vorderen, is zelf niet technisch. De techniek (stangen, drijfwerk en uitrusting en alle montage-bestanddelen) beantwoorden wel aan het 'bestellen' van het wezen van de moderne techniek, maar behoren niet tot het wezen. Het tevoorschijn-brengend-maken van de ambachtelijke techniek, bijvoorbeeld het opstellen van een standbeeld in een tempelruimte, en het tevoorschijn-vorderend-bestellen van de moderne techniek zijn grondig verschillend, maar toch verwant. Het wezen van de moderne techniek moest al aanwezig zijn voordat het eerste fysische experiment opgezet kon worden, want dat experiment beantwoordde aan het moderne wezen van de techniek. Toch is het wezen van de moderne techniek zelf lang verborgen gebleven, zelfs tot na de uitvinding van motoren, elektriciteit en atoomtechniek. Met een verwijzing naar een Grieks gezegde verklaart Heidegger dat het wezen ontologisch eerder was, maar feitelijk later: 'datgene wat ten aanzien van het heersende opgaan vroeger is, wordt ons mensen pas later zonneklaar'. Daarom kon de moderne techniek later ontstaan dan de moderne fysica: het wezen van de moderne techniek was er al eerder.

 

Het ontbergen van de moderne techniek als een bestellen gaat niet buiten de mens om. "Maar het geschiedt ook niet slechts in de mens en niet overwegend door hem." (p.45) Het is de mens die het stellen verzamelt, en het is het bestel dat de mens uitdaagt[†] om het werkelijke te ontbergen als bestellen. In vergelijking met de natuur zal de mens nooit puur bestand worden, omdat de mens, anders dan de natuur, tot het bestellen wordt uitgedaagd. Het wezen van de moderne techniek brengt de mens op de weg van het bestellen, op de weg van het ontbergen waardoor het werkelijke tot bestand wordt. Dit 'op de weg brengen' is sturen. Vanuit een dergelijk sturen, vanuit een beschikking, wordt het wezen van elke geschiedenis bepaald. Deze beschikking zet een mens aan tot ontbergen, zowel in de ambachtelijke tijd als in de moderne tijd. De beschikking heeft nooit de noodlottigheid van een dwang. Heidegger zegt hier dus niet mee dat de techniek het lot is van ons tijdperk, als het onontkoombare van een onveranderlijk verloop. "Als we echter het wezen van de techniek overdenken, dan ervaren we het bestel als een beschikking van de ontberging. Zo houden we ons reeds op in het vrije van de beschikking, die ons geenszins opsluit in een vage dwang, om blindelings techniek te bedrijven of, wat het Zelfde blijft, om ons hulpeloos tegen haar te verzetten en haar als duivelswerk te vervloeken. Integendeel, als we ons uitdrukkelijk voor het wezen van de techniek openstellen, dan vinden we ons onverhoopt opgenomen in een bevrijdende aanspraak." (p.47) De beschikking is geen dwang maar is gevaar. De beschikking in de ambachtelijke tijd en de beschikking in de moderne tijd is een gevaar. Het gevaar is dat het ontborgene (vroeger en nu) alleen op de wijze van de beschikking (van het betreffende tijdvak) ontborgen kan worden. De beschikking van de ambachtelijke tijd was dat het ontbergen gebeurde op de wijze van het tevoorschijn brengen. Het gevaar is dan dat men geen andere mogelijkheid ziet. De beschikking van de moderne tijd is dat het ontbergen gebeurt op de wijze van het tevoorschijn vorderen en het gevaar is dat men andere mogelijkheden vergeet. In zoverre de beschikking een gevaar is, komen ze overeen, het verschil is dat de beschikking als bestel (de moderne wijze) het hoogste gevaar is voor het menselijk wezen.

 

De moderne wijze van ontbergen, namelijk bestellend opvorderen, is het hoogste gevaar om twee redenen. De eerste is dat de mens gaat denken dat alles als maakwerk van de mens bestaat en daardoor gaat denken dat hij overal zichzelf ontmoet. "De mens staat dan zo beslist in de greep van de opvordering door het bestel, dat hij dit niet als een aanspraak verneemt, die hem een eis stelt, maar dat hij zichzelf als de aangesprokene over het hoofd ziet en daarmee ook doof wordt voor"  andere wijzen van ontbergen. (p.48) "Waar de beschikking domineert, verdrijft het elke andere mogelijkheid van ontberging." (p.49) De tweede reden is dat het moderne bestel de ambachtelijke wijze van ontbergen toedekt, verbergt, doet vergeten. "Het gevaarlijke is niet de techniek. Er bestaat geen demonie van de techniek, wel daarentegen het geheim van haar wezen. Het wezen van de techniek is, als beschikking van het ontbergen, het gevaar." (p.49) Het gevaar komt dus niet door de mogelijk verwoestende gevolgen van machines voor de mens, maar de heerschappij van het bestel dreigt met de mogelijkheid dat het de mens ontzegd zou kunnen zijn, in te keren in een oorspronkelijker ontbergen en zo de toespraak van een meer aanvankelijke waarheid te ervaren. Daarna komt Heidegger met de dichtregels "Waar echter gevaar is, groeit het reddende ook." (p.49)

 

Om deze dubbelheid van gevaar en redding in het wezen van de techniek te onderzoeken, vraagt Heidegger zich af: wat betekent 'wezen' eigenlijk? In de filosofische traditie duidt dit begrip doorgaans op de algemene genus, bijvoorbeeld het boomachtige van alle concrete bomen; het is een universale. Is het wezen van de techniek als bestel nu zo'n universale van al het technische? "Indien dit opging, dan zou bijvoorbeeld de stoomturbine, de radiozender, het cyclotron een bestel zijn" en dit is niet het geval, net zo min als de man aan het schakelbord en de ingenieur in het constructiebureau. (p.51) Deze horen alle weliswaar als bestanddeel, als bestand en als besteller tot het bestel, maar dit bestel is nooit het wezen van de techniek als genus. Het is als met 'schoolwezen' of 'staatswezen': het wezen is de wijze waarop school en staat heersen, bestuurd worden, zich ontplooien en vervallen. Het wezen van de techniek is dus de wijze waarop techniek heerst, bestuurd wordt, zich ontplooit en vervalt. Net als bij Plato is het wezen het durende. In tegenstelling tot Plato is het durende niet alleen maar het voortdurende (Fortwährende), maar ook het schenkende (Fortgewährende). Juist het voortdurende, bij Plato als het idee dat zich als het blijvende handhaaft in al wat zich voordoet en in de metafysiek als de verscheidenheid aan interpretaties van essentia, geeft aanleiding tot de illusie "dat de naam 'de techniek' een mythische abstractie beduidt". (p.52)

 

Het gaat echter om een gebeuren en niet om lege metafysische abstracties. Het gaat om het Gebeuren van de ontberging, waartoe de mens wordt uitgedaagd. De mens is benodigd in het ontbergen en hem wordt de mogelijkheid geschonken tot ontberging. Dit Gebeuren is groter dan hij zelf, hij kan het niet uitvinden en zelfs niet maken. Het wezen van de techniek als beschikking neemt de mens op in dit Gebeuren en "verleent de mens het aandeel in het ontbergen." (p.53) Juist dit verlenen is gegrond in het durende als een schenken. Het durend-schenkende is het reddende, want dit laat de mens in de hoogste waardigheid van zijn wezen schouwen en inkeren. Deze waardigheid berust hierop, dat de mens de onverborgenheid op deze aarde te hoeden heeft. Hoe kan nu echter het ontbergen als bestellen (als het hoogste gevaar van het dominant worden van het opvorderen) tevens ook het reddende zijn? "Juist in het bestel, dat de mens dreigt mee te sleuren in het bestellen, als de vermeend enige wijze van ontberging, en dat zo de mens in het gevaar stoot zijn vrije wezen prijs te geven, juist in dit uiterste gevaar komt de innigste, onverwoestbare toe(be)horendheid van de mens aan het durend-schenkende te voorschijn, - aangenomen tenminste, dat we op onze beurt aandacht beginnen te schenken aan het wezen van de techniek." (p.53) Daardoor zijn we echter nog niet gered, want menselijk doen kan dit gevaar, volgens Heidegger, nooit het hoofd bieden. "Maar menselijke bezinning kan wel overwegen, dat al wat redt, van een hoger wezen moet zijn dan het bedreigde – en toch ermee verwant." (p.55) Aangezien het wezen van de techniek niet technisch is, moet de wezenlijke bezinning op de techniek en de beslissende uiteenzetting met haar geschieden in een domein, dat enerzijds verwant is aan het wezen van de techniek en anderzijds er toch grondig van verschilt. "Een dergelijk domein is de kunst. Slechts dan weliswaar, als de artistieke bezinning zich op haar beurt niet sluit voor de constellatie van de waarheid, waar we naar vragen." (p.56) Zo ook heette techne eertijds het tevoorschijn brengen van het ware in het schone.

 

Waar in 'de vraag naar de techniek' het wezen van de techniek overdacht werd, kan men vanuit het andere werk van Heidegger de vraag stellen: wat is nu de relatie tussen 'wezen' en 'zijn' en hoe moet de mens als kunstenaar het ware hoeden, als hij tevens kind is van zijn tijd waarin het bestellend ontbergen dominant geworden is? Op beide vragen gaat Heidegger in als hij spreekt over 'de ommekeer'.

 

Hoewel het wezen van de techniek als een bestellen haar eigen gevaar markeert, waardoor het lijkt alsof de techniek een middel in handen van de mens is, is in waarheid het wezen van de mens gehouden het wezen van de techniek de hand te reiken. "Betekent dit dat de mens machteloos op genade of ongenade aan de techniek is overgeleverd? Neen. Het betekent juist het tegendeel en het beduidt ook iets anders." (p.57) Het bestel is een wezensbeschikking van het Zijn en kan dus wijzigen: het kan tot bestemming gebracht worden. Echter, als het wezen van de techniek het Zijn zelf is, dan kan menselijk doen de techniek nooit beheersen, want de mens is geen heer van het Zijn. Wel behoren het wezen van de techniek èn het wezen van de mens beide tot het wezen van het Zijn en "dáárom kan het wezen van de techniek niet zonder medewerking van de mens de wijziging van zijn bestemming worden binnengeleid." (p.58)  Deze wijziging van bestemming geschiedt door een te boven komen van het wezen van de techniek en daarvoor is de mens dus benodigd. Dit te boven komen lijkt op wat er gebeurt, als wij mensen een verdriet te boven komen. De techniek wordt daarmee echter niet menselijkerwijs overwonnen, het is een Gebeuren (een Geschieden) waarin het Zijn bestuurd en een beschikking overwonnen wordt. Wanneer de mens benodigd is, wordt bedoeld dat de mens benodigd is in zijn wezen dat aan deze overwinning beantwoordt. Om te kunnen antwoorden, moet de mens zich eerst openstellen voor het wezen van de techniek en dit gebeurt niet door de techniek als instrument te blijven zien of gebruiken. Om een wezenlijke verhouding te stichten tussen het wezen van de mens en het wezen van de techniek, moet de mens de wijdte van zijn wezensruimte hervinden. Alleen vanuit die wezensruimte is een mens, binnen de thans heersende lotsbeschikking, tot iets wezenlijks in staat. Om de wezensruimte van de mens te ervaren, moet eerst het wezen van het Zijn overdacht worden.

 

Het wezen van het gevaar is een keren. Het is een zich afkeren van de waarheid van het Zijn. Zoals men zich in de techniek keert naar het instrumentele en afkeert van het opvorderende, keert het Zijn zich af van de waarheid van zijn wezen. Omdat het gevaar een 'keer' is, zit de mogelijkheid van een omkeer in het gevaar verborgen. "Vermoedelijk gebeurt deze Ommekeer slechts dan, wanneer het gevaar als gevaar uitdrukkelijk aan het licht komt." (p.60)

 

Met Heideggers verwijzing naar een regel van de dichter Hölderin 'Waar echter gevaar is, groeit het reddende ook' geeft Heidegger in het deel over 'de ommekeer' ook een toelichting. Het gevaar zelf is, als gevaar, het reddende, omdat het gevaar een (niet onomkeerbare) keer is. Er is sprake van een ommekeer "als de vergetelheid van het wezen van het Zijn zich omkeert naar de waarheid van het wezen van het Zijn, zodat die uit eigen beweging tot het zijnde inkeert." (p.60) Wat Heidegger hier ook mee bedoeld, zijn opdracht voor de mens wordt vervolgens duidelijk: wachtend bij het wezen van het Zijn, de wakende herder van de waarheid van het Zijn zijn. Hoe komt een mens zover? Door in te zien dat in het bestellen van de techniek toch nog iets blijkt. Als de mens afstand doet van zijn eigenzinnigheid, is hij geëigend als sterveling het goddelijke tegemoet te blikken. En dan ziet hij dat in het technisch bestellen van het bestand de waarheid (van het Zijn als wereld) geweigerd blijft. Dan bemerkt hij hoe al het blote willen en doen op de wijze van het bestellen, in verwaarlozing volhardt. Hoe komt een mens tot dat inzicht? Niet door het jagen op de toekomst met het technisch-rekenende voorstellen, waarbij symptomen worden opgeteld en de bestanden tot in het eindeloze vermeerderen, want deze analyses van de situatie worden niet gewaar, dat ze slechts in de zin en op de wijze van de technische versnippering werken en aldus aan het technische bewustzijn de daarbij passende geschiedkundig-technische beschrijving van het geschieden leveren. Het is dus niet door het beschrijven van de huidige situatie, maar door het luisteren naar het Zijn (het vernemende denken). We horen echter nog niet: ons vergaat horen en zien door radio en film onder de heerschappij van de techniek. Zolang we niet denkend ervaren wat is, kunnen we aan wat zijn zal, nooit behoren.

 

Aanscherping van de argumentatie

Iedereen die Heideggers denken betrekt bij de filosofische vragen rondom techniek, meent zich een uitspraak te mogen veroorloven over het gebruik van de taal door Heidegger: het is te moeilijk, te eigenzinnig, te langdradig, te abstract en zo verder. Ik zal met dat gebruik niet breken. Als informatica ingenieur die het programmeren in geneste functies heeft beoefend, is het een verademing om zo'n zorgvuldig woordgebruik binnen een filosofisch opusculum tegen te komen. Of Heidegger zo'n bijval vanuit het rekenende denken gewaardeerd zou hebben blijft evenwel de vraag, laat staan of het geheel daarmee begrijpelijker kan worden. Inhoudelijk gezien is het thema van de taal echter om een andere reden van belang. Heidegger lijkt immers te zeggen dat de menselijke bijdrage in de omkering van de techniek begint vanuit een omkering in het denken van de mens en dat dit denken talig is. Heidegger zegt: "Zonder de taal (Sprache) ontbreekt er aan elk doen die dimensie, waarin het zich zou kunnen oriënteren en waarin het zou kunnen werken." (p.60) Hij zegt echter ook: Taal is nooit uitdrukking van het denken, voelen en willen. "Taal is voordien de aanvankelijke dimensie, waarbinnen het wezen van de mens überhaupt pas in staat is aan het Zijn te beantwoorden (en in zulk beantwoorden) het Zijn toe te (be)horen." (p.60) Vervolgens zou men wel aan Heidegger kunnen vragen waarom de mens met taal en denken alleen het wezen van de techniek zou moeten begeleiden en waarom de mens niet ook de techniek zelf zou kunnen begeleiden. Vooral Hottois lijkt op dit punt zwaar teleurgesteld in Heidegger. "Nadat Heidegger de kloof heeft ontdekt die technowetenschappen en symbolisering scheidt, is er geen compromis, brug of wisselwerking mogelijk: men kan zich alleen in de afgrond storten of heilzaam terugtrekken in de vorm van een terugkeer tot het bij voorkeur meest originele denken." (p.30)54

 

Een dergelijke karikatuur kan men gemakkelijk weerleggen en vervolgens ter zijde schuiven, ware het niet dat Achterhuis regelmatig teruggrijpt op Hottois en daarmee een punt in het debat blijft agenderen. Wat betreft “het verschil tussen teken en techniek dat Heidegger niet ziet” (p.16)54, is het opmerkelijk dat Hottois enkele pagina's verderop schrijft: "Heidegger heeft gevoel voor het bijna heterologisch anders-zijn van teken en techniek." (p.29)54 De relatie tussen taal en techniek ligt dus bij Heidegger gecompliceerder dan de versimpelde weergave van zijn tegenstander doet vermoeden. Ik wil Heideggers argumentatie op dit punt aanscherpen, want het heeft alles te maken met de wijze waarop de filosofie met techniek om zou kunnen en moeten gaan. De vraag die Heidegger laat liggen en waar sommige constructivisten over vallen is die naar de filosofische begeleiding van de concrete techniek zelf. Wanneer Hottois stelt: "Concreet heeft het denken van Heidegger, feitelijk noch principieel, geen enkele aandacht voor de technowetenschappen in hun operationele, praktische, constructieve en productieve werkzaamheid" (p.30)54, geeft dit te denken. Heideggers vraag en argumentatie is echter een andere. Heidegger vraagt vanuit de concrete techniek naar haar grond, haar wezen en zijn argumentatie is gericht op het keren van het gevaar dat met dat wezen verbonden is. In dat kader geeft Heidegger aan dat begeleiding van de concrete techniek in welke vorm dan ook het echte gevaar van de techniek niet kan keren. Daarmee is niet gezegd dat het (filosofisch) begeleiden van techniek onmogelijk is, maar in het kader van de ommekeer van het gevaar van het wezen van de techniek is het ongewenst om de techniek zelf (als instrument) te begeleiden, omdat het de aandacht kan afleiden van het wezen van de techniek, waar ook de redding vandaan kan komen. Wanneer er echter aandacht is voor de vraag naar de techniek zoals Heidegger die ontwikkelt, is er geen argument in Heideggers redenering die een begeleiding van de techniek zelf zou afraden of voor onmogelijk zou houden. Eerder in tegendeel, de wijze waarop Heidegger in 'Zijn en Tijd' de klok analyseert geeft aan hoe beide benaderingen gecombineerd kunnen worden. (p.515)48

 

Waar Heidegger niet ingaat op de diversiteit aan technieken, wordt hem vaak verweten dat hij die zou ontkennen en dat hij er een monolithische opvatting van techniek op na houdt. Constructivisten verwijten hem dat hij suggereert dat er maar één wijze van techniekbeoefening mogelijk is en dat is een voorstellende, een rekenende, een opvorderende wijze. In het voorgaande is echter aannemelijk gemaakt dat Heidegger een meer oorspronkelijke wijze van ontbergen voor mogelijk houdt en zelfs propageert om aan het hoogste gevaar te ontsnappen. Men kan zich vervolgens echter afvragen: hoe ziet de concrete techniek er in zo’n oorspronkelijke techniekbeoefening dan uit? Als we een polshorloge nemen als representant van een moderne voorstelling van tijd, is de zonnewijzer wellicht de representant van een meer oorspronkelijke tijdmeting. Maar wanneer we de navigatie op zee nemen, is er toch nauwelijks een alternatief denkbaar voor de talloze vormen van uurwerken die voor de lengtegraadbepaling noodzakelijk zijn, om nog maar niet te spreken over de moderne satelliet-bepaling via het Global Position System.

 

Ihde, die deze vraag stelt en het voorbeeld van de navigatie op zee verder uitwerkt, geeft aan dat de Polynesiers al 1000 jaar voor de Vikingen een navigatie systeem hadden voor het varen in kano's op open zee zonder gebruik te maken van wat voor instrument dan ook. (p.247)57  Men wist precies hoever bepaalde vogels en vissen zich maximaal uit de kust verwijderen en door nauwkeurige observatie kon men daar al iets uit afleiden. Wanneer men die praktische kennis combineerde met het uiterst gedetailleerde golfpatroon van het water, waarin verschillende stromingen onderkend werden, wist men tevens de richting en (on)dieptes te meten en kon men zelfs de verstoringen van een lokale storm corrigeren (volgens de overlevering waren het alleen de geoefende mannen die de onderliggende waterstromingen in hun testikels konden voelen). Ook de wolken werden in het totaal-plaatje betrokken en door op deze wijze de werkelijkheid te vernemen, was er geen moderne voorstelling, noch een modern instrumentarium nodig om de navigatie te ondersteunen. Heidegger zou stellig van mening zijn dat er inderdaad verschillende meettechnieken bedacht kunnen worden, maar dat het wezenlijke onderscheid bestaat in de twee vormen van ontberging: het stellen van een maat met instrumenten of het vernemen van de wereld waarin men geplaatst is.

 

Cruciaal in Heideggers betoog is de opening die hij aanwijst in het gesloten domein van het maakbare, een openheid die bij de Grieken, in de tijd vòòr Plato, nog beleefd werd. De openheid voor datgene wat zich aan een mens voordoet in de eerste plaats, maar ook de openheid in de 'almacht' van het menselijk willen. Juist het betrokken zijn op, het uitgenodigd worden door en het beantwoorden aan iets wat principieel buiten de mens ligt en daarmee zijn autonomie en zijn wil beperkt, biedt de mogelijkheid aan de mens om tot zijn ware bestemming te komen en dat is de voorwaarde voor een ware verhouding ten opzichte van de verschillende ontbergingsmogelijkheden.

 

Intermezzo Heidegger

‘Bitte setzen Sie sich’. De gezagvoerder instrueerde nu ook het cabinepersoneel om te gaan zitten. Kennelijk was er groen licht van de verkeerstoren om te beginnen met de vlucht. De versnelling van de vele motoren was voor iedereen hoorbaar en met het loslaten van de remmen schoten we vooruit, al voel je je juist terug in je stoel gedrukt. Het opstijgen was altijd iets geweldigs, al het menselijk gewoel met bijbehorende regeltjes en grensprotocollen wordt overstegen om op koninklijke wijze gewoon de kortste weg van begin naar eind af te leggen. Het opstijgen is ook altijd weer een beetje spannend. Ik herinner mij nog goed de eerste keer. Na de enorme versnelling op de startbaan kregen we de lift. De horizontale versnelling wordt omgezet in een gedeeltelijk verticale en een gedeeltelijk horizontale. Wat je echter ervaart is dat de horizontale versnelling terugloopt. Het is alsof je afremt en, omdat je schuin in de lucht hangt, lijkt het alsof je als een boemerang weer terug naar de landingsbaan zweeft. Met je ogen dicht kan je dat steeds weer opnieuw ervaren. Wonderlijk krachtenspel. Neem nou de vleugels, het is toch onvoorstelbaar dat zo’n vliegtuig met alle mensen en dingen aan boord door de ronding van de vleugels een vacuüm creëert aan de bovenkant van die vleugels waardoor het geheel omhoog getrokken wordt. Toegegeven, dat vacuüm ontstaat alleen als er voldoende lucht met een minimale snelheid over de vleugels glijdt en voor die snelheid heb je motoren voor nodig, maar toch. De reis ging naar Griekenland en uiteraard hadden we geboekt bij Heidegger Airlines want die vlogen alleen maar op Griekenland en zij zijn  daar dus het meest ervaren in. Op onze vlucht zat de oprichter zelf achter de stuurknuppel; ook hij moest zijn minimale vlieguren halen om zijn brevet te kunnen behouden. De kisten van deze vliegmaatschappij zijn ware luchtkastelen in de vorm van een vleugel. Het is om te zien eigenlijk alleen maar een vleugel met allemaal zon-aangedreven elektromotoren. Voor de passagiers heeft dit als voordeel dat iedereen vooruit kan kijken. Men zit achter een groot raam waarvan het luikje tot onderaan de voeten opengeschoven kan worden, zodat je desgewenst ook naar de grond onder je voeten kan kijken. Eigenlijk is het deze luchtvaartmaatschappij daarom te doen: het onderzoek naar de grond van alles vanuit de lucht. De  passagiers hebben ieder vier vierkante meter ter beschikking en een fauteuil die in alle richtingen verstelbaar is. Via de boxjes boven je, kan je de geluidsterkte van de mededelingen van de gezagvoerder regelen.

 

We gebruikten de startbaan in westelijke richting en al direct begon de attractie. ‘Aan uw linkerkant voor u ziet u dat de boeren bezig zijn de asperges te oogsten; nog steeds allemaal handenarbeid. U ziet verderop de geometrische vlakken van zijn gemoderniseerde buurman. Ook de windmolens die destijds gebruikt werden voor de inpoldering zijn goed zichtbaar. Aan uw rechterhand voor u ziet u het stuwmeer met de elektriciteitscentrale en die enorme witte bergen zijn de zoutwinningsgebieden. We vliegen nu over een van de mooiste bruggen van Europa en even verderop kunt u de beide gebouwen zien die de tunnelingang aangeven. Kortom, een enorme diversiteit aan techniek. Kijk er maar goed naar, want hoe hoger ons gezichtspunt, hoe eenvormiger alles wordt.’ Ik realiseer me dat de gezagvoerder in een interview eens heeft onthuld dat hij zijn hele leven nodig had  om te accepteren dat het reizen per vliegtuig eigenlijk de meest eigentijdse vorm was. Hij heeft zich pas laten overtuigen toen hij in Griekenland Plato tegen was gekomen die hem wees op het wezen van de mens die als wagenmenner het stijgende en dalende paard in gareel moest zien te houden. Plato had in die context laten doorschemeren dat een mens met het stijgende paard een glimp zou kunnen opvangen van de eeuwige goddelijke werelden zodat men de wezenlijke ideeën weer kon herinneren van de voorgeboortelijke reis. Toch was de gezagvoerder nooit zo hoog gekomen. De luchtdichtheid daarboven maakt het spel tussen weerstand en opwaartse druk ongeschikt voor de huidige vorm van techniek. De gezagvoerder concentreert zich daarom meer en meer op het gebeuren daarboven, voorzover dat ervaren en gedacht kan worden.

 

Eén van de vaste rituelen daarboven is het terugzetten van de tijd. In Griekenland heerst nu eenmaal een andere tijd. Men moet zich daar op in stellen. De gezagvoerder vindt dit altijd het lastigste van de hele reis. Het gemak waarmee iedereen zo’n reis maakt, brengt een reiziger immers in een toeristische gemoedstoestand en daarmee zie je net niks. Een gezagvoerder heeft nog wel enig besef van de moeite die nodig is om in de tijd te reizen, maar ook hij wordt door allerlei instrumenten van zijn eigen wezenlijke tijdreis afgehouden. In plaats van de veiligheidsinstructies heeft hij daarom besloten dat het cabinepersoneel de reizigers eerst bewust moeten maken van de tijd. Onder de zitting van elke fauteuil is een vliegend tapijt aangebracht. Getoond wordt hoe dit vroeger gebruikt werd om zich door het luchtruim te verplaatsen. Alleen koningen en sultans waren hiertoe in staat, maar iedereen wist dat het kon. De gezagvoerder onderbreekt de instructie met een ‘Unten kunnen Sie die schön restaurierte Bastille in Paris schauen.’ De luikjes worden naar onderen geschoven en bijna iedereen  bewondert het uitzicht. Ook deze interruptie blijkt onderdeel van het ritueel, want het cabinepersoneel hervat onmiddellijk  de instructie. Na de Franse Revolutie werd iedereen gelijk en dus moest iedere burger kunnen wat koningen en sultans daarvoor konden. Iedereen moest dus kunnen vliegen. Het industriële tijdperk brak aan en de techniek nam een hoge vlucht. Zo is het allemaal mogelijk geworden dat u hier rustig van de ene naar de andere plaats vliegt. De instructie wordt afgesloten met een waarschuwing: het is niet de bedoeling dat iedereen het vliegend tapijt gebruikt in geval van nood, want het verschil met de vroegere tijd is dat men geestelijk in staat was om met een tapijt te vliegen, terwijl we nu materieel in staat zijn om dat te doen. Na het afschaffen van de geestelijke stand (die destijds al lang niet meer zo geestelijk was als ze zou moeten zijn om te kunnen vliegen) zijn niet alleen de geestelijken onthoofd, maar zijn ook de laatste resten van geestelijke inwijdingswegen in de vergetelheid geraakt. De broederlijke burgerij kon materieel gelijk worden aan koningen en sultans (en in feite gebeurde dat ook), maar ze hadden geen idee hoe ze zich geestelijk konden verrijken. Men heeft zich dus maar op het materiële gestort, dat was immers maakbaar en controleerbaar. Dat had de mens in zijn eigen hand. Zo kwam de arbeidende mens centraal te staan en werd de antwoordende mens vergeten. De mens stelt momenteel immers zelf zijn eigen wetten (is autonoom) en de mens maakt immers zelf de technische producten (is constructeur). Toen ik deze instructie voor het eerst meemaakte was ik oprecht verbaasd. Zou het cabinepersoneel echt geloven dat men vroeger op een tapijt gevlogen heeft? Nu weet ik dat het een voorbereiding is op wat de gezagvoerder gaat zeggen.

 

‘Liebe Damen und Herren’, zo begon hij en daarna kwamen zijn stokpaardjes. Dat niet alleen een modern verkeersvliegtuig gevaarlijk is, maar dat een vliegend tapijt vroeger ook gevaarlijk was. Dat het vergeten van andere mogelijkheden eigen is aan het tijdperk waarin men geboren is. Dat het dominant worden van een eigentijdse wijze van techniekontwikkeling, bijvoorbeeld het gebruik van een verkeersvliegtuig, actief meewerkt aan het vergeten van andere mogelijkheden. Ik moet er inderdaad niet aan denken om blootsvoets naar Griekenland te reizen, hoewel velen het voor mij gedaan hebben en het nog steeds kan. Misschien ben ik er geestelijk niet toe in staat, niet geduldig genoeg, niet overtuigd genoeg van de toegevoegde waarde voor mijn ziel. De gezagvoerder was inmiddels op het punt aangekomen waar hij betoogt dat de moderne techniek het hoogste gevaar vertegenwoordigt. Ik vind dat altijd wel komisch. Zo hoog als met de moderne vliegtechniek is immers nog nooit iemand geweest, behalve misschien Icarus, maar die heeft het niet overleefd. En dat de redding juist in dat hoogste gevaar gelegen is, volgt uit de analyse dat redding niet van de menselijke wil, maar van boven-menselijke machten moet komen. Hoe hoger je zit, hoe dichter je daarbij bent en hoe nietiger de mens daar beneden wordt. Elke keer realiseer ik me hoe paradoxaal dat verhaal in eerste instantie eigenlijk is. Enerzijds kan je als kind van je tijd niet anders doen dan datgene wat bij die tijd past. De oproep is dan om te antwoorden op de aanspraak van je tijd, je daarvan dus bewust te zijn, je niet onbewust mee te laten slepen door de tijd, want dan wordt je slaaf en dat is mens-onwaardig, kortom je moet gelaten en waakzaam wachten op andere, minder dominante en minder gevaarlijke tijden, want hoewel je de wind niet ziet, moet je immers precies weten vanwaar die komt en waar die heen gaat. Anderzijds kan je als mensenkind ook af en toe boven je zelf en dus boven je eigen tijd uitstijgen en meewerken aan een verandering van de tijd, want de tijden, dat zijn wij. De oproep is dan om zich niet alleen bewust te worden van andere tijden en mogelijkheden, maar om deze ook actief open te houden, te beoefenen. Ook al is het niet eigentijds en zal het niet op korte termijn dominant worden, door het te beoefenen en open te staan voor vernieuwingen en veranderingen in de aanspraak uit nieuwe tijden, kan er wel iets anders dominant gaan worden. En precies daarom vindt ik het jammer dat men de instructie altijd afsluit met een waarschuwing om het vliegend tapijt niet te gebruiken. Liever zou ik instructies willen krijgen hoe ik met zo’n ding wel een (nood)landing kan maken.             

 


5. Evaluatie en conclusie

 

Nu alle denkers hun opvattingen met betrekking tot de probleemstelling uiteen hebben gezet, kan er een vermoeden rijzen, dat de verschillende benaderingen elkaar niet uitsluiten maar aanvullen. Als conclusie is dit echter een voorbarige dooddoener. Het is eerder een begin van een nieuwe dialoog. Het integreren van verschillende opvattingen is immers niet eenvoudig. Nauwkeurig moet nagegaan worden wat men precies met de gebruikte concepten bedoeld, wat hun onderlinge samenhang is en of er sprake is van een filosofisch consistent geheel. Omdat ik een integratiepoging niet wil forceren kies ik in dit hoofdstuk voor de vorm van een virtuele dialoog met de zes denkers. In een gezamenlijk verstaan van opvattingen, thema’s en concrete voorbeelden wil ik toewerken naar beantwoording van de hoofdvraag en de vier deelvragen op een wijze die de denkers recht doen. De integratiepoging kan gezien worden als een persoonlijke actie, gemotiveerd door het vermoeden dat men op sommige punten van elkaar kan leren als het gaat om een beter begrip van de techniek als concreet, maatschappelijk en cultureel verschijnsel. De keuze voor een dialoogvorm berust echter niet alleen op een persoonlijke voorkeur, maar eerder op de meest geschikte vorm om een eenheid, als die al mogelijk is, te laten ontstaan vanuit de groep zelf.

 

De keuze voor een dialoog is dus niet een willekeurige. Edgar Schein onderscheidt een dialoog van een discussie door te wijzen op de structurele verschillen tussen beide.81 In een discussie blijft men bij de eigen standpunten en gaat het om een uitwisseling van meningen en woorden. In een dialoog probeert men de achterliggende aannames en veronderstellingen van de deelnemers boven tafel te krijgen zodat er begrip komt voor de andere standpunten en er zelfs een groepsverstaan mogelijk wordt. In de voorbereiding krijgt iedereen uiteraard uitgebreid de gelegenheid om zijn gedachten uiteen te zetten. In tegenstelling tot de discussie wordt men in die uiteenzetting niet gehinderd door vragen vanuit een ander (niet-immanent) taalspel. Het verslag in de voorgaande hoofdstukken kan derhalve dienen als basis, als uitgangspunt voor de dialoog. Voorwaarde voor een goede dialoog is wederzijds respect en een sfeer van vertrouwen. Het blootleggen van je filosofische vooronderstellingen geeft een gevoel van kwetsbaarheid. Om die reden is besloten om een externe criticaster in te zetten, die zowel bij voor- en tegenstanders van een bepaalde stelling, kritische vragen stelt. Als men zich aangevallen of boos voelt worden, projecteert men dat op deze ‘advocaat van de duivel’ waardoor een samen-verder-denken met de andere denkers niet geblokkeerd wordt. De andere externe deelnemer aan de dialoog is de voorzitter of gespreksleider. Zonder een al te sterke sturing aan de dialoog te geven is het zijn taak om de sfeer open te houden, zodat er naar elkaar toegewerkt wordt. Om dat te bereiken zal hij regelmatig de gezamenlijk bereikte standpunten als stellingen of conclusies verwoorden. Als er nog geen gezamenlijk standpunt geformuleerd kan worden kan de behandeling van het betreffende thema tijdelijk worden opgeschort. Voor het opschorten heeft de voorzitter enkele casussen achter de hand die een theoretisch toegespitste tegenoverstelling in een praktischer vaarwater kan brengen.  

 

Uit de voorgaande besprekingen van de denkers kwamen verschillende hoofdthema’s naar voren die voor de beantwoording van de hoofdvraag en de vier deelvragen van belang zijn. De voorzitter heeft deze lijst met thema’s aan de deelnemers en aan het publiek uitgereikt. (De deelnemers aan de dialoog zitten in een kring en op de tribune zit het publiek. Pas in de pauze mag het publiek schriftelijk vragen formuleren.) De hoofdstelling is door de voorzitter als volgt geformuleerd: ‘De klassieke techniekfilosofie zou veel kunnen betekenen voor een constructivistische benadering van de techniek’. Om een gezamenlijk begrip te kweken voor deze betekenis, de mogelijkheid ervan en de criteria ervoor zijn er een aantal thema’s boven komen drijven in de voorbereiding. In de eerste plaats gaat het om het thema van de begripsbepaling van techniek: wat bedoelen de denkers als ze het over techniek hebben? Praten ze eigenlijk wel over hetzelfde? Een volgend thema is de methode die men gebruikt om over techniek na te denken. Wat wordt er in de diverse benaderingen als gegeven verondersteld en wat wil men onderzoeken met welk doel en op welke wijze? In de derde plaats gaat het om het grootste struikelblok in de toenadering: de determinatie van de techniek. Wat bedoelt men daarmee, hoe werkt het en wat zijn de consequenties? Daarmee verbonden zijn de thema’s van ‘het sturen van techniek’ en de ‘menselijke autonomie’; het is immers de mens die zich de vraag stelt hoe techniek, haar ontwikkeling en haar maatschappelijke macht te sturen is? Een laatste thema betreft het andere struikelblok voor toenadering: wat is techniek eigenlijk? Daarmee ben ik weer terug bij de beginvraag, maar nu is een verdieping mogelijk. Ik kan nu doorvragen naar het wezen van de techniek, haar oorsprong of haar substantief, haar grondslag. Ik wil proberen ook rondom dit thema tot een wederzijdse bevruchting te komen en op een hoger plan een nieuw fundament voor techniekbeschouwing neer te leggen. De nadruk zal liggen op de waarde van de deconstructie in de constructivistische benadering en de vraag zal zijn wat het essentialisme kan betekenen voor de constructivistische opvatting over de grondslag van de techniek. Als er op dit meest fundamentele niveau een gezamenlijk verstaan mogelijk is, biedt dat perspectief voor een integraal verstaan van techniekbeoefening.

 

Uiteraard heeft de voorzitter zich goed voorbereid. Op enkele A4-tjes heeft hij de standpunten en hoofdthema’s gerangschikt. Ook heeft hij aangegeven wat zijn eigen opvatting is, zodat hij die zoveel mogelijk buiten de discussie kan houden. Aangezien ikzelf de rol van voorzitter en vragensteller op me neem, is er veel intern overleg geweest. Het verslag van de dialoog is beknopt weergegeven, want de vele dagen die de dialoog in beslag nam zouden honderden pagina’s vullen.

 

De voorbereidende A4t-jes van de voorzitter zijn aan de deelnemers en aan het publiek uitgedeeld en zien er als volgt uit.

 


techniek            

 

 

laagste, meest concrete niveau:

- voorwerp         - gebruiksvoorwerp      - gereedschap                      offerschaal/schop

- automaat        - apparaat                  - machine                           elektro-/verbrandingsmotor

- methode          - constructie                - gebruikersparticipatie        maken

 

 

middel, maatschappelijk niveau

- massaproduct   - vervlechting              - maatschappelijke impact   auto

- social system    - ingrijpen in natuur    - impact op leven                ontpolderen

- netwerken       - organiseren               - complexiteit                     elektriciteitsdistributie

- methode          - deling van arbeid       - procedureel werken            normatief handelen

 

 

hoogste, cultureel niveau

- paradigma       - tijdsbeeld                  - kijk op de dingen              transcendentale voorwaarde

- methode          - cultuurfilosofie          - inspiratie en transpiratie   uitvinden, waarmaken

 

 

 

technische problemen die leuk zijn: omkering rangeerlus, hotelschakeling met drie schakelpunten => als voorzitter gezag verwerven, misschien wel de enige techneut ???

 

 

technische artefacten die gaaf zijn: vrachtwagen: groot stoer, sterker dan mens, mooie werktuigbouwkundige constructies, slimme handigheidjes, aantal paardenkracht equivalenten => Heidegger uit tent lokken!!!

 

 

 

technische producten die niet bedoeld zijn voor gebruik: eeuwige klok, vormstudies, kunstobjecten, proefmodellen => Bijkers model openbreken!!!

 

 

technische systemen die sociaal vervlochten zijn: auto-garage-wegennet-verjaardagsvisites => Wijsgerige veronderstellingen van Latour eruit persen!!!

 

 

sociale systemen met technisch subsysteem: bedrijf of ziekenhuis met intranet of informatiesysteem => Verschil met Elluls systeembegrip helder zien te krijgen!!!

 

 

verschil ambacht en modern => methode? ontwerpfase? wetenschappelijke kennis?

WAAR is het creatieve moment? WAAR is het echte technische probleem?     => onderscheid ontwerpen en ontwikkelen?

 

 

maatschappelijke vervlechting ok, gebruikersparticipatie in ontwikkelfase ok, MAAR uiteindelijk maken technici vertaalslag en bedenken de technische oplossingen, DAARNA mag politiek, massamens, democratische inspraakrondes etc.  aan de slag

 

 


onderscheid niveau: artefact – maatschappij – cultuur  als  micro -  meso – macro?

- wat is onderlinge relatie? Paradigma zichtbaar in artefact? Artefact bepalend/bemiddelend in paradigma

- op welke grensvlak argumenteren de zes denkers: micro-meso of micro-macro of meso-macro?

 

 


Techniek: een van de factoren, leidende factor, dominerende factor, determinerende factor

- wat wordt gedetermineerd         - door wie/wat               - hoe werkt determineren precies?

 

 

Is er geen, een kleine of een te vergroten plaats van de individuele mens? Wat is wel en wat is niet te sturen door één mens?                   - Hoe werkt collectieve sturing?   

- Hoe anticiperen op neveneffecten?         - Hoe sturen van systeemeffecten?

 

 

Vanwaaruit wordt gedacht en geproblematiseerd? Technische producten, Menselijke ervaring, Maatschappelijke onrust, of Relatie mens-machine   - abstract versus concreet

                                                                                    - eenduidig versus divers             

 

(A4-tje met eigen opvatting is helaas zoekgeraakt)

 

 


dankwoord voor bereidheid tot participatie, respect voor elkaar en inzet in en voor huidige debat: gewoon doorgaan met dat wat je ten diepste goed vindt, af en toe boven jezelf uitstijgen en verwonderd lachen om de relativiteit van alles, maar toch blijven streven als Faust, maar dan wel Goethe waardig.


Schema 1  onderlinge relatie van benaderingen

 

Heidegger: wezen van techniek als beschikking van de tijd

                        TIJD

 

 


            Technisch Gebeuren

 

 

 

Ellul: determinatie van technisch gebeuren

                                                                                    politieke bluf

                              impact                                             reclame

technisch product                        maatschappij                

                             

                                                              nieuwe wensen en oplossen neveneffecten

 

 

Constructivisten: openbreken van techniek (en maatschappij)

 


Bijker:              menselijke          sociale              menselijke

                        actor                 relaties             actor

 

 


Latour:             niet-menselijke    netwerk            menselijke

                        actor                                         actor

 

 

Totaal:                        TIJD beschikt wezen van techniek als ontbergingswijze

                                                                                          Technisch Gebeuren

         techniek (met mensen)        mensen (met techniek)

 


                  hybride                          sociale                     politieke bluf

                  constructie                     constructie               reclame

                                      impact

 


                                                                                    nieuwe wensen

                                                                                    oplossen neveneffecten

                 normen (Achterhuis)   politieke machtsstructuur (Feenberg)
Schema 2  ontwikkelingsfasen artefact       

klassiek en constructivistisch

 

                                                                        efficiens

                                                                                                               

                                           Technici   finalis                    formalis                 materialis                             

                Probleem-                                           

                houders                                vertaling                idee                    keuzes                 keuzes            verificatie

                                                in technisch           ontwerp-                           uitwerking         bouw              (technische

                vragen/                  probleem                                alternatieven    ontwerp             prototype       test)

                 wensen

                                               

                Gebruikers                         gebruikersparticipatie Þconstructie’

                                                                                                                                                                               

                                meningen en normen                                            Product                                      (klassiek)

worldview                                                                                             (de)stabilisatie                          Product

en                                            paradigma (cultureel)

ervaring

                                handelen en machtstructuren

 


                assessment             gebruik                   implementatie       vervlechting      industriële      validatie

                lange termijn         onderhoud             marketing              inbedding          productie      (gebruikers

                (neven)effecten     bemiddeling           politiek                  aanpassing context                 test)

 

 

opmerkingen bij schema afvinken met betrokkenen en stapsgewijs naar publiek:

·                     voor klassieke techniekfilosofen is box Technici en box Product gesloten

·                     Heidegger wijst op paradigmatische mogelijkheidsvoorwaarden (het ‘stellen’ van de moderne mens)

·                     Heidegger wijst op het primaat van de efficiens en legt zelfs een link tussen 4 oorzaken en paradigma

·                     Ellul beschrijft vooral de ‘positieve feedback’ die de techniekontwikkeling voedt: reclame en marketing; voor hem is techniek de bovenste helft en technologie de onderste helft (en de middenruimte)

·                     Ellul geeft aan dat de aanpassing van context (mensen en organisatie) leidt tot problemen (effecten) die weer (technisch) opgelost moeten worden

·                     de constructivisten kijken alleen naar de terugkoppelingen tot ontwerp; zij openen de box dus maar gedeeltelijk

·                     de constructivisten, Heidegger en Ellul hebben leggen alle andere accenten, maar hoeven elkaar niet tegen te spreken; wel kunnen ze het naïeve spreken van de ander problematiseren of nader specificeren

 


(zittend in een kring tegen de klok in:

Wiebe Bijker, Bruno Latour, Andrew Feenberg, Hans Achterhuis,

Jacques Ellul en Martin Heidegger, vragensteller, voorzitter)

 

Het begrip techniek

 

Voorzitter: Geachte denkers, waardig publiek, er is al veel geschreven en gezegd over techniek, maar laten we eens beginnen met de vraag waar we het eigenlijk over hebben, wanneer we spreken over techniek.

 

Wiebe: Over de ontwikkeling van een fiets als een socio-technisch ensemble.

 

Bruno: Over een deur die je als menselijke actor niet twee keer op dezelfde manier open kan doen.

 

Andrew: Over het door gebruikers gehackte minitel-systeem in Frankrijk.

 

Hans: Over de zich ontwikkelende cyborg.

 

Jacques: Het gaat mij niet zozeer om techniek, als wel over technologie zoals reclamecampagnes en politieke legitimatie door het schermen met techniek.

 

Martin: De technische producten die ik genoemd heb zal ik hier niet herhalen, mij gaat het om het wezen van de techniek en dat is niet technisch.

 

Vragensteller: Op basis van jullie uiteenzettingen en zojuist gegeven antwoorden lijkt het er op dat iedereen een ander deel van het technisch gebeuren overdenkt. Wiebe werkt vooral aan een analyserende beschrijving  van de ontwikkelingsfase van techniek als menselijke constructies, Bruno is vooral geïnteresseerd in het samenspel van mensen en machines op het moment dat de werking van machines ter discussie wordt gesteld, Andrew belicht vooral de politieke dimensie van macht in dat samenspel, Hans wijst op de moraal die in machines geïncorporeerd zou kunnen worden, Jacques observeert voornamelijk de onvermijdelijke maatschappelijke effecten van steeds grootschaliger toepassing van techniek, en Martin tenslotte vraagt naar een soort mogelijkheidsvoorwaarde waaronder techniek zich kan ontwikkelen zoals ze dat in de moderne cultuur doet. Globaal zouden we dan kunnen vaststellen dat de eerste vier denkers zich de laatste tijd vooral richten op de techniek zelf (weliswaar in 4 verschillende benaderingen), terwijl Jacques zich richt op het begrijpen van de impact van techniek op de maatschappij: de rol die techniek speelt in het praten erover, en Martin de vraag stelt naar het wereldbeeld, naar een soort cultureel paradigma waardoor mensen techniek kunnen ontwikkelen zoals ze dat momenteel doen.

 

Laten we om het debat helder te houden deze drie niveaus onderscheiden:

1.      micro-niveau waarop techniek als artefact of als ensemble ontwikkeld wordt (en een stabiele vorm aanneemt),

2.      meso-niveau waarop techniek industrieel wordt vervaardigd, optimaal in de markt wordt gezet en geaccepteerd wordt door een zich aanpassende menselijke samenleving,

3.      macro-niveau waarop gevraagd wordt naar langdurige cultureel bepaalde ideeën en grondhoudingen van de mens ten opzichte van de wereld (natuur, dingen en mens).

 

Enerzijds is het een indeling in een kwantitatieve schaalgrootte en anderzijds in kwalitatieve aspecten:

1.      het micro-niveau onderzoekt de ene pc die door een team ontworpen en geproduceerd is en door een aantal mensen gebruikt wordt (techniek als constructie), terwijl

2.      het meso-niveau de pc analyseert als maatschappelijk verschijnsel: bijvoorbeeld het internet als netwerk van massaal geproduceerde pc’s, die steeds weer snellere processoren en grotere harde schijven krijgen en een ongekende reorganisatie van bedrijven en zelfs van complete maatschappelijke sectoren (diensten en transport bijvoorbeeld) ten gevolge heeft (techniek als maatschappelijk verschijnsel), en

3.      het macro-niveau bevraagt de pc als cultureel verschijnsel: in welke tijd leven we eigenlijk nu de meeste mensen in onze cultuur een groot gedeelte van hun privé- en werktijd doorbrengen achter een automatisch rekenend apparaat, dat we kunstmatig intelligent noemen en waarvoor we probleemloos alles digitaliseren zodat het in talloze bestanden kan worden opgeslagen totdat we het kunnen gebruiken (techniek als weerslag van een bepaalde tijd)?

 

Voorzitter: Kunnen jullie je vinden in zo’n indeling die eigenlijk door jullie zelf gesuggereerd wordt?

 

 

 

Het micro- meso- en macro-niveau

 

Wiebe: In tegenstelling tot Jacques en  Martin wil ik me nadrukkelijk wel met techniek bezighouden, techniek als constructie. Ik wil laten zien dat er allerlei keuzes gemaakt moeten worden tijdens de ontwikkeling van techniek en dat die keuzes mede bepaald worden door de maatschappelijke context waarin techniek geïntroduceerd wordt. In het ontwerpproces spelen allerlei belangen en opvattingen, gebruiken en ervaringen van managers en gebruikers een constituerende of constructieve rol. Het zijn mensen die met elkaar bezig zijn en waar al doende af en toe een bruikbaar product uit blijkt te komen.

 

Vragensteller: Dat is toch niets nieuws? Iedere techneut kan je vertellen dat het zo gaat, sterker nog ze zullen waarschijnlijk aangeven dat je de kern van de technische praktijk vergeten bent: het creatieve moment, de idee-fase. Jij gaat er zomaar van uit dat er een idee is, afhankelijk van de mate van inclusie in een technisch frame van oplossingen. Jij accepteert gewoon dat er constructeurs aan het werk gaan die niet creatief zijn. Een andere beperking van jouw benadering is dat je je niet afvraagt hoe de verschillende groepen mensen aan hun betekenissen komen; als je wil aantonen dat techniek stuurbaar is en als je aangeeft dat belangen en betekenissen de (sociale) constructie constitueren, ben je toch aan jezelf verplicht om na te gaan hoe die belangen en betekenissen gestuurd kunnen worden. In de derde plaats is het opvallend dat je methodologisch beperkt bent door cases achteraf te bestuderen, je komt daardoor niet tot beslissingsondersteuning voor beslissers op moment van beslissen. Kortom: de aandacht voor techniek is binnen de filosofie van de techniek misschien een eye-opener, maar echt aandacht voor de techniek is er nog niet.

 

Bruno: Ik wil techniek als techniek wel een rol geven, maar gewoon als actor naast de mensen. Brandstof, materiaal, onderdelen en ook een dieselmotor zijn allen actoren. Technische producten zijn eigenlijk nooit af, altijd wordt er iets met die producten gedaan en doen producten iets met hun omgeving, en dat geeft die producten of die omgeving weer een andere rol, waarde of functie. Het analyseren van al die actoren in de relationele netwerken die ze hebben opgebouwd helpt om de relatie van menselijke actoren en niet-menselijke te begrijpen.

 

Vragensteller: Dat klinkt al een stuk zakelijker en als we het constructivisme schematisch, dus sterk vereenvoudigd, zouden moeten weergeven dan ziet het er mogelijk als volgt uit:


 

                                                                       

                                                                                                               

                                           Constructeurs                       

                                                               

                                                                                idee                    keuzes                 keuzes            verificatie

                                                                                ontwerp-                           uitwerking         bouw              (technische

                                                                                alternatieven    ontwerp             prototype       test)

               

                                               

                Gebruikers                         gebruikersparticipatie Þconstructie’

                                                                                                                                                                               

                                                                                                                Product                                     Product

                                                                                                (de)stabilisatie                         stabilisatie

                                                               

 

                                               

 


                                                                                implementatie       vervlechting      industriële      validatie

                                                                                marketing              inbedding          productie      (gebruikers

                politiek                  aanpassing context                 test)

 

 

Figuur 1.  Constructivistische productontwikkeling

 

Voorzitter: Kunnen we vaststellen dat de constructivisten uitgaan van een groep mensen die iets willen en daarom met elkaar in gesprek gaan, iets gaan bouwen met de aanwezige middelen (menskracht, ervaring, geld) en die samenwerkingsverbanden uitbreiden op het moment dat een stabiel prototypisch ensemble de maatschappij ingaat, als massaproduct gemaakt wordt in samenhang met maatschappelijke veranderingen die dat proces van vervlechting en inbedding begeleiden. Een goede marketing kan er tenslotte voor zorgen dat de maatschappelijke vervlechting op grote schaal tot stand komt.

 

Vragensteller: Ik merk instemmend geknik bij Wiebe en Bruno, maar toch wil ik nog wat kritische vragen stellen bij het betoog van Bruno, waarin meer aandacht lijkt te zijn voor de niet-menselijke kant van de zaak, want juist die niet-menselijke actoren verbazen mij: eigenlijk kan je materiaal, dat als niet-menselijke actor mensen uitnodigt om gebruikt te worden, niet op één hoop gooien met de niet-menselijke actoren die automatisch werken, zoals een klok, een verbrandingsmotor of een computergestuurde machine. Ik heb het gevoel dat de ene niet-menselijke actor meer metaforisch acteert dan een andere. Verder is het goed-werken van black-boxen inderdaad afhankelijk van het gebruik en de gebruikers, maar dat laat onverlet dat er een technische werking van machines bestaat die gewoon technisch geverifieerd kan worden (weliswaar in de diverse interpretatiemogelijkheden binnen de technische discipline, maar in ieder geval voordat de black-box gesloten wordt). Een simpel voorbeeld is het Windows-product van Microsoft. Iedere informaticus weet dat het technische concept krom in elkaar zit en in de praktijk onstabiel is (klein foutje leidt tot grote gevolgen: alle programma’s opnieuw installeren). Toch doet Microsoft het in constructivistische zin goed: ze zijn immers marktleider. Het is echter opmerkelijk dat Bill Gates wel eredoctoraten krijgt in de economie, maar niet in de informatica. Je kan dus marktleider worden met een inferieur technisch product. Er is in die zin wel degelijk sprake van intrinsiek technische eigenschappen. Een ander voorbeeld, waar je zelf ook naar verwijst, is het ontwerp van een verbrandingsmotor zonder ontsteking: dat ontwerp is bedoeld voor de brandstof ‘diesel’ want benzine of gas heeft een apart ontstekingsmechanisme nodig. Het ontwerp anticipeert als het ware op een bepaald gebruik: niet alles is mogelijk en naast de gebruikers zijn het ook de (intrinsiek) technische eigenschappen (zoals de afwezigheid van een ontstekingsmechanisme) die medebepalend zijn voor het succesvol functioneren (een dieselmotor vergt minder onderhoud vanwege het ontbreken van een ontstekingsmechanisme dat als extra technisch subsysteem een kritisch onderdeel vormt en regelmatig ‘op tijd’ gezet moet worden). Bovendien is er binnen het technische domein onderscheid tussen machines die stabieler in elkaar zitten, minder randvoorwaarden vereisen, minder onderdelen bevatten of meer slijtvast zijn dan andere machines. Dat garandeert niet een beter functioneren, want daarvoor is meer nodig, maar het speelt wel degelijk een rol, zou ik zeggen. Intrinsiek technische eigenschappen, zoals een goede technische werking, kunnen dus wel degelijk (mede-) oorzaak zijn van economisch succes. Wat betreft het openen van black-boxen: dat wordt in het constructivisme niet technisch opgevat. Het gaat om het constructieproces dat geopend wordt en niet om de werking van een machine. Er wordt geen machine geopend. Sterker nog: een werkende machine kan soms niet geopend worden, denk aan een verbrandingsmotor. Wanneer men in het constructivisme het proces, het ‘worden’ benadrukt in plaats van een ding, een ‘zijn’, moet men toch ook de technische black-boxen buiten de (her)ontwerpfase, dus tijdens gebruik kunnen openen. Wat mij opviel aan de carburateur op de omslag van Andrews boek was dat ook die black-box in gesloten toestand getoond wordt.

 

Andrew: Het constructivisme inspireert, maar het is geen filosofie. Waar het mij in het constructieproces om gaat is dat elke politieke machtsstructuur als het ware de techniek krijgt die ze verdient, omdat techniek op zich een zekere neutraliteit heeft waardoor de machtsstructuur van een bepaalde maatschappij zich bijna vanzelfsprekend openbaart in de ontwikkelingsfase van technische producten en dus in de codes die men bewust of onbewust hanteert en realiseert in technische constructies. De verandering van top-down naar bottom-up machtsstructuren moet echter nog uitgewerkt worden naar de technische ontwikkelfase: er moet meer democratie in de techniekontwikkeling komen, dan zal er alternatieve techniek ontwikkeld kunnen worden. Overigens ben ik oorspronkelijk wel met het macro-niveau van de moderniteit en de rationaliteit van onze cultuur begonnen en via het meso-niveau van de maatschappelijke en politieke structuren nu naar het micro-niveau afgedaald om recht te kunnen doen aan de diversiteit van de technische producten en technische disciplines.

 

Hans: Voor mij is de problematiek op macro-niveau ook de aanleiding geweest om me met techniek bezig te houden. Opvattingen over schaarste en de nopende milieuproblematiek brachten mij naar de rol van culturele idealen die als utopieën en mythen het menselijk handelen onder een positieve spanning zetten. Toch is het gevaar van totalisering bijna ingebakken met dergelijke macro-benaderingen en ik ben me toen ook meer gaan toeleggen op de relatie tussen maatschappij en techniek. Als de techniek maatschappelijke impact heeft (en andersom) terwijl we die techniek toch zelf construeren, hoe moeten we dat construeren dan idealiter doen? Ik probeer tegenwoordig zo nuchter mogelijk naar techniek te kijken en daarbij hoop ik te ontsnappen aan de utopische verleiding die ik in een dik boek van me af heb geschreven. Op het mico-niveau moet het mogelijk zijn om allerlei culturele en sociale en morele factoren in te bouwen in onze invloedrijke technische producten waar al zoveel van onszelf in zit.

 

Vragensteller: Hoewel Andrew, getuige zijn verhandeling over Martin, en Hans, getuige zijn aandacht voor Jacques, de klassieke techniekfilosofen goed zouden moeten kennen, gaat men in het debat wel erg makkelijk om met de argumenten uit deze klassieke traditie. Als het wezen van iets gezocht wordt, moet men immers achter de diversiteit zoeken naar een meer eenvormige duiding en karakterisering. Wanneer je de tijd neemt om de variëteit in de plantenwereld aandachtig gade te slaan, blijf je je verwonderen over de diversiteit niet alleen in kleuren en vormen, maar ook in groei, aantrekking van insecten, overlevings-strategieën enzovoort. Toch kan je ook zoeken naar het wezen van een plant, naar een karakteristiek die de plant onderscheidt van een mens of dier. Zo hebben bijna alle planten een of andere vorm van foto-synthese en daarvoor is zon, water en kooldioxide nodig, hebben ze doorgaans groene bladeren en wortelen naar beneden in de grond. Dat zoeken naar universalia is al zo oud als de westerse wijsbegeerte en toch niet verassend of onjuist? Het zoeken naar de kracht achter de verschijnselen die planten en bomen overal doorheen doet groeien is toch ook legitiem? En als talloze voorbeelden gegeven worden van een technische dominantie in het aanprijzen en aanpakken van dingen, kan men toch niet eenvoudig stellen dat technische determinatie niet empirisch gefundeerd is. Kortom: door te suggereren dat iedereen die het over techniek heeft, ook hetzelfde bedoelt (bijvoorbeeld wanneer technologische determinatie weerlegd wordt met een verwijzing naar technische producten), dan doet men geen recht aan het interpreteren van andere denkers in hun eigen context. Ook naar filosofen moet men luisteren en hun gedachtegang vernemen in plaats van het eclecticistisch bouwen van een eigen constructie. Om de verschillende contexten van de denkers niet gefragmenteerd of geïsoleerd naast elkaar te laten voortbestaan, maar ze in relatie met elkaar te brengen stelde ik voor om drie niveaus te onderscheiden: het micro- meso- en macro-niveau.

 

Jacques: Als je met het verschil tussen micro-niveau en meso-niveau doelt op het onderscheid tussen techniek en technologie dan kan ik mij er wel in vinden. Wat ik echter wil benadrukken is dat mijn tegenzin om technische producten te analyseren niet komt door een of andere metafysische kijk op de dingen, want net als de empiristen ga ik gewoon af op wat ik observeer. In tegenstelling tot de empiristen kijk ik vervolgens naar de functie die techniek in z’n algemeenheid vervult in het geheel van de maatschappij. Het gaat mij om het verschijnsel techniek zoals mensen daarmee omgaan en dan doel ik niet alleen op de mens als gebruiker van een technisch product, maar meer op de wijze waarop onze zogenaamde vrije keuze wordt ingeperkt door een bepaalde voorstelling van techniek door de media en door een bepaalde argumentatie waarin met het argument van techniek wordt geschermd om mensen zo efficiënt en succesvol mogelijk tot een bepaalde keuze te verleiden. Wanneer men zich niet bewust is van dit gebeuren rondom de techniek, wat ik als technologie aanduidt, dan blijft de techniek zich in al haar diversiteit autonoom ontwikkelen vanwege de onkritische benadering van technologie op het meso-niveau.

 

Voorzitter: Graag geef ik de vragensteller de gelegenheid om ook deze benadering schematisch weer te geven.

 

Vragensteller: Natuurlijk wordt het ook weer sterk vereenvoudigd weergegeven, maar daardoor maakt het ook wel wat duidelijk. Het gaat in een deterministische opvatting vooral over impact van techniek op de maatschappij en over de wijze waarop mensen collectief (niet als gebruiker) met techniek omgaan. Daarin zit een onkritische stimulering van de techniekontwikkeling, bijna uitsluitend omwille van de techniek. Waar de constructivisten alles beschouwen als een ondoorzichtige poel van list en bedrog (soms bondgenootschappen, samenwerking en netwerken genoemd), wijzen de deterministen op een zichzelf versterkende loop in dat menselijk bedrijf. Het is alsof er in de chaos een orde ontstaan is, waardoor een keten is aan te wijzen van onderling afhankelijke en aansturende netwerkjes, en die keten sluit zich weer. Om die keten-werking te duiden, worden sommige bondgenootschappen onderscheiden van andere: de ene wordt techniek, de andere technologie genoemd. Techniek geeft aanleiding tot technologie (letterlijk: het spreken over techniek) en technologie stimuleert weer techniek, tenzij de mens inziet dat zijn bijdrage niet noodzakelijkerwijs die van een gehoorzaam meewerken met een bepaalde tijdgeest is (waardoor hij in feite als een onmachtige slaaf hard werkt en slechts beperkte vrijheden kent), maar kritisch wordt en de vicieuze cirkel doorbreekt. Als één persoon dit doet, is het effect op maatschappelijk niveau (de technologie) echter niet groot, maar het kan wel en het kan een begin zijn van een sneeuwbaleffect waardoor protestbewegingen uitgroeien tot maatschappelijke krachten die ook in staat zijn om eigen netwerken te bouwen. 

 

                                                                       

                                                                                                               

                                           Technici                                  

                Probleem-                                           

                houders                               

                                               

                vragen/                 

                 wensen

                                               

                Gebruikers                                                                                                                                        

                                               

                                meningen en normen                                                                                                (klassiek)

menselijke                                                                                                                                                  Product

onmacht                

 


                                handelen en machtstructuren

 


                assessment             gebruik                   implementatie       vervlechting      industriële      eerste

                lange termijn         onderhoud             marketing              inbedding          productie      prototypes

                (neven)effecten     bemiddeling           politiek                  aanpassing context                

 

 

Figuur 2:  Determinerende (uit)werking van techniek

 

 

 

Martin: Het onderscheid tussen micro- en macro-niveau zou overeen kunnen komen met het onderscheid tussen techniek en het wezen van techniek. Met de maatschappelijke vervlechting en systemische impact heb ik me niet zo bezig gehouden. Toch is het niet juist wanneer men mij uitsluitend in het macro-niveau situeert, want ik ben juist begonnen met de vraag naar techniek en wel in het ontwikkelproces. Ook ik ben begonnen met het openbreken van de technische producten als instrumenten en heb gevraagd naar het verzamelend bijeenbrengen door een kunstenaar of ingenieur van vorm, materie en essentiële functie. Voor zover ik begrepen heb van de andere denkers, vinden zij deze eerste stap al onnavolgbaar. In het ontwikkelproces van techniek gaat het maar steeds over de rol van de causa efficiens. Sommige betwijfelen of die mag domineren, anderen ontkennen en bewijzen met enkele concrete voorbeelden dat die niet domineert, weer anderen willen de eenduidigheid van het begrip ‘efficiëntie’ relativeren en alle partijen uitnodigen om hun opvatting van efficiëntie in te brengen in het ontwikkelproces, maar een verhandeling over de andere causa’s, laat staan over hun onderlinge relatie heb ik niet vernomen. Sterker nog: bij Wiebe bespeur ik zelfs een aversie om het over de causa materialis en formalis te hebben, laat staan over de causa finalis, behalve dan dat deze wordt opgevat als een subjectieve doelbepaling. Bij Bruno merk ik wel een openheid naar de rol van de causa materialis, maar dit wordt niet uitgewerkt: er wordt een gelijkheid van de causa’s gesuggereerd, terwijl het kunstenaarsvak juist blijkt uit de wijze waarop deze 3 oorzaken worden verzameld tot een product. Maar ook bij mij is deze eerste stap niet mijn eigenlijke vraag. Wanneer men immers de ambachtelijke techniek onderscheidt van de moderne techniek, dient men zich af te vragen waar deze nieuwe vorm van techniek uit voort komt. Om tot die vraag te geraken heb ik me afgevraagd wat de gemeenschappelijke grond is van de causa’s. Zo kwam ik bij het ontbergende karakter van alle techniek en bij de specifieke wijze van ontbergen door de moderne techniek, namelijk het opvorderen. De ontstaansoorzaak voor een dergelijke opvordering is het stellen van de wereld als bestel: als geobjectiveerde grondstof voor de subjectieve doelen die mensen met behulp van techniek nastreven. Deze moderne wijze van ontbergen zie ik als een beschikking, waar je in dit tijdbestek aan meewerkt. Ik heb daar geen ethisch oordeel over, behalve dat het nu zo is. Waar ik wel op gewezen heb is het gevaar dat verbonden is aan dit opvorderen: als men niet oppast wordt de mens vroeg of laat ook opgevorderd.

 

Voorzitter: (vragend knikje naar de vragensteller voldoet: het derde figuur wordt geprojecteerd)

Bij de substantivisten gaat het vooral om de oorsprong van techniek. In termen van de constructivisten wordt er doorgevraagd naar de oorzaken van al die netwerk-activiteiten. Waarom verzamelt men wat en met welk doel? Waarom voor dat doel en waarom uitgerekend op dat moment en niet enkele eeuwen eerder? Vervolgens wordt gezocht naar een gemeenschappelijke grond in al die oorzaken: er ontstaat tenslotte iets met techniek, er wordt niet zomaar iets bestaands veranderd (cultuur als omvorming van natuur), er wordt ook niet zomaar iets handigs toegevoegd aan het menselijk instrumentarium, maar er wordt een nieuwe werkelijkheid zichtbaar. Er wordt een geheim geopenbaard. Dat is de magie van de tovenaar. De werkelijkheid wordt beschouwd in een andere hoedanigheid omdat de werkelijkheid veranderd is en zich anders toont, of waardoor de werkelijkheid anders wordt en zich anders gaat tonen en vervolgens anders beschouwd wordt. Dit kip-ei probleem wil ik hier slechts aanstippen en niet verder bediscussiëren, want het gaat om de ontsluiting van de werkelijkheid: dat is waarheid als onverborgenheid. 

 

                                                            efficiens

                                                                                                               

                                           Technici   finalis                    formalis                 materialis                             

                                                               

                                                verzamelen            uitwerking            bouw           ontwikkeling          product

                                                van                         ontwerp-                                ontwerp                                      

                                                oorzaken

               

                                               

                                               

                                                                                                                                                                               

                                meningen en normen                                                                                                (klassiek)

worldview                                                                                                                                                 Product

en                                            paradigma (cultureel)                          TIJD     

ervaring

                                handelen en machtstructuren

 


                Gebruikers

 

 

 

Figuur 3:  Substantivistische oorsprong van techniek

 

 

Explanans en explanandum

 

Voorzitter: Wanneer we deze benaderingen nu over elkaar heen leggen lijkt er een coherent plaatje te ontstaan van allerlei zaken die met techniek te maken hebben. Als centraal gezichtspunt in de schema’s hebben we gekozen voor de constructie van technische producten, omdat we uiteindelijk de eventuele betekenis van de (klassieke techniek-)filosofie voor het constructivisme duidelijk willen krijgen. Er zit echter een addertje onder het gras van een totaalplaatje. Men kan wel allerlei verschillende zaken van het technisch gebeuren onderzoeken zonder elkaar te bijten als het gaat om het te onderzoeken object, maar als de methode verschilt, kan er van een coherentie eigenlijk geen sprake zijn. Qua focus kan men elkaar wellicht aanvullen, maar inhoudelijk hoeft er nog geen overeenstemming te zijn over wat men wil onderzoeken en wat men (per se) niet wil bevragen.

 

Vragensteller: Om het methodisch onderscheid van de verschillende benaderingen aan te scherpen ben ik benieuwd naar de wijsgerige vooronderstellingen van ieder van u. In concreto is een eerste vraag: ‘wat neemt men als gegeven en wat wil men verklaren’ en vraag twee is: ‘welk verklaringsprincipe hanteert men en welke empirische gegevens worden in de beschrijving of verklaring geweven?’

 

Voorzitter: Graag een kort en bondig antwoord.

 

Wiebe: Ik ga uit van actoren die op een bepaald moment een technisch raam kunnen construeren waarin ze een bepaalde graad van inclusie hebben. Een technisch product waarvan men op een gegeven moment zegt dat het goed werkt is datgene wat verklaard moet worden. Echt verklaren doe ik eigenlijk niet, van begin af aan is mijn pretentie geweest om te beschrijven en niet zozeer om te verklaren. Actoren kunnen ideeën, ontwerpen, belangen of oplossingsstrategieën hebben, dat zijn voor mij gegevenheden. Het hoe en waarom daarvan problematiseer ik niet. Het gaat mij om de constructie als proces achteraf te kunnen beschrijven, met als doel  om de suggestie van een noodzakelijk eenduidig en lineair verloop van dat proces te kunnen weerleggen.

 

Bruno: Mijn gegevenheden zijn de bondgenootschappen tussen menselijke en niet-menselijke actoren; hoewel die steeds aan verandering onderhevig zijn, vraag ik niet naar het hoe en waarom van die bondgenootschappen. Mijn verklaringsprincipe zou kunnen luiden: actoren streven naar bondgenootschappen die hen uitkomen, ofwel waarvan de actor denkt dat die nuttig voor hem zijn. Eigenschappen van technische producten verklaar ik aan de hand van de gevormde bondgenootschappen, ze zijn een resultaat en niet een oorzaak van het gedrag van actoren. Maar ook ik ben meer geïnteresseerd in het proces van theorievorming dan in het vaststellen van een theorie.

 

Andrew: Voor mij is een bepaalde tijd en een bepaalde historiciteit een gegeven. Wat ik wil verklaren is de macht van de techniek. Ik ga er van uit dat macht politieke macht is en dat de techniek bestaande politieke machtsstructuren bevestigt en versterkt. Mijn verklaringsprincipe is de neutraliteit van de techniek ten opzichte van dergelijke machtsstructuren en de openheid binnen de techniek voor het opnemen van deze structuren. Ik verklaar hiermee twee zaken: techniek bevat politieke macht, maar ook: techniek bevat niet noodzakelijkerwijs een heersende politieke macht.

 

Hans: Voor mij zijn technische producten en menselijke dromen gegeven. De vraag voor mij is: hoe moet ik daarmee leven? ‘Mens-zijn’ is niet eenvoudig in de spanning tussen bestaande techniek die door de mens zelf ontwikkeld wordt en bestaande mythen en utopieën die het streven van de mens richting geven. Vragen naar moraal en normativiteit staan bij mij eigenlijk centraal.

 

Jacques: Ik wil het verschijnsel techniek verklaren. Als gegevenheid ga ik uit van technische producten en van de noodzakelijke fit tussen een technisch product en de organisatie van de context. Ik constateer dat sociale verschijnselen zoals menselijke relaties, instituten en maatschappelijke orde, zich aanpassen aan techniek, daarmee vertrouwd raken en weer ontvankelijk worden voor nieuwe vormen van techniek die ze zelf mede initiëren, omdat ze in de gewijzigde context noodzakelijk of wenselijk geworden zijn. Daar spelen allerlei andere mensen weer op in, onder andere met reclametechnieken en zo ontstaat een zichzelf versterkende werking wat ik de autonomie van de technologie heb genoemd: ‘technologie als positieve feedback voor techniek’ heeft men het wel eens genoemd.

 

Martin: Verklaren is niet gegrond in een vrome levenshouding, terwijl het mij nu juist gaat om een wijze van denken en van filosoferen waarin de werkelijkheid weer van zich laat horen. Deze openheid, deze vroomheid komt in de filosofie tot uitdrukking in het stellen van ware vragen. Grondvragen kunnen leiden tot het ware, het onverborgene en mijn aanname, zo u wilt, is dat alles een grond heeft. De grond van de techniek kan bevraagd worden door uit te gaan van haar verschijning en dan doorvragen naar haar oorsprong. Waarom worden er bondgenootschappen gesmeed, waarom heeft men die en die opvatting, wat zit daar achter? Hoe kunnen we anders zicht krijgen op het ware gevaar van een bepaalde tijd en op de ware redding voor die tijd?

 

Vragensteller: Dat klinkt alsof iemand een hond aan het africhten is en strenger wordt naarmate de hond minder gehoorzaamt. Het echte gevaar is niet dat de hond de man een keer gaat bijten, maar dat de hond op een bepaald moment alleen nog maar menselijke agressie kent en geen relatie met een mens kan aangaan en dus niet langer ontvankelijk is voor wat een mens wil. De hond zal zijn baas dan ook als hond gaan behandelen en ook al wordt de baas dan niet gebeten, zijn menszijn is die baas bezig te verliezen. Je moet dus doorvragen: waarom behandelt de baas zijn hond zo en is er een andere mogelijkheid. Welke rol kunnen bijvoorbeeld de signalen van de hond spelen en hoe kan je die als mens vernemen?

 

Martin: Dat hoeft dan inderdaad niet talig te zijn in de menselijke zin van een filosofische verhandeling, maar het vraagt wel een andere grondhouding van de mens.

 

Case: de Russische ommekeer

 

Voorzitter: Wat mij opvalt is een grote verscheidenheid aan datgene wat als gegeven en datgene wat als te verklaren wordt beschouwd. Toch lijken de echte onderlinge aanvallen en weerleggingen teruggevoerd te kunnen worden op ‘slechts’ een verschil in niveau en een verschil in wat men verklaren wil op basis van veronderstelde gegevenheden. We zouden de dialoog kunnen beëindigen met de vraag of we de diverse benaderingen kunnen integreren in een schematisch geheel. We schorten deze concluderende aanpak echter nog even op om aandacht te geven aan een concrete situatie. In de dagelijkse praktijk hebben we immers met een eenheid van situatie of gebeurtenis te maken en ik ben benieuwd hoe een ieder van u  zo’n concrete situatie benadert. Aan de hand van een welgekozen voorbeeld zal mogelijk duidelijk worden of we inderdaad te maken hebben met verschillende kanten van één zaak, of dat er wezenlijke verschillen en onverenigbare elementen in de diverse betogen zitten. Vorig jaar werd er in de krant een kort verslag gedaan van de afloop van de slag bij Vologda boven Moskou.98 Reeds in 1933 werd Stalins enthousiasme gewekt voor het idee van Krzjizjanovski (een gedreven communist die belast was met de elektrificatie van het arbeidersparadijs) om de natuurlijke stroming van de grote rivieren in Rusland om te keren. Het noorden van de Sovjet Unie was namelijk nat en koud, terwijl het zuiden dichtbevolkt, maar kurkdroog was. Deze ‘weeffout van de natuur’ moest door de Sovjet wetenschap en techniek hersteld worden. Tienduizend ingenieurs hebben aan het superproject gewerkt, maar in 2000 werd geconstateerd dat het project was doodgebloed. Heren, wat ging er mis? U kent allen de ins en outs van het project; graag uw analyse.

 

Wiebe: Er was niet één plan, ook was er geen eenduidigheid over de te volgen strategie. Men wilde in het oosten de loop van de Irtysj omdraaien naar het zuiden en vandaar een kanaal graven naar het Aralmeer dat snel opdroogde. Ook wilde men de Petsjora rivier door middel van een verbindingskanaaltje aan laten sluiten op de zuidelijke stroom van de rivier naar Perm en in het westen moest de rivier van het Bjelojemeer naar het Onegameer worden omgekeerd zodat het water via de Wolga naar de Kaspische Zee zou kunnen. De Tweede Wereldoorlog vertraagde de uitvoering echter en het was Brezjnev die het plan in de zestiger jaren weer uit de kast haalde. Een van de kopstukken van het ombuigproject is de ingenieur Velikanov. Hij had een hoge inclusie in het raam van de omkering van rivieren. Met vijftig andere wetenschappelijke centra had hij een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid rapporten gepubliceerd. Volgens Velikanov zou de omkering in Europees Rusland de redding kunnen betekenen van de flora en fauna van de Wolgadelta, waar de vis- en vogelstand terugliepen door uitdroging. Dat was ook de reden dat hij geadviseerd had om in het westen te beginnen en wel met de omkering ter hoogte van sluis nummer 7. Alleen daar is men begonnen en alleen dat begin is stilgevallen en verder is het nooit gekomen.

 

Bruno: Het project is mislukt vanwege de zwakke bondgenootschappen tussen de Sovjetbestuurders lokaal en regionaal. In 1985 begon men daadwerkelijk met de omkering van de rivier Dvina: grote bulldozers en machtige graafmachines (10 kuub per greep) waren rondom sluis nummer 7 begonnen met het verplaatsen van de nodige grond. Door extra dammen in de rivier op te werpen en het water vervolgens met geweldige pompen naar een hoger gelegen riviergedeelte te pompen kon men de stroming omkeren. Per jaar zou er 60 kubieke kilometer water worden overgeheveld. In 2000 zou het project afgerond kunnen zijn. Maar toen ging de Sovjet Unie wankelen. Plaatselijke partijbonzen gingen het project tegenwerken en de adviseurs kregen te horen: onderzoek wat je wilt, maar geef uiteindelijk een negatief advies. Het omkeerproject zou namelijk het einde betekenen van het jachtgebied van de plaatselijke elite.

 

Andrew: Als de oorlog er niet tussen was gekomen was het project doorgezet als een technisch hoogstandje van de Sovjet Unie en geheel uitgevoerd in lijn met de top-down hiërarchie van het communistische machtsapparaat. Uitgerekend toen de Sovjet Unie uit elkaar viel en dus de politieke machtsstructuur verdween zag je het plan veranderen. Lokale partijbonzen grepen in het project de eigenlijke macht en toen werden er opeens ook andere geluiden vanuit de bevolking vernomen. Allerlei protestgroepen lieten hun mening horen en het hele stupide technocratische plan ging van tafel. Hoewel de politieke verandering niet leidde tot alternatieve technologie, toont het wel hoezeer de techniek afhankelijk is van de heersende machtstructuren.

 

Hans: Het is natuurlijk vreselijk als je ziet hoeveel maagdelijke grond opgeofferd had moeten worden aan zo’n technisch hoogstandje. Anderzijds, als je er de flora en fauna mee kan behouden in een groot riviergebied is dat toch ook wel wat waard. Enerzijds kan je stellen dat het uiteenvallen van de Sovjet Unie debet is aan het mislukken van het project, maar anderzijds had zo’n project een enorme herleving van de Sovjet-identiteit kunnen geven. Ook in Rusland moet de werking van de technische utopie niet onderschat worden. Het was een van de chefs van het project die letterlijk zei: ‘Toch is het jammer dat de werken destijds niet zijn doorgegaan; de Sovjet Unie had de crisis van de jaren tachtig te boven kunnen komen door te bouwen. Het is een natuurwet dat een wankelende beschaving nieuwe energie kan putten uit grote bouwprojecten.’ Toch zijn het juist de schrijvers geweest die van het project een prozject hebben gemaakt: een onrealistisch utopisch project. Schrijvers hebben het bezongen als ‘memorabeler dan de Egyptische pyramiden’ en lang leve de ‘Sovjet-mens die in staat is als dompteur der natuur de loop der rivieren om te keren’. Ik denk dat je de oplossing moet zoeken in het ontwikkelen van technieken die op een ‘natuurlijke’ wijze het water van noord naar zuid laat stromen.

 

Jacques: Altijd wordt het argument van techniek gebruikt voor eigen doelstellingen van politici: eerst is het de communistische top die wil scoren met een technisch plan dat getuigt van grootheidswaanzin, daarna zijn het de lokale partijbonzen die technici laten zeggen dat het niet haalbaar is omdat men op het privé-jachtterein wil blijven kunnen schieten op elanden en beren. Niemand die in de duizenden rapporten aandacht heeft voor alle slagerijen in de omgeving waarvan alle slagers omgeschoold moesten worden tot betonmolenkracht, nergens een assessment waarin werd voorspeld dat de kolchozeboeren weg zouden trekken vanwege de arbeidsbehoefte op de waterwerken. Alle collectieve boerderijen zouden doodbloeden. Ja, het is goed dat er geprotesteerd is. Vooral op lokaal niveau kan je soms iets voor elkaar krijgen. Of het echt helpt? Inderdaad is het project stopgezet, maar alleen omdat het economisch slecht ging, als er weer geld komt wordt het plan ongewijzigd uit de ijskast gehaald en alsnog uitgevoerd. Technische alternatieven zijn er niet en een Amerikaans ontwerp zou er precies zo uit hebben gezien, om over alternatieven voor een technische aanpak maar helemaal te zwijgen. Wel ben ik door dit soort gebeurtenissen optimistischer geworden over de mogelijkheden en de impact van lokale protestorganisaties.

 

Martin: Het zijn de liriki geweest, de dichters, die het tegen de fisiki, de natuurkundige ingenieurs, hebben opgenomen. Wat een prachtig voorbeeld: de rivier en de ommekeer. Precies toen men in 1985 begon te graven, waren het de dichters die Velikanov verweten dat hij ‘Moeder Rusland ging verkrachten en dat hij geen oog had voor de Russische cultuur en natuur’. Kennelijk was daar nog een besef van de moderne wijze van ontberging: het is niet een tevoorschijn brengen door middel van techniek al luisterend naar en in verbondenheid met de natuur, maar een tevoorschijn vorderen onverschillig ten opzichte van natuur en mens. Geen ontsluiting van gegeven natuurkrachten, maar verkrachting. Nadat zo’n besef verwoord is, ben je echter nog niet veel verder, want je moet je afvragen wat inderdaad de Russische cultuur is: is die inmiddels al niet in wezen zo technisch geworden dat dit niet alleen in Europa maar ook in Rusland de heersende wijze van cultuurbeoefening is geworden? Waar het mij om gaat is niet zozeer de uitkomst: dat men het project gestopt heeft, tijdelijk of voorgoed, ook niet welke andere vorm het straks mogelijk krijgt, maar dat de stem van de liriki naast die van de fisiki gehoord blijft worden. De mogelijkheid van een andere verhouding tot de natuur kan en moet openblijven, ook al zal die onder de huidige beschikking niet zo snel dominant worden. Weet u overigens hoe de Russen zelf hun onderneming noemden? ‘Perebrosjka’ en dat betekent eigenlijk letterlijk: het optillen en elders neersmijten, in dit geval van watermassa’s.  

 

Technische determinatie

 

Voorzitter: Ik vind het allemaal erg boeiend wat jullie te berde brengen, en ik denk dat we inderdaad kunnen concluderen dat jullie verschillende kanten van eenzelfde zaak beschrijven. Jullie kunnen elkaar dus qua focus en qua inhoud aanvullen als je in staat bent uit je eigen taalspel te stappen en de beperkingen van je eigen methode te zien. Na het vaststellen van de onderlinge aanknopingspunten is het een goed moment om over te gaan op de controverses die bij andere gelegenheden zo vaak domineren. We beginnen bij de determinatie van techniek. Is het voorbeeld van de Russische ommekeer der rivieren nu een voorbeeld van technische determinatie of niet? Wie mag ik het woord geven?

 

Andrew: Nee, het toont juist dat een andere politieke machtsverhouding medebepalend is voor de vorm en het succes van dergelijke technische ingrepen.

 

Wiebe: Juist op het micro-niveau zijn er zeer veel verschillende technische varianten bedacht en in diverse rapportages uitgewerkt; er is dus geen rechtlijnige eenduidige technische determinatie.

 

Hans: Het hangt er toch vanaf op welk niveau je kijkt: op micro-niveau zijn er inderdaad variaties denkbaar en maakbaar, maar het ontwerp op meso-niveau zal toch altijd grote maatschappelijke veranderingen vergen.

 

Jacques: Dat is precies waar ik op doel: het blijven altijd de machthebbers die hun mening met technische argumenten (al zijn het non-argumenten) larderen en in een democratie blijft het de massamens die zich door de massamedia laat bedotten. In de technologie zal er niets veranderen en daardoor blijft de autonomie van de techniek in stand. Niet omdat die techniek zelf autonoom is, want men kan nog steeds eigen doeleinden stellen aan het gebruik van producten, maar omdat de mensen in het gebeuren rondom techniek niet kritisch zijn en zichzelf en anderen van alles wijs blijven maken, daarom blijft technologie de ontwikkeling van techniek stimuleren. De rol van de mens is wel degelijk van belang, sowieso op micro-niveau, maar ook op meso-niveau, alleen de impact zal op meso-niveau vooralsnog klein zijn, zolang de onvoorziene neveneffecten van geïntroduceerde techniek weer zonodig met andere techniek opgelost moet worden. Dit ‘moeten’ komt weer van de technologie: het spreken over techniek en technische oplossingen. Dit is een menselijk spreken, weliswaar door techniek verleid tot een dergelijke gedachte, maar het is niet noodzakelijk om hier als individu in mee te gaan. Een mens kan in zijn eigen leven anders kiezen, maar of een maatschappij dat ook kan? Iedereen heeft elke week de mogelijkheid om zijn afvalcontainer buiten aan de weg te zetten, maar dat is geen verplichting: je kan een keer overslaan. Toch is het collectieve gedrag zeer voorspelbaar: het geheel van huishoudelijk afval bedraagt alleen al voor Nederland 500 miljoen ton per jaar en het gemiddeld aantal containers dat aan de weg staat varieert nauwelijks. Enerzijds komt dit laatste door een intrinsieke eigenschap: leven in een moderne maatschappij levert per persoon gemiddeld een bepaalde hoeveelheid afval op en een container kan slechts een bepaald maximum aan afval bevatten. Wanneer het constructivisme dergelijke technische eigenschappen van systemen niet erkent mist ze echt bepaalde verschijnselen. Maar waar het mij om gaat is dat alle afwijkingen en lokale verstoringen van het systeem, bijvoorbeeld door een buurman die 3 weken op vakantie is, of een buurvrouw die haar tuinafval in de container van haar buurman gooit, geen verandering in het collectieve gedrag laat zien. De reden hiervoor is dat iedereen zich massaal heeft aangepast aan de afval-ophaaldienst per container en daarbinnen zijn keuzemogelijkheden, zo u wilt.  

 

Voorzitter: Ik heb u maar even aan het woord gelaten, al was het wat langer dan de anderen, maar u bent tenslotte degene die vooral het begrip ‘technische determinatie’ heeft geïntroduceerd en alle weerleggingen aan heeft voelen komen, vandaar deze gelegenheid. Ik begrijp uit uw betoog dat er op meso-niveau sprake is van een gedetermineerd zijn door technologie, zolang men collectief onkritisch blijft. Vanwege deze opening, of dit voorbehoud wil ik voorstellen om in het vervolg te spreken van een dominantie in plaats van een determinatie. Verder gaf u in een tussenzin een sneer terug naar het constructivisme en ik zou aan Wiebe en Bruno willen vragen hoe zit het met de dominantie van het technische op micro-niveau.

 

Wiebe: ? Die is er niet: het gaat om wat de betrokken mensen ervan gemaakt hebben.

 

Bruno: Het technische is er wel, maar of het dominant is hangt af van wat de mensen ervan gaan maken. Menselijke actoren kunnen dominant zijn, dat wil zeggen erg veel sterke bondgenootschappen hebben afgesloten, en uit mijn symmetrie-eis volgt dat niet-menselijke actoren dus ook dominant zouden moeten kunnen zijn, maar waar het mij om gaat is dat er altijd sociogrammen nodig zijn, bondgenootschappen met menselijke actoren, om een gesloten black-box operationeel te maken.

 

Jacques: Dat klinkt veel te versluierend en is daarom misleidend. Menselijke actoren worden door niet-menselijke actoren uitgenodigd, akkoord. Maar welke keuze hebben de menselijke actoren vervolgens? Overal waar het technische domineert, heeft het ook de waarden aangepast en daarom is het vanzelfsprekend dat ieder gezin wel een auto moet hebben, ook al beslissen ze om op bepaalde momenten met de fiets te gaan, en daarom wordt het door niemand echt ter discussie gesteld dat men eens in de 5 jaar een andere computer moet kopen.

 

Wiebe: Dat mag dan op grote schaal wel zo zijn, maar de ontwikkeling van sociaal-technische ensembles wordt niet eenduidig en lineair door de techniek bepaald. Dat heb ik meer dan eens aangetoond.

 

Hans: Als ik Jacques beluister, kan ik mij inderdaad niet aan de indruk onttrekken dat hij ook op micro-niveau een eenduidige en autonome techniek predikt; wat bedoel je anders met de ‘one-best-way’. Het is toch de efficiëntie en alleen de norm van de efficiëntie die volgens jou de techniek ontwikkeling bepaalt?

 

Jacques: Het spreken over ensembles in plaats van producten doe ik al vanaf mijn eerste boek over de techniek; niet alleen omdat het een Frans woord is voor ‘het tot een geheel verzamelen’, maar ook omdat ik techniek niet geïsoleerd wil zien van de mensen die in het maken en in het gebruik met die techniek verweven zijn. Dat is juist een van de kenmerken van de moderne techniek: in tegenstelling tot de technische producten uit de ambachtelijke tijd, behelst de moderne techniek een geheel van methoden waartoe men op wetenschappelijke (of rationele) wijze gekomen is en die altijd efficiëntie brengt (wat dat in een bepaalde context ook inhoudt) in alle vormen van menselijk handelen. Dat de efficiëntie zo’n centraal principe is geworden komt omdat het rationaliseringsproces zuiver formeel is, niet gericht op menselijke of maatschappelijke waarden of normen en daarom de waarde overneemt die door de techniek zelf vereist wordt. Veel uitvindingen en verbeteringen van uitvindingen hebben immers te maken met een efficiënter gebruik van materiaal of brandstof. Zo las ik onlangs dat de Japanners kubusvormige meloenen hadden gekweekt om die efficiënter te kunnen stapelen en vervoeren! Wat men in een bepaalde context efficiënt noemt kan uiteraard verschillen: als een drukbezet manager zijn weekje kamperen met het gezin beschouwt als noodzakelijke rustpauze om het werk vol te houden, is zelfs dat efficiënt. Waar het mij echter om gaat is dat allerlei andere waarden expliciet gelegitimeerd moeten worden, terwijl dat voor efficiëntie niet het geval is. Resultaat daarvan is dat men als individu na veel wikken en wegen kan besluiten om een nieuwe computer of auto aan te schaffen, maar dat dat op maatschappelijk niveau een collectief gedrag laat zien waardoor de techniekontwikkeling (onbedoeld) exponentieel gestimuleerd wordt. Zelfs met de beste wil van de wereld krijgen we de uitstoot van kooldioxide niet naar beneden, hoewel er talrijke verbeteringen op product-niveau zijn aangebracht, denk bijvoorbeeld aan de katalysatoren op auto’s. Als ik de indruk wek dat auto’s zichzelf verkopen kan je dat ridiculiseren door een auto in een woestijn neer te zetten: die wil niemand hebben want je komt er niet ver mee. Maar wanneer men een televisie in China heeft neergezet, worden de mensen ter plekke verleid en zullen er alles aan doen om hun maatschappij zodanig in te richten dat dat ding gaat functioneren enzovoort. Waarom zegt niemand: zo’n aanpassing van onze leefomgeving, dat moeten we niet en waarom zegt niemand in het westen: onze techniek, die hoort daar niet. Het is een vanzelfsprekendheid, zelfs een collectief ethisch goed gevoel om onze ‘rijkdom’ uit te delen, zoals we dat destijds met het katholieke geloof in Amerika gedaan hebben...       

 

Het sturen van techniek

 

Voorzitter: Als we vaststellen dat de techniek in brede zin een zeker mate van autonomie bezit, zoals ook het fysische en economische in hun eigen domeinen wetten stellen die niet herleidbaar zijn, en als we vervolgens vaststellen dat het technische een dominante rol in onze maatschappij speelt, dan is toch de angel van het determinisme eruit gehaald. Kortom: zolang de mens maar niet geheel gedetermineerd is door de techniek, is er toch ruimte voor menselijke creativiteit en dus voor alternatieven en daarmee voor sturing van techniek? Kan een mens de techniek nu sturen of niet? En zo ja, hoe dan en in welke richting? Ik heb de indruk dat de constructivisten vooral naar de structuur kijken en de essentialisten naar de richting van de (technische) ontwikkeling. Toch de vraag aan iedereen: is de richting van de ontwikkeling (menselijk) maakbaar? Kan de mens techniek sturen?

 

Wiebe: Ja, door betrokken te worden in de ontwikkelfase want daar wordt techniek (op micro-niveau) gevormd en hoe vindt die sturing plaats? Tja, dat hangt af van de mate van inclusie in het technisch raamwerk van alle betrokkenen. Het hangt af van de aanwezige ideeën van de betrokkenen, als men geen idee heeft houdt het op; dan kiest men waarschijnlijk voor een conservatieve oplossing: meer van hetzelfde. Dat zou je wellicht een technische default kunnen noemen, maar geen dominantie en zeker geen determinatie.

 

Bruno: Ja, je stuurt door gewoon betrokken te zijn. Door medestanders te vinden voor je eigen ideeën vergroot je de kans op succes, maar je weet het nooit, je zult het toch moeten uitproberen en dan blijken de sterke en zwakke knopen van het hele netwerk waar het product in functioneert. Er is dus wel sturing, maar niet altijd in de richting die één actor wenst, het hangt van veel (f)actoren af. Sturing is alleen achteraf te constateren.

 

Vragensteller: Op micro-niveau is er dus wel sprake van een richting, maar deze wordt niet gethematiseerd en ook niet geproblematiseerd. Ik wil op dit punt de dialoog wat aanscherpen. Het constructivisme houdt dus de mogelijkheid van sturing open om die achteraf te kunnen beschrijven, maar ze kan een gekozen richting niet verklaren, laat staan dat ze kan helpen in het maken van een keuze. In die zin handhaaft ze de neutraliteit van de techniek: iedere betrokkene mag zijn eigen richting bepalen, maar waar het geheel uiteindelijk op neerkomt kan je pas na enige tijd empirisch vaststellen. In de praktijk zal het dus de beste netwerker zijn die wint en niet degene met het beste idee of de meest integere oplossing, want met de constructivistische methode is dat alleen maar achteraf te bepalen. Men zegt zelfs niet of het goed is of slecht dat de beste netwerker wint, men beschrijft slechts (objectief) wat er gebeurt. Door deze (inmiddels wat naïeve) handhaving van de neutraliteit en de objectiviteit worden de processen op meso- en macro-niveau versterkt, zo heb ik begrepen uit de argumentatie van de klassieke techniekfilosofen.

 

Andrew: Wanneer er inderdaad geen plaats is voor een intrinsieke finaliteit, handhaaf je de neutraliteit en daarmee sta je open voor andere leidende machten en dat kan het grootste politieke zwaargewicht zijn of degene die de grootste mond heeft, degene die kennis heeft of degene die kennissen heeft. En wat betreft die objectiviteit: empirische studies verklaren inderdaad nog niets, ze geven ‘alleen maar’ een beschrijving van standen van zaken. Een beoordeling of normatieve benadering kan ook niet zomaar ingevoegd worden in een empirische methodologie. Eigenlijk is de geproclameerde empirische wending gebaseerd op een (filosofisch gezien) nogal naïef begrip van empirie. Men suggereert dat men alleen sociale verschijnselen kan bestuderen zonder door te vragen naar het ‘ding-an-sich’. Uit angst om metafysisch te worden zoekt men niet naar datgene wat achter de verschijnselen zou kunnen zitten, terwijl de natuurwetenschappen toch een aardige synthese bewerkstelligd heeft tussen het empirische en het rationeel-causale.

 

Hans: Dat is precies wat ik tegen Jacques heb: hij zegt ook dat hij alleen maar empirisch observeert, maar ondertussen suggereert hij wel een noodzakelijkheid. Als hij observeert dat de menselijke keuzevrijheid (vanuit een meso-niveau gezien) zeer beperkt is en er dus eigenlijk niet is en dat in het vervolg verwoordt als: ‘er is geen keuzevrijheid’, dan kan dat wel als beschrijving worden opgevat, maar iedereen interpreteert het als een noodzakelijkheid. Het lijkt wel of het ontbreken van normativiteit in een zogenaamde objectieve beschrijving wordt gecompenseerd door de lezer die er de normativiteit dan zelf maar in legt.

 

Vragensteller: Waarom verwijt je dat Jacques en niet tevens Bruno? De suggestie dat de beste netwerker wint, roept menselijke actoren toch ook op om dan maar de beste netwerker te worden. In die zin zijn beschrijvingen soms self-fulfilling prophecies. Taal is niet alleen passief, maar ook actief. Misschien heeft het toch een reden dat Martin zo zorgvuldig formuleert en zijn normatieve uitspraken zowel wit als zwart schildert. (Martin glimlacht en de overigen overwegen of dit compliment ironisch bedoeld is.)

 

Martin: De rationele benadering heeft niet alleen de empirie bevrucht, maar ze is zelf op haar plaats gezet door Schopenhauer, die onder het rationele van de voorstelling, de wil heeft aangewezen als drijvende kracht achter al het gebeuren. De blinde wil (onbewust, zo u wilt) die bovenindividueel is, maar wel door ieder individu zelf te ervaren is, maar niet samenvalt met zijn eigen subjectieve wil, heeft in onze moderne tijd alles met techniek te maken. Zoals Andrew de politieke machtsstructuren in de techniek gematerialiseerd ziet, zo zou je wellicht Nietzsches ‘wil tot macht’ en ‘de eeuwige wederkeer van hetzelfde’ aan moeten wijzen in de concrete technische verschijnselen.(p.378)36 

 

Voorzitter: We hebben nu aan de constructivisten gevraagd naar de richting in hun structuuranalyse en geconstateerd dat ze wel de vrijheid van het menselijk handelen benadrukken, maar methodisch geen normativiteit toelaten en daarmee geen bijdrage kunnen leveren aan een sturing van techniek. Ze bieden de mogelijkheid tot sturing, om achteraf te kunnen vaststellen welke richting het opgegaan is. In die zin lijken ze Jacques bij te vallen: dat een mens wel handelt, maar dat de gevolgen van zijn handelen onvoorspelbaar zijn en het dus geen zin heeft om te denken dat bewuste sturing mogelijk is. Aan de deterministen en essentialisten willen we vervolgens vragen: als jullie de richting van techniekontwikkeling op grotere schaal thematiseren, wat is dan de structuur van die techniek of technologie? Stel dat je opteert voor een andere richting, hoe kan de techniek dan in die richting gestuurd worden?

 

Jacques: Door de rol van de mens in het geheel te zien. Je zou de structuur van het proces waarin de technologie autonoom en dominant wordt kunnen schematiseren in cybernetische termen. Dan zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen dat zodra de techniek automaten produceert, de mens die producten gaat gebruiken en daardoor het handmatig beoefenen verleert. De mens wordt zodoende afhankelijk van automaten die meestal door anderen gemaakt en onderhouden worden en om die afhankelijkheid te compenseren gaat men afspraken maken. Deze maatschappelijke aanpassingen worden vervolgens geoptimaliseerd, waardoor er meer van de automaten verwacht gaat worden. Tevens wordt de wederzijdse afhankelijkheid tussen organisaties juridisch dichtgetimmerd. Verder krijgen we een uitgebreid arsenaal aan middelen en daar gaan we weer doelen voor verzinnen. Dit is een positieve feedback op de ontwikkeling van een technisch product. Het kan ook zijn dat er onvoorziene bijwerkingen ontstaan door de introductie van een technisch product, waardoor men naar andere technisch oplossingen gaat zoeken om die neveneffecten te voorkomen of op te heffen. Dit kan een negatieve feedback zijn op een specifiek technisch product, maar het blijft een positieve feedback voor de technische ontwikkeling als geheel. Wanneer onderlinge afspraken en afhankelijkheden zo complex worden dat ze niet meer te overzien zijn door één persoon ontstaat het gevoel van onmacht en terecht: een netwerk met systeem-effecten is niet eenvoudig te sturen. Wil men toch sturen dan is de eerste stap: het erkennen van het systeemkarakter van de technologie en het bewust worden van het proces waarin technologie onafhankelijk van een individuele normativiteit, dus autonoom, doorgaat. De technische determinatie kan pas doorbroken worden als men gaat zien dat het een dominantie van het technologische betreft (dan ziet men immers de andere niet-technische aspecten) en vervolgens dat de dominantie door een complex collectief in stand gehouden wordt en dat in dat collectief individuele mensen zitten. Een krampachtig verbeteren van de wereld is dus onrealistisch: men ziet dan niet de beperkte mogelijkheden van een individu in een collectief, maar niets doen is ook onrealistisch want dan negeert men die configuratie van het netwerk waarin een enkele vlinder de storm in Japan kan veroorzaken.

 

Hans: Sturing van techniek op micro-niveau vind je dus niet wezenlijk, terwijl je sturing op meso-niveau alleen maar ziet in een soort ascese: zonder techniek hetzelfde doel bereiken.

 

Jacques: Nee, het gaat mij niet om een ‘terug naar het paradijs zonder technologie’, zelfs niet naar een ‘realisering van een utopisch paradijs’, maar om het blijven leven in de drukke en moderne stad, alleen met een gezond bewustzijn dat de technische isotoop meer en meer dystopische trekken vertoont omdat sociale utopieën technisch worden ingevuld en verwerkelijkt.

 

Voorzitter: Er is in jouw analyse dus geen perspectief voor de techniek zelf, alleen de mens moet veranderen en wellicht dat daardoor de autonomie en dominantie van de technologie (ooit) doorbroken wordt. Dat brengt ons op het volgende thema: de rol van de mens. Is het immers juist niet de veronderstelling dat een mens voor alles verantwoordelijk is en alles zou moeten veranderen oftewel alles kan maken, kortom, is het juist niet de autonomie van de mens die geleidt heeft tot het overmoedig ontwikkelen van techniek die we al dan niet onder controle menen te hebben? Martin, wat zou jij daar als essentialist over willen zeggen?    

 

De menselijke autonomie

 

Martin: Allereerst zou ik een opmerking willen maken over de term ‘essentialisten’. U verwijst daarbij naar mij en ik heb gemerkt dat u niet de enige bent die dat doet en mijns inziens ten onrechte. Zoals ik nadrukkelijk heb aangegeven is het wezen van de techniek zoals dat zich ontvouwt langs de weg die ik geschetst heb, niet hetzelfde als de essentia van techniek. Het wezen is een werkwoord, een gebeuren: het wezen weest. Ik was daarom juist verheugd dat u steeds over ‘substantivisten’ spreekt. Dat duidt immers op de grond der verschijnselen, dat wat er onder ligt en de fenomenen draagt. Iets minder gelukkig ben ik met de term substantivisme, maar het uitleggen wat ik tegen –ismen in het algemeen heb gaat voor deze dialoog misschien wat ver. Terug daarom naar uw vraag. Sturing van techniek gaat op alle drie de niveaus over techniek in relatie met de mens. Op het macro-niveau kan de technische autonomie niet gedacht worden zonder een tegenoverstelling met menselijke autonomie. Als ik spreek over autonomie van de techniek doel ik niet zozeer op een onafhankelijkheid ten opzichte van het economische, maar ten opzichte van het menselijke. Er is iets in de techniek dat het menselijk bereik overstijgt en dat is het wezen van de techniek zoals dat in een bepaalde tijd dominant is. Het dominante van de moderne techniek vloeit voort uit de beschikking van deze tijd (en het bepalende voor een bepaalde tijd is per definitie dominant). In die zin is het eigenmachtig willen van de mens beperkt. Waar op het micro-niveau de technische artefacten gemaakt worden, heeft men op meso-niveau geprobeerd de maatschappij op eenzelfde wijze te maken. Dat is nog maar ten dele gelukt. Zoals mijn leerlinge Hannah Arendt al aangaf: op het maatschappelijke vlak gaat het eerder om handelen dan om maken.(p.17)5 Wellicht zegt het constructivisme dit met hun eigen vocabulaire: nu technische producten een steeds grotere impact op de maatschappij hebben, kan men zich inderdaad afvragen of het technisch maken van producten ook niet meer en meer een (onder)handelen vereist. Waar het mij echter om gaat is het macro-niveau. Zowel maken als handelen veronderstellen een gebeuren. Vanuit de menselijke kant van dit gebeuren is er sprake van een streven, of een willen. Met Nietzsche zie ik dit willen van de mens als het bepalende element in onze cultuur. De wil tot kennen is een wil tot macht geworden. Het is de macht van het voorstellen, die in de moderne wetenschap en techniek gerealiseerd wordt. Deze wil wil zichzelf en daardoor wordt de dominantie inzichtelijk. De wil van het moderne menselijke subject en de idee van de menselijke autonomie daarin is het contrast voor de technische autonomie. Eigenlijk staat autonomie altijd in relatie, in contrast met iets anders, het zegt niet alleen dat iets zijn eigen wetten stelt, maar ook en misschien wel vooral dat daardoor bepaalde andere actoren geen of nauwelijks wezenlijke invloed hebben op dat proces van normen stellen.

 

Vragensteller: Is dat nu juist niet het zwakke punt in uw betoog: de rol van de mens, de plaats van het moderne subject en de behandeling van de menselijke autonomie. Juist door het menselijk subject zo tegenover het (technische) object te plaatsen, wordt de subject-object verhouding versterkt. En door het benadrukken van de menselijke wil in het technische gebeuren, wordt de mens alleen maar meer schuldig verklaard of ter verantwoording geroepen, terwijl vanuit de mens als subject toch geen heil te verwachten is in uw gedachtegang?

 

Martin: Er zijn ook hier twee kanten aan de medaille: zojuist noemde ik de menselijke kant: het willen, er is echter ook een kant aan het gebeuren dat buiten de mens ligt en dus ook buiten het menselijk willen. Net zo goed als de natuur een grens stelt aan het natuurkundig willen in wetenschappelijke theorievorming via technische experimenten, stelt het gebeuren een grens aan het menselijk willen. Dit is de onmacht van het willen. Hier is nu mijn levensparadox: wezenlijke verandering van techniek kan ontstaan wanneer de mens zich ophoudt in dit niet kunnen willen. Niet de gerichtheid van de wil op iets anders, maar de ontvankelijkheid en de gelatenheid brengen de mens in een andere grondstemming van waaruit een wezenlijk andere techniek kan ontstaan. Door contemplatie kan je los komen van de wil die vanzelfsprekend is en daardoor onzichtbaar kan heersen. In het verrassend eind van Hans’ laatste boek, geeft hij op authentieke wijze aan wat dat voor hem betekent: een lange (deels dromende) ontworsteling aan de utopisch/dystopische verbeelding die een belangrijk deel van het westerse denken beheerst. (p.394)4 

 

Vragensteller: Zo’n contemplatieve rol voor de mens heeft wel wat. Als technicus heb ik liever dat alle mensen hun dromen dromen en mij lekker laten knutselen, dan dat ze zich met mijn werk gaan bemoeien. Als ik een leuk technisch product maak, kan ik daar erg veel plezier aan beleven, maar zodra allerlei mensen het gaan gebruiken of zich menen te moeten mengen in het onophoudelijk uitbreiden van de functionaliteit gaat de aardigheid er al snel af. Dat fanatiek opschroeven van de eisen en het continu veranderen van wat men eigenlijk wil, zonder echt te weten wat men wil, werkt vaak contra-productief op de ontwikkeling van techniek. Als men stelt dat de mens weer verantwoordelijk moet worden voor wat hij maakt, hou ik mijn hart vast. De techniek is betrouwbaarder dan de mens. Laat de techniek maar meer en meer taken van de mens overnemen, dan kan de mens zich meer en meer bezinnen.

 

Jacques: Het probleem is nu juist dat de mens in een technische tijd niet meer weet hoe dat contemplatieve leven geleefd moet worden en er ook de zin niet meer van inziet, terwijl hij toch een belangrijke schakel is om het opvorderend willen te doorbreken en aandacht te geven aan een rustig moment van meditatief luisteren en antwoorden. 

 

Voorzitter: Kunnen we, om het thema van de technische determinatie (of dominatie, en de daarmee samenhangende sturing van techniek en menselijke autonomie) voorlopig tot een afronding te brengen, vaststellen dat er ook wat dit thema betreft sprake is van een schijngevecht. Iedereen is het er immers over eens dat er op het niveau van de technische constructie vele vormen mogelijk zijn. Op dat vlak is er dus geen determinatie, al moet men de verleiding van de efficiëntie-norm niet laten domineren tijdens de constructiefase. Dat is in de praktijk overigens lastiger dan in theorie, want hoewel gebruikersparticipatie al enige decennia in praktijk gebracht wordt, is er nog maar nauwelijks nagedacht over de wijze waarop het technische en het niet-technische in de ontwerpfase (de onderhandelingsfase, zo u wilt) in concrete situaties samen zouden moeten gaan. De constructivisten laten achteraf wel zien dat er strijd was en wie er gewonnen heeft, maar geven geen aanwijzingen via welke spelregels het spel eigenlijk gespeeld zou moeten worden. Er zijn alleen maar principes voor constructivistisch onderzoek, geen filosofische begeleiding van het construeren zelf. Zelfs met goedwillende en verlegen technici kan er in constructieprocessen een technische arrogantie ontstaan die onnodig is en waar men niet doorheen lijkt te kunnen breken. Onlangs heb ik een assessment uitgevoerd van een project waarbij waarnemende huisartsen inzage wilden hebben in de dossiers van patiënten.95 Onderdeel van het project was de ontwikkeling van een elektronisch communicatie systeem, dat de dossiers uit de ene computer naar een andere computer moest overhalen. Uit de assessment bleek dat er door allerlei op zich verdedigbare keuzes een technische dominantie was ontstaan, waar de huisartsen die in het project participeerden, ontevreden over waren, en als noodgreep zich in de techniek gingen verdiepen (om technisch tegengas te geven) en toen het spel verloren, terwijl ze medisch en organisatorisch sterke argumenten hadden. 

 

De ervaring van een determinatie op maatschappelijk niveau wordt vooral veroorzaakt door de soms dominante rol van techniek in economie, politiek en veel andere sectoren. Hoewel niet iedereen deze determinatie overtuigend vindt en men ook hier beter kan spreken van een technische dominantie (waarvoor nader onderzoek geboden is naar de concrete werking ervan), strijdt het niet met een constructivistische opvatting. Het zou strijdig zijn met de principes van de constructivisten als de dominantie als dogma gepredikt zou worden, maar we hebben gezien dat het juist een conclusie is na breed onderzoek naar de collectieve werking van allerlei verwevenheden tussen mensen en niet-mensen en dergelijke conclusies zijn voor de constructivisten voorbarig: het valt (nog) buiten hun scope. Nader onderzoek is geboden om het belang van deze dominantie op meso-niveau voor het micro- en macro-niveau aan te geven. Ook bij Jacques is de dominantie van techniek geen norm, maar een constatering. Hij is hierin descriptief en niet prescriptief. Als de dominantie van techniek benadrukt wordt, doet hij dat alleen om de mensen bewust te maken van hun rol in de continuïteit ervan. Het kan dus anders, als mensen zich collectief bewust worden van de werking van dergelijke maatschappelijke processen in een maatschappij die als een geheel functioneert, waarin dus kleine wijzigingen op de ene plaats een reeks consequenties zou kunnen hebben op een andere plaats. De onbedoelde uitkomsten van collectief gedrag in een maatschappij waar de mens systematisch alles met alles verbindt en de onbewuste sturing die daarvan uitgaat, ook voor nieuwe menselijke constructies, zullen de ervaring van een systeem-dominantie voorlopig nog wel levend houden. Die (ervaring van) dominantie kan zelfs bevestigd en versterkt worden wanneer techniek wordt opgevat als een menselijke constructie. De suggestie dat uiteindelijk de mens (als individu of in teamverband) iets construeert wat techniek genoemd zou kunnen worden, is een halve waarheid zolang er niet bij verteld wordt dat die mens tevens als massa-mens een (impliciete) rol speelt in het collectieve gedrag van een maatschappij. Als de menselijke rol in allerlei constructies wordt benadrukt zonder structureel aandacht te geven aan de (mogelijk omgekeerde) effecten die onderhandelingsresultaten hebben bij collectief gebruik op maatschappelijke schaal, is men wel een nieuwe en veelbelovende weg ingeslagen, maar met een nogal beperkt zicht. Zolang men zich deze beperking realiseert, voegt men weliswaar iets toe aan het filosoferen over techniek, maar zolang men pretendeert hiermee techniek als maatschappelijk verschijnsel te kunnen beschrijven is men een enigszins naïeve gesprekspartner geworden. Ook voor de constructivisten is het dus nodig om de grenzen van hun eigen taalhorizon bewust te worden en desgewenst uit te breiden, zodat niet alleen onderhandeling en onderhandelingsresultaten worden onderzocht, maar ook onbedoelde (bij)werkingen van de complexe verwevenheden die we ondertussen hebben gerealiseerd. Daarnaast zou een interessant thema voor de constructivisten zijn: hoe bepalend is de verleidende uitnodiging van niet-menselijke actoren naar menselijke actoren als collectief? Laten we ons als menselijke actoren in de onderhandeling niet inpakken door de vanzelfsprekende overtuiging en verleiding van technische mogelijkheden, waardoor een gevoel van verraad kan ontstaan op het moment dat we geconfronteerd worden met de prijs (effecten die we ongewenst blijken te vinden) die we voor die verleiding hebben moeten betalen.  

 

Op het macro-niveau van de westerse cultuur is er ook eerder sprake van dominantie dan van determinatie. Het dominante op dit niveau is de wijze waarop techniek een werkelijkheid openbaart (opvorderend en bestellend). Het is geen determinatie omdat ook een vorige wijze nog mogelijk is (antwoordend tevoorschijn brengen) en zelfs beoefend moet blijven worden om die dominantie te voorkomen. Waar de rol van de mens in het technisch gebeuren op micro-niveau evident is, wordt die op meso-niveau al een stuk lastiger, omdat we ons nauwelijks bewust zijn van collectief gedrag in een systeem-context met haar gevolgen. Op macro-niveau is de rol van de mens echter nog veel moeizamer in te zien. De tijd beschikt een bepaalde wijze van techniek en dat gaat gedeeltelijk buiten het menselijk willen om, maar anderzijds is het de mens die medebepalend is voor de verandering der tijden. Deze paradox wordt in oude en andere culturen als mythen overgeleverd. De goddelijke wereld wordt ervaren als boven de tijd staand en de verhouding tussen de goddelijken en sterfelijken wordt dan een terugkerend thema. Zo is het vermetele gevecht van de Griekse mens tegen het noodlot en de goden herkenbaar in de Griekse mythologie en in de herontdekking van de Griekse tijd heeft het christelijke westen geworsteld met de paradox van Erasmus’ vrijheid en Luthers gebondenheid. Voor onze moderne tijd is nader onderzoek geboden om deze paradox leefbaar te maken. Het gaat in de moderne tijd om de vraag hoe bepalend het wezen van de techniek is voor de creatieve vrijheid van de mens. We willen onze dialoog dan ook voortzetten met een nader onderzoek van het wezen van de techniek volgens het substantivisme.

 

Het technisch substantivisme

 

Voorzitter: Op voorhand wil ik u waarschuwen: het zal niet gemakkelijk worden. Wanneer we vragen naar het wezen van iets, naar het ‘zijn in de zijnden’, heeft de persoon die dergelijke thema’s ter sprake brengt reeds opgemerkt dat we nu in een tijd leven waarin dat Zijn juist vergeten is. Willen we weer iets daarvan in herinnering brengen, dan zullen we eerst terug moeten in de tijd om daarna weer in onze eigen tijd uit te komen. Het zal dus een reis door de geschiedenis worden; de geschiedenis van onze cultuur, en toegepast op ons onderwerp: de geschiedenis van de techniek. De vraag naar het wezen van iets vraagt naar een oorsprong, een oer-grond en, net als in de natuurkunde en biologie, men gaat daarvoor terug in de tijd. Onze aandacht voor de geschiedenis van de techniek kan echter beknopt blijven, omdat we de geschiedenis (slechts) met één filosofische vraag benaderen: Wat is het wezen van de techniek en wat kan dat betekenen voor een constructieve benadering van techniek? Voor alle duidelijkheid: we zoeken het wezen van de techniek dus niet in de overeenkomsten van de uiterlijke diversiteit van de technische producten. Die veelkleurigheid en rijkdom aan vormen en principes is immens. Stalen zeilboten, plastic motorkappen, waterdichte sateliet-telefoons, wortelnoten dressoirs, ultra-compacte discs met urenlange speelfilms, enzovoort, enzovoort. Nee als we het wezen van techniek zoeken, dan toch in een centrum, in een kern. Als opmaat voor een dialoog over het ‘het technisch substantivisme’, onze tweede controverse, stel ik voor om weer een case te bespreken. Het doel van deze case is helder te krijgen waar de controverse precies ligt en hoe we die kunnen aanpakken. We vragen daarmee naar het substantivisme vanuit het constructivisme. In een concrete menselijke constructie vragen we naar het technisch wezen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag: kan ik van een concreet technisch product bepalen welk wezen het heeft? Is het wezen van techniek openbaar in menselijke constructies?

 

Bruno: Dat is geen vraag vanuit het constructivisme. Die vraagstelling is juist in onze ogen een verwerpelijke, want je veronderstelt dat er een gesloten technisch product is en dat ga je dan van buitenaf bekloppen en bevragen. Bovendien zoek je naar iets wat je wilt aantonen, je gaat er dus van buitenaf iets inleggen om het eruit te kunnen halen. Als methode is dat niet handig en het resultaat is per definitie nogal dubieus.

 

Martin: Ook ik vind de vraagstelling verwerpelijk, maar om een andere reden. Het suggereert dat er een algemeen wezen is dat ten grondslag ligt aan alle technische verschijningsvormen in een bepaalde tijd. Als substantief behoort het wezen echter niet tot de essentia of universalia in de middeleeuwse zin van het woord, maar is het wezen de dragende grond van de verschijnselen. Bovendien is het niet zo dat ik eerst een intuïtief onderscheid heb aangebracht tussen ambachtelijke techniek en moderne techniek om vervolgens het algemene van de moderne technische producten als het moderne wezen van de techniek te bestempelen. Dat zou een metafysische cirkelredenering zijn. Ik onderscheid twee soorten waarop techniek ‘weest’: twee soorten van ontbergen. De moderne tijd wordt gekarakteriseerd door een bepaalde wijze van ontbergen. Dat sluit andere wijzen niet uit, die zijn alleen niet typerend voor deze tijd. Er kunnen ook nu dus nog vormen van technische producten zijn die voortkomen uit de ambachtelijke wijze van ontbergen. Zo heb ik het voorbeeld van de molen genoemd, die men nog steeds in werking kan zien, maar die is niet typerend voor de huidige tijd.

 

Hans: En de moderne windmolens dan?

 

Case: de windmolen

 

Voorzitter: Ja, laten we de moderne windmolen eens als case nemen. In allerlei debatten en artikelen over de filosofie van techniek wordt wel vaker het argument gebruikt dat de vraag naar het wezen van een concrete menselijke constructie een verkeerde is, maar ik wil daar wel eens een uitgewerkt bewijs van zien. Om een klein beetje tegemoet te komen aan jullie bezwaren, herformuleer ik de vraag als volgt: hoe ‘weest’ een moderne windmolen als menselijke constructie?

 

Martin: Het zou interessant zijn om dat eens zorgvuldig te analyseren. Een eerste verschil met de vroegere molens is het gebruikte materiaal, waardoor moderne molens veel hoger en groter kunnen zijn.

 

Hans: Is de grootte dan bepalend voor het moderne wezen? Is het de overschrijding van de menselijke maat, de Griekse hubris? In mijn visie bepaalt de grootte van een apparaat wel de sterkte van de beoordeling: is men positief over techniek in periode van vooruitgang, dan geldt ‘hoe groter hoe mooier en stoerder’, is men kritisch tegenover techniek dan geldt de grootte van machines als maat voor de oneerbiedigheid. De aanwezigheid van machines en hun afmetingen blijven hetzelfde, maar de betekenis en beoordeling ervan in een utopie kan zo omslaan in een dystopie en andersom. Grote graafmachines worden bezongen, maar kunnen een moment later vervloekt worden.

 

Martin: Het gaat mij niet om een bepaalde maat die als grens zou kunnen gelden voor de techniek, hoewel de tendens tot verfijning en vergroting in de technische ontwikkeling ingebakken lijkt. Als een vergroting of uitbreiding echter voortkomt uit een oneerbiedige houding ten opzichte van bijvoorbeeld de natuur, dan is dat typisch modern.

 

Jacques: Zo’n verband tussen de afwezigheid van eerbied en een grootschalige toepassing van techniek zie ik ook. De moderne technologie reduceert alles tot middel. En dat kan alleen maar als je geen respect, geen eerbied voor de dingen meer hebt. De secularisatie is voorwaarde voor het onbekommerd reduceren van dingen, planten, dieren en mensen tot middelen. Ik ga zelfs nog een stapje verder: door deze desacralisering wordt datgene wat desacraliseert zelf sacraal. Anders blijft er niets heiligs meer over. Daarom krijgt de techniek zoveel eerbied en is men zo onkritisch. Daardoor kan het zich zo autonoom ontwikkelen tot één groot samenhangend systeem.

 

Martin: De moderne windmolens staan inderdaad niet op zichzelf, maar zijn verbonden in een netwerk.

 

Hans: Dat was toch voorheen ook al zo: de molens die het grondwater op peil hielden stonden in een lange reeks aan één dijk.

 

Martin: Dat lijkt me al een verschil met moderne molens: die kunnen overal staan en dus staan ze waar de windvang optimaal is. Het gaat immers niet om een energie-omzetting ter plaatse waar het nodig is, maar er wordt energie omgezet in een transporteerbare vorm en die elektriciteit wordt toegevoegd aan het wijdvertakte elektriciteitsbestand. Het is aardig dat men er nu maar een paar neerzet, maar als men de volledige elektriciteitsconsumptie met windmolens zou willen genereren, dan krijgen we een kunstmatige horizon waarbij Kinderdijk slechts kinderspel is. De levering aan een bestand van energie dat de mens ter beschikking moet staan is typisch modern.

 

Vragensteller: Maar dat er slechts een paar staan geeft toch aan dat er in de maatschappij iets anders aan de hand is. Kennelijk heeft de milieubeweging zoveel in gang gezet dat er een bepaald percentage ‘groen’ gegenereerd moet worden. Dat is toch positief te waarderen omdat het wijst op een toenemend zoeken naar en besef van de rol van de techniek in onze omgang met de natuur?

 

Jacques: Het is een klein begin met weinig potentie, naar ik vrees, want het maximum aan windmolens lijkt mij in het dichtbevolkte Nederland snel bereikt. Men heeft het geweten dus even afgekocht zonder de oorzaak echt aan te pakken. Het is symptoombestrijding.

 

Martin: Men blijft inderdaad denken in termen van opvorderen en beschikbaar stellen.

 

Jacques: Daarom kon de goed-begonnen milieubeweging uiteindelijk toch resulteren in een overproductie aan bureaucratische regeltjes waar de oorspronkelijke zorg en bewogenheid niet meer in te herkennen is. Zo keert het tij zich tegen je als je iets niet tot op de bodem onderzoekt en structureel aanpakt.

 

Vragensteller: Toch laat die bevlogenheid van de protestgroepen wel iets zien: er is wellicht een kentering van de tijd zich aan het manifesteren. Wellicht breekt er een Nieuwe Tijd aan, en dat gaat altijd gepaard met een hoop kaf onder het koren. Dan komt het aan op een filosofische en historische diepgang om een bijpassende nieuwe weg in te slaan. Wanneer immers de onderliggende erfenis van de moderne tijd in een nieuw jasje wordt gestoken, breekt de dominante wijze van ontbergen er zo weer doorheen.

 

Voorzitter: Toch nog even terug naar de molen. Zou je wellicht kunnen zeggen dat de moderne windmolen als energie-omzetter misschien niet de moderne wijze van ontbergen veronderstelt (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een kerncentrale), maar dat de moderne windmolen als energieleverancier aan het energiebestand wel de moderne houding verondersteld?

 

Martin: Toch is de intentie van de mens hierin niet onbelangrijk. Een mens hoeft immers niet noodzakelijkerwijs in al zijn handelingen in een moderne betrekking te staan. Het is heel wel mogelijk dat hij in zijn proeftuintje een windmolen neerzet om de betrekking met de wind te beleven en onafhankelijk te worden van het heersende energiebestellen. Daar kan een moderne windmolen ook voor dienen. Dat zo’n molen betaalbaar is of wordt komt natuurlijk wel door de massafabricage en de levering van overtollige (let op dat woord) energie aan het net. De dominante wijze blijft echter dat de mens energie ter beschikking moet hebben als het hem uitkomt en zoveel het hem uitkomt, dus moet energie te allen tijde bestelbaar zijn. Dat zou in deze tijd ook niet anders kunnen, ook al gaan alle schilders en dichters vanaf morgen de moderne windmolen kunstzinnig bejubelen.

 

Jacques: Wanneer je de enkele windmolen bij een boerderij onderzoekt kom je toch nog iets anders tegen. Uiteraard gaat het ook daar om een koppeling met het Europese elektriciteitsdistributiesysteem, maar daarmee is niet alles verklaard. In mijn ogen is het een toonbeeld van de ironie van de moderne technisch almacht: ondanks alles kan de moderne elektriciteitsvoorziening kennelijk geen eeuwigheidsgarantie geven: sommige boeren willen een molen op het erf hebben om de stroomstoringen van het net het hoofd te kunnen bieden. In die zin wordt techniek weer kleinschaliger. Toch stelt men het elektriciteitsverbruik niet ter discussie, zelfs op een boerderij kan men kennelijk niet meer zonder.

 

Hans: Eén van mijn promovendi heeft onlangs de these verdedigd dat Martin juist op dit punt een dubbele moraal hanteert. (p.91)90 Waar Martin het over de ambachtelijke techniek heeft, wordt op een romantische en nostalgische wijze het onveranderlijke van het zich ontbergende zijn benadrukt (hèt wezen van de techniek), terwijl de moderne techniek beschreven wordt vanuit het veranderlijke van de wijze waarop het zijn zich ontbergt (de twee verschillende wezens van techniek). Dat is niet eerlijk.

 

Vragensteller: Ik zou daar een vraag aan toe willen voegen omdat Martins denkwegen op dit punt cruciaal lijken voor een weg naar de toekomst. Ik hoop dan ook, voorzitter, dat de dialoog nog even Martins gedachteweg volgen mag. In het proefschrift (waarvan iedereen een samenvatting heeft kunnen lezen want met het voorbeeld van de seksistische magnetron heeft de promovendus de vrouw-katern van de Telegraaf gehaald)91 wordt het belang van Martins gedachtegang ook gesuggereerd. Er wordt opgemerkt dat de meeste kritiek op Martin niet diep genoeg gaat om hem werkelijk te weerleggen, en het is de claim van de promovendus dat hij dat met zijn kritiek op Martin wel doet. Een belangrijke stap in de kritiek van de promovendus op de twee verschillende wijzen waarop Martin denkt is dat het meten met twee maten voortkomt uit de wijze waarop Martin het ‘zijn’ benadert. Het is dus niet een ‘slip of the tongue’ maar een ‘koekje van eigen deeg’. Dat is een belangrijke stap, want als de benadering van Martin inderdaad noodzakelijk moet leiden tot een oneerlijke vergelijking van ambachtelijke en moderne techniek, dan is de benadering nogal twijfelachtig geworden. De promovendus beargumenteert deze stap als volgt. In de eerste plaats zou er, ook volgens de promovendus, sprake zijn van een ommekeer in denken van Martin: eerst wordt het ‘zijn’ vanuit de mens benaderd en daarna wordt het ‘zijn’ vanuit het ‘zijn’ zelf benaderd. Deze laatste benadering wordt door velen, waaronder de promovendus, beschouwd als een doodlopende weg richting een voorbije metafysica en daaruit wordt verklaard dat Martin in het denken over de techniek op een achterwaarts spoor is terechtgekomen (het proefschrift heeft het over een tweebaansweg) waarin de techniek op een metafysisch onvruchtbare wijze wordt benaderd. Onvruchtbaar, inzoverre men techniek wil bedrijven en de dingen wil laten spreken zoals Martin in eerdere geschriften wèl aangaf. Martin wordt verweten dat hij voorbeelden van de ambachtelijke techniek gebruikt om het (niet-historische) ontbergende te illustreren, terwijl voorbeelden van de moderne techniek worden gebruikt om het (historische) van de moderne wijze van ontbergen te illustreren. De promovendus geeft weliswaar toe dat deze dubbelheid binnen Martins zijnsopvatting zelf geen probleem vormt, maar dat het probleem ontstaat in zijn techniekfilosofie omdat hij deze dubbelheid dan selectief toepast en, volgens de promovendus, zelfs selectief moet toepassen. Hier liggen dus drie belangrijke stellingen die worden aangevoerd om te verklaren dat Martin met zijn ‘vraag naar het wezen van de techniek’ uitkomt op een scherpe tegenstelling tussen ambachtelijk en modern waarin uiteindelijk geen plaats meer is voor de concrete techniek: 1) Martin heeft zelf een wending ondergaan, 2) het is een wending naar vroeger; hij loopt nu achterwaarts en 3) door deze metafysische wending wordt de techniek niet van binnenuit maar vanaf een metafysisch standpunt benaderd en zodoende komt Martin in zijn onderscheid tussen ambachtelijke techniek en moderne techniek alleen maar zijn eigen metafysische uitgangspunten tegen. Het wordt dus niet met zoveel woorden gezegd, maar Martin wordt een cirkelredenering verweten: niet door het kijken naar techniek wordt het wezen geduid, maar door een metafysisch onderscheid in het wezen van techniek wordt het kijken naar techniek bepaald. De empirische onjuistheid daarvan kan vervolgens snel worden aangetoond. Martin, wat is daarop je antwoord?

 

Martin: Zoals ik elders reeds heb aangegeven, ben ik mij niet bewust van een wending in mijn denken, wel is er sprake van een ontwikkeling en een nader inzien. Mensen die mij willen interpreteren vanuit een integrale visie-ontwikkeling hebben mijn voorkeur boven mensen die het doen vanuit een enigszins willekeurige periodisering van mijn visie. Dat mijn gedachtegang een wending is naar vroeger is niet mijn bedoeling, wel moet je om kritische vragen te stellen een zekere afstand nemen van het heden, en dat kan door het verleden zo eerlijk mogelijk te bestuderen en niet via de omweg van een toekomst (die tegenwoordig immers altijd vanuit het verleden geprojecteerd wordt). Ook in mijn latere verhandelingen blijf ik de techniek van binnenuit bevragen en niet vanuit een metafysisch onderscheid tussen twee vormen van ontbergen. Om die twee verschillende vormen te illustreren geef ik wel voorbeelden waarin die vormen typerend zijn, maar dat is louter didactisch. Als ik aangeef dat een ambachtelijke ontbergingswijze heeft bestaan en nog bestaat, dan klinkt dat alsof de nadruk wordt gelegd op een onveranderlijk ‘zijn’ en als ik dan ook nog vaststel dat de moderne ontbergingswijze niet altijd heeft bestaan maar pas in de moderne tijd tot ontplooiing komt, lijkt dat op een benadrukking van het historische van het ‘zijn’, maar dat betekent geenszins een oneerlijke benadering van beide wijze van ontbergen. Omdat het ene nieuw is, krijgt het ontstaan ervan meer aandacht, en dat het ambachtelijke teruggedrongen wordt door het moderne, zonder geheel te verdwijnen, betekent geenszins dat het ‘zijn’ op dit punt onhistorisch zou zijn. Juist de marginalisering van het ambachtelijke na de wending naar het moderne geeft ook de historiciteit van het ambachtelijke aan. 

 

Vragensteller: Om terug te komen op het voorbeeld van de windmolens: de grote wending in de 18eeuw was de ontwikkeling van de stoommachines die de windmolens grotendeels vervingen. Waar de wind- en watermolens afhankelijk waren van de stroming van de wind en het water, was de stoommachine dat niet: deze was verplaatsbaar en meer zelfstandig. Er hoefde alleen maar kolen naar toe gebracht te worden. Dat de kolen eerst ontgonnen moesten worden werd vergeten omdat het aan anderen kon worden gedelegeerd. Deling van arbeid leidde tot vervreemding van de eerste stappen ten opzichte van de vervolgstappen en waar de eerste stappen meer met natuur te maken hadden dan de vervolgstappen vervreemdde men van die natuur. Die natuur, in het voorbeeld de steenkolenmijn, werd onbeperkt aanwezig verondersteld en in de 18e eeuw was dat in Engeland ook inderdaad het geval: er zat genoeg ruw materiaal onder de grond, dat bruikbaar gemaakt kon worden voor de bevoorraadding van stoommachines. Dit veronderstellen van een onbeperkte hoeveelheid materiaal onder de grond en het vanzelfsprekend exploiteren ervan voor menselijke (technische) arbeidsdoelen, wordt door Martin het moderne ‘stellen’ genoemd. Als zodanig is het nog steeds aanwezig in heel veel moderne productiemethoden en producten: alle elektrische huishoudmachines veronderstellen een altijd aanwezige elektriciteitsvoorziening en alle centrale-verwarmingsketels veronderstellen een altijd aanwezige gastoevoer. Door de splitsing van arbeid, hoeft men de beweging van een elektrische staafmixer niet meer met de eigen hand uit te voeren, maar deze arbeid kan opgedeeld gedacht worden in een eerste stap waarin beweging wordt omgezet in een andere energievorm die efficiënt te transporteren is (bijvoorbeeld elektriciteit), een vervolgstap van het transport zelf (elektriciteitsvoorziening) en een laatste stap van de omzetting naar beweging op de plaats van gebruik (elektromotor). Een eindgebruiker is slechts betrokken op een vierde stap (het gebruik van de staafmixer) en kan daarom de eerste stappen makkelijk vergeten. Bij het vergeten van de eerste stappen voor individueel gebruik is er al helemaal weinig bewustzijn en gevoel voor deze eerste stappen bij collectief gebruik. Met behulp van statistiek en computersimulaties kan men dit vergeten wel enigszins compenseren (bijvoorbeeld door te publiceren dat het elektriciteitsgebruik van een gemiddeld huishouden in Nederland 5000 kWh per jaar bedraagt, hetgeen omgerekend neerkomt op 720 kg steenkolen), maar een natuurlijke betrokkenheid en daaruit voortvloeiende vanzelfsprekende verantwoordelijkheid als terugkoppeling bij het gebruik is er niet. Stel je eens voor dat we, zelfs afgezien van het gas dat we voor verwarming gebruiken, alleen al voor onze elektriciteitsconsumptie jaarlijks honderden kilo’s steenkool zouden moeten aanslepen en dat voor elk huishouden: daar zal je maar voor verantwoordelijk zijn. Al dat gedoe voor die honderdduizenden huishoudens, wordt nu netjes uitbesteed, geoptimaliseerd en ondergronds weggewerkt. Maar ergens aan het begin moeten al die bergen steenkool wel jaarlijks afgegraven worden. Daarom....

 

Voorzitter: Kan je dit betoog afronden met een vraagstelling?

 

Vragensteller: Ja, waar het mij om gaat is dat er naast die staafmixer nog steeds handmatige mechaniekjes zijn die eenzelfde functie vervullen (denk aan de garde die gaat draaien als je het handvat naar beneden beweegt); je zou op grond van die observatie kunnen denken dat allerhande technische producten in de moderne tijd niet het moderne ‘stellen’ van Martin vereisen. Er zit echter een addertje onder dat gras en daar gaat mijn vraag over: allerlei producten die geen elektriciteit of gas of enige vorm van brandstof veronderstellen, zoals een schaar, een spa, een boek, lijken in die zin meer ambachtelijk dan modern, maar het addertje is dat ze industrieel vervaardigd worden en dus in hun productie de nodige energie veronderstellen. Dat neemt echter niet weg dat er in de moderne tijd toch nog producten kunnen zijn die ambachtelijk vervaardigd kunnen worden, denk aan een schilderij van een kunstschilder of aan de meeste producten uit de wereldwinkel. Mijn vraag is nu: zouden we elk technisch product, bijvoorbeeld de moderne windmolen, niet moeten deconstrueren in deze zin: per onderdeel vaststellen of ze energie vereisen voor hun productie of in het gebruik, of dat het onderliggende technische principe van dat onderdeel is terug te voeren op slimme mechanische handigheidjes? En zouden we niet steeds moeten nagaan hoe ver men als gebruiker verwijderd is van een betrokkenheid bij de ingreep in de natuur (mens, dier, plant en ding) die nodig is voor (productie of gebruik van) die onderdelen?

 

Voorzitter: Daarmee wordt de vraagstelling inderdaad enigszins ridicuul. Als je op zoek gaat naar het wezen van een menselijke constructie en je neemt aan dat er twee verschillende wezens zijn, dan kom je immers uit op de mogelijkheid dat het ene onderdeel het ene wezen heeft en het andere onderdeel het andere wezen. Maar ook dat ene onderdeel bestaat mogelijk weer uit onderdelen enzoverder. Zo’n vergaande deconstructie in onderdelen lijkt een heilloze weg, die in ieder geval niet door Martin ingeslagen is. Dit is inderdaad een voorbeeld van een uitgewerkt bewijs waar ik naar vroeg.

 

Wiebe: Maar waar is de mens in het geheel gebleven? We zouden immers vanuit een constructivistische optiek gaan redeneren? Dan staat niet de constructie, maar de constructeur centraal.

 

Voorzitter: Die denkweg wil ik ook afgelopen hebben. Laten we inderdaad het wezen van de techniek eens zoeken vanuit de mens. Het is immers de mens die techniek als instrument gebruikt om iets tevoorschijn te brengen of die de natuur opvorderbaar (veronder)stelt ten behoeve van techniek.

 

Vragensteller: Dan loop je tegen een vergelijkbare ridiculiteit aan: in een menselijke constructie kan de ene constructeur een tevoorschijn-brengende houding hebben en de andere een tevoorschijn-vorderende, waarbij de ene mens op het ene moment misschien wel de eerste houding heeft, maar op een ander moment de andere enzovoort.

 

Voorzitter: Dat vermoeden had ik al. Toch zijn we een stapje verder, want misschien begrijpen we nu pas wat de constructivisten proberen duidelijk te maken: dat je de techniek en de mens niet geïsoleerd van elkaar kunt beschouwen. We moeten dus het wezenlijke van techniek (aangenomen dat er zoiets is) zoeken in een verwevenheid van het technische en het menselijke.

 

Jacques: Daarmee neemt de complexiteit alleen maar toe. Moeten al die verschillende verwevenheden die je zou moeten onderscheiden en typeren samen leiden tot één uitspraak: ambachtelijk wezen of modern wezen?

 

Bruno: Dat is empirisch nooit vast te stellen. Bepaalde typen verwevenheden tussen mens en techniek kan je onderscheiden, maar wil je daarmee een bepaalde tijd typeren, dan is je eindresultaat volstrekt afhankelijk van de toevallige voorbeelden die je kiest en op grond waarvan je de generalisatiestap maakt. Empirisch kan je nooit bepalen dat er maar twee soorten wezens van techniek zijn.

 

Vragensteller: Dat is een sterk punt. Hoe weten we eigenlijk dat er maar twee wijzen zijn waarop de techniek weest?

 

Martin: Dat weet je niet op voorhand, maar als je de voor-moderne en de moderne tijd vergelijkt zie je toch wezenlijke verschillen. Die verschillen zijn zo wezenlijk, dat ze ook te onderscheiden zijn in de verhouding mens-ding. Het is dus wel een aardige poging om in het constructivisme de moderne subject-object tegenoverstelling deconstructief te overwinnen door menselijke en niet-menselijke actoren symmetrisch te behandelen, maar het is geen wezenlijke overwinning. Twee menselijke actoren kunnen elkaar in hun onderhandelingen respecteren, naar elkaar luisteren en oprecht geïnteresseerd zijn om de inzichten van de ander te honoreren, maar wanneer ik de voorbeelden van Bruno serieus neem, heeft hij meer een machiavellistische strijd op het oog waar list en bedrog beloond wordt. Twee mensen die op deze laatste wijze met elkaar omgaan ‘gebruiken’ elkaar, zien elkaar als object voor hun eigen subjectivistische waarden en doelen. Dat is precies het moderne stellen. Als deze verhouding tussen menselijke actoren wordt toegestaan en zelfs gepropageerd wordt, zal deze relatie vanwege de symmetrie-eis ook tussen niet-menselijke actoren en tussen menselijke en niet-menselijke actoren de overheersende relatie blijven. Daardoor wordt dus de subject-object tegenoverstelling niet wezenlijk overwonnen, maar door een symmetrische eis versterkt: object en subject dienen te wisselen, waardoor niet-menselijke actoren ook als subject en menselijke ook als object opgevat dienen te worden.    

 

Bruno: Waarom ben je zo eenzijdig gericht op het verschil tussen voor-modern en modern? Waarom geef je geen enkele aandacht aan andere momenten en wie heeft het zogenaamde begin van de moderne tijd  eigenlijk bepaald en op grond waarvan?

 

Martin: Op grond van de vraag naar de grond.

 

Wiebe: Pardon!?

 

Martin: Laat ik anders beginnen. Als mens ben ik op deze wereld geworpen en als kind van mijn tijd deed ik verwonderd mijn ogen open en vroeg mij af: in welke tijd ben ik in hemelsnaam op de aarde terecht gekomen? Ik ging dus op zoek naar het typerende voor deze tijd. Naar datgene wat alles, wat zich aan mij voordoet, op oorspronkelijke wijze verbindt. Datgene wat de grond is van al die verschijningen. Er moet immers een gezamenlijke oorsprong zijn van al die verschijnselen, anders kunnen mensen elkaar niet begrijpen, anders verstaan ze elkaars taal niet of hebben ze niet het gevoel in dezelfde tijd te leven. Ik ben erachter gekomen dat de tijd waarin we leven de tijd van het wereldbeeld is. (p.46)44 We hebben met z’n allen een beeld van de wereld gemaakt en dat systematisch geordend zodat het richting geeft aan ons handelen. Het moderne wereldbeeld is in de 15e eeuw ontstaan en sindsdien nog zeer werkzaam. Het valt samen met het ontstaan van het menselijk subject waarmee dat beeld wordt voorgesteld. Daarvoor was er geen menselijk subject en ook geen wereldbeeld. Natuurlijk hadden de mensen wel ideeën over de wereld en praten ze daarover, maar men leefde in de wereld en nu leven we voornamelijk in een cartesiaanse voorstelling der dingen. Dat beeld van de wereld wordt vastgelegd in wetenschappelijke formules en technische modellen en krijgt zo een gebiedende kracht. Het is onderdeel geworden van het opvorderen. Niet meer het luisteren naar de wereld, maar het projecteren van de eigen (subjectieve) doelen en gedachten staat centraal. Alles wordt aan het eigenmachtig opgevatte subject onderworpen, soms met een mooie humanistische mantel omkleed, soms met napoleonistische daadkracht gerealiseerd.

 

Onlangs was ik in een Italiaanse steenhouwerij. Daar zie je de moderne (en soms ook nog de voor-moderne) wijze van ontbergen. Waar men voorheen met behulp van gereedschap door dat gereedschap heen het marmer voelde en voortdurend met het materiaal mee naar een vorm zocht die er eigenlijk al in zat, maakt een beeldhouwer tegenwoordig een beeld in klei, daarvan wordt een afgietsel gemaakt en dat wordt door een steenhouwer gekopieerd in marmer. Onafhankelijk van de onderliggende structuur wordt de vorm op het marmer geprojecteerd en eruit gehaald. Daarom kan men ook probleemloos met elektrisch gereedschap werken, waar het voelen door het gereedschap heen, minder goed werkt, want het is niet meer nodig. Het is voor ons, moderne mensen, echter zo vanzelfsprekend om alles op te vatten als grondstof voor ons eigen willen en voorstellen, dat we niet eens door hebben hoe gevaarlijk en oneerbiedig het is. Sommige marmer-bergen dreigen in onbruik te geraken omdat men er gedachteloos stukken van afzaagt voor eigen gewin. Bij het Nazisme werd het gevaar van deze moderne rationaliteit, van dit denken als (voor)stellen door technische perfectionering waargemaakt. De voorstelling werd onbekommerd en routinematig op mensen toegepast. Voor velen werd het gevaar even duidelijk, maar al spoedig daarna was men niet meer in staat om de vraag onder ogen te zien: hoe kan het dat een man als Eichman, die het systematisch uitmoorden van mensen zo efficiënt mogelijk organiseerde, een keurige en toegewijde bureaucraat was. En de al eerder genoemde Arendt voegde daaraan toe: kunnen we met (een andere vorm van) denken dit gedachteloze handelen keren? (p.13)6  Het demonische zit niet in de techniek (de huidige biotechnologie is bijvoorbeeld al vele malen geavanceerder dan in Hitlers tijd), het zit ook niet alleen maar in de breinen van een paar gestoorden, maar het kwaad zit in onze kritiekloze wijze van voorstellen en het voor eigen (of gemeenschappelijk) gewin gebruiken van zaken die een eigenwaarde bezitten.

 

Vragensteller: Is het niet een beetje wrang dat uitgerekend Martin ons deze kant van het Nazisme moet tonen?

 

Voorzitter: Als je hiermee doelt op de beschuldiging dat Martin niet openlijk tegen het Nazisme heeft geprotesteerd, dan wil ik een discussie hierover direct en resoluut kortsluiten. Martin heeft, naar ik veronderstel om familieredenen, maar wellicht ook om andere redenen, er destijds voor gekozen om hier niet op in te gaan en dat respecteer ik, want we zitten hier niet voor speculatieve en persoonlijke zaken maar voor een nader verstaan van het geschrevene. Ik zou de dialoog willen voortzetten met een concrete vraag naar de verhouding tussen het substantivisme en het constructivisme. Waar het substantivisme uitkomt op een tweeërlei wijze waarop de techniek is, gestalte krijgt, iets waarmaakt, of een werkelijkheid ontsluit, en het constructivisme de diversiteit aan verschijningsvormen benadrukt waar de technische ontwikkeling op uit komt, vraag ik mij af waarom men dit tegenstrijdig vindt. Men kan toch op constructivistische wijze de ontwikkeling van een technisch product in een technogram beschrijven in termen van mijlpalen: toen was dat typerend en daarna was dat een essentieel kenmerk enzoverder?

 

Bruno: Dat is precies wat ik ten aanzien van bijvoorbeeld de dieselmotor gedaan heb. In mijn verspreidingsmodel onderscheid ik ontwerp, blauwdruk, één prototype, een aantal prototypes, niets, nieuw prototype, type, serieproductie van subtypes.

 

Voorzitter: Dat is inderdaad een goed begin, maar laten we doorvragen. Welke technische principes en welke debatten werden er gevoerd bij die mijlpalen en wat was daarin nieuw? Welke inspiratie lag ten grondslag aan de uitvindingen en ontdekkingen die werden uitgeprobeerd, ontwikkeld en toegepast?

 

Jacques: En zou je ook niet nauwkeurig moeten bijhouden hoe men erop reageert: welke maatschappelijke protesten en welke maatschappelijke aanpassingen doorgevoerd worden om het product ‘goed te laten werken’? Kortom, ook het sociogram zou uit historische mijlpalen kunnen worden opgebouwd.    

 

Martin: Dat lijkt me een hele klus. Waar het mij in mijn voorbeelden steeds om ging is om enerzijds een ontstaansoorzaak (de term ‘mogelijkheidsvoorwaarde’ is eigenlijk te passief) aan te geven en anderzijds de aanwezigheid van een product te duiden zodat het kan tonen welke relatie het onderhoudt met of welke greep het heeft op de directe omgeving. De relatie tussen die twee is het duidelijkst te illustreren aan de hand van een (Griekse) tempel die een onthulling toont van het aardse en het hemelse, de goden en de stervelingen, in zijn aanwezigheid op een rots en in het landschap. Maar ook de waterkrachtcentrale in de Rijn toont duidelijk deze relatie: een door de menselijke wil opvorderen van de stroom van het water ten behoeve van elektriciteitswinning in haar aanwezigheid als dam in de waterstroom. Het wezen van de techniek toont zich dus in technische constructies. In het ene product is het wezen meer openbaar dan in het andere product, en dat maakt een karakterisering soms lastig. Van belang is echter een vernemende grondhouding en niet een berekenende classificatie. Het gaat zelfs niet om het poëtisch uitdrukking geven aan een eigen interpretatie van bijvoorbeeld een kerncentrale, maar eerder om een poëtisch verstaan van zo’n centrale en dat denkend begeleiden. Dat is niet eenvoudig. Een gedicht is gemakkelijk dood te slaan met rationele analyses die het geheel kapot knippen. Maar een gedicht al denkend versterken is een hele kunst. Ook het onderwerpen van de eigen (vaak rationeel overtuigende) interpretaties aan een luisteren naar en antwoorden op de dingen vereist enige oefening. Zo kan men het kappen van bomen niet zo maar classificeren in een bepaalde wijze van ontbergen. Wanneer iemand op zoek gaat in een bos naar de juiste boom voor de mast van een modern zeilschip kan zijn grondhouding een ambachtelijke zijn. En wanneer men in oude culturen bomen kapte ten behoeve van gewijde plaatsen had dit een rituele betekenis en dat kan niet zomaar anachronistisch (of onhistorisch) geïnterpreteerd worden vanuit het heden. Wanneer men in het heden een zelfstandige onderneming belast met het kappen van bomen om een voorraad (bestand) op te bouwen zodat aan een vraag uit de markt voldaan kan worden, geeft men blijk van een moderne wijze van techniekbeoefening waarin het bos als hout wordt opgevorderd.

 

Hans: Maar sluit u uit dat zoiets in een oude cultuur nooit is voorgekomen?

 

Martin: Ik sluit geen dingen apriori uit. Ik heb alleen aangegeven dat elke tijd een eigen beschikking heeft, waarin bepaald is welke wijze van zijn en welke wijze van ontberging bepalend is, typerend, dominant, (over)heersend.

 

Hans: Maar het is toch niet eerlijk om in alle moderne technische producten deze overheersende ontbergingswijze te projecteren?

 

Martin: Dat is ook niet mijn oproep. Ik dacht dat ik mensen op weg probeer te helpen om de dingen zelf te vernemen en daarin de grond van de dingen te zoeken om als kind van je tijd, toch meer inzicht te krijgen in je eigen tijd.

 

Hans: Maar als alles zo tijd- en contextbepaald is, hoe kan je dan zo negatief zijn over het heden en zo positief over het verleden?

 

Martin: Het gaat mij niet om een ethisch oordeel over goed of kwaad, ik probeer aan te geven wat de mogelijkheden van een tijd zijn en wat het (bijbehorende) gevaar is. Dat het gevaar van ontbergen groter is in de moderne wijze van ontbergen volgt niet uit een subjectief ethisch oordeel, maar uit de sterkere neiging die met de moderne wijze gegeven is om een andere, in dit geval meer oorspronkelijke ontbergingswijze te vergeten.

 

Historische deconstructie

 

Andrew: Wat mij opvalt aan het historisch interpreteren van het zijn, waarin Martin een ware wegbereider is gebleken te zijn, is dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen voor-modern en modern. Dat vind ik als filosoof overtuigend, maar waarom zijn er niet meer onderscheidingen te maken. Naast de overgang naar de moderne tijd kunnen we toch nog wel een aantal mijlpalen aanwijzen?

 

Hans: Om een voorbeeld te geven: de commissie onder leiding van hoogleraar geschiedenis De Rooy, heeft onlangs de Nederlandse regering geadviseerd, ten behoeve van historische en maatschappelijke vorming in het onderwijs, om tien tijdvakken als basisleerstof aan iedere leerling te onderwijzen:79

tijd van jagers en boeren (-3000 vC)

tijd van Grieken en Romeinen (3000 vC – 500 nC)

tijd van monniken en ridders (500 – 1000)

tijd van steden en staten (1000 – 1500)

tijd van ontdekkers en hervormers (1500 – 1600)

tijd van regenten en vorsten (1600 – 1700)

tijd van pruiken en revoluties (1700 – 1800)

tijd van burgers en stoommachines (1800 – 1900)

tijd van wereldoorlogen (1900 – 1950)

tijd van televisie en computer (vanaf 1950).

Voor de geschiedenis van de techniek zou je iets dergelijks eigenlijk ook moeten opstellen, bijvoorbeeld gebaseerd op de onvolprezen werken van Micham en Mumford.69-72

 

Bruno: Dat is toch niet empirisch. Leuk bedacht en vast wel verdedigbaar, maar zo zijn er ongetwijfeld nog wel tien andere en 100 nadere indelingen te bedenken.

 

Voorzitter: Toch zitten we met deze dialoog op het goede spoor. Als we vragen naar het wezen van de moderne techniek in relatie met het constructivisme en daarvoor eerst naar het moderne als de essentie van onze tijd vragen, dan kunnen we allereerst vragen naar de essentie zelf. In de zoektocht naar de essentie van iets maak je onderscheid tussen hoofd- en bijzaken. In een uiterste geval heb je één hoofdzaak en de rest zijn bijzaken, in het andere uiterste geval heb je alleen maar hoofdzaken en geen bijzaken. Daartussenin heb je vele detailleringsniveaus. De filosofie is van oorsprong (laten we zeggen, vanaf de discussie tussen Plato en Aristoteles) gericht op het ontdekken van het algemene in het bijzondere. Daardoor loopt zij het gevaar het bijzondere minder aandacht te geven, te veronachtzamen of uiteindelijk te ontkennen. Daardoor wordt niet alleen het bijzondere onrecht gedaan, ook het algemene komt daardoor in het luchtledige te hangen. Dit is al een argument van Aristoteles tegen Plato’s ideeënleer. In de post-moderne filosofie wordt dit lege algemene gedeconstrueerd en komt er weer aandacht voor het bijzondere. Het constructivisme in de wetenschapsfilosofie is daar een voorbeeld van, maar ook het constructivisme in de techniekfilosofie zou daartoe gerekend kunnen worden. De uitdaging voor de filosofie is nu om beide richtingen weer op elkaar te betrekken. Wanneer we verder vragen naar de essentie van een bepaalde tijd, kunnen we deze wat abstracte beschouwing, toepassen op de filosofie van de geschiedenis. Een unieke gebeurtenis mag niet als uitzondering miskend terzijde worden gelegd, maar ook niet als losstaand feit toegevoegd worden aan een onsamenhangend encyclopedisch rariteitenkabinet. Anderzijds, een overzichtelijk gegeneraliseerd schema van de samenhang tussen gebeurtenissen mag nooit opgelegd worden aan de uniciteit van een bepaalde situatie, maar de verbeeldingskracht die bepaalde verbanden tussen gebeurtenissen oproept mag ook niet onderdrukt worden. In het heen en weer bewegen tussen de twee extremen (‘feiten’ observeren en verbanden zoeken) zijn er op verschillende niveaus onderscheidingen en indelingen te maken. Voor alle verbeelde verbanden (die als hypothetische indelingen wetenschappelijk toetsbaar zouden moeten zijn) kan als eis gesteld worden (net als in de natuurwetenschappen) dat ze empirisch aannemelijk gemaakt moeten kunnen worden, anders kan (subjectieve) willekeur er een chaos van maken. Persoonlijke inbreng, ervaring en wijsheid van de onderzoeker is tot op zekere hoogte wel gewenst, want anders er geen enkele ordening in de empirische chaos mogelijk.

 

Vragensteller: Wat betekent dit nu voor het wezen van de moderne tijd en haar bepalende invloed voor het wezen van de techniek?

 

Voorzitter: Onder de aanname dat een veranderende ‘tijd’ al het menselijk gedrag bepaalt, kan men, door te letten op het overeenkomstige in alle cultuuruitingen op een bepaald moment, wellicht komen tot een empirisch aannemelijke markering van tijdperken. De Nederlandse psychiater Jan Hendrik van den Berg heeft een voor de techniekfilosofie boeiende uitwerking gegeven van zijn metabletische methode, die niet zozeer gericht is op het zoeken van oorzakelijke verbanden in de tijd (bijvoorbeeld: de gebeurtenis in 2000 werd veroorzaakt door die en die gebeurtenissen in 1980 en 1990), maar gericht is op het zoeken naar veranderingen in diverse cultuuruitingen op één bepaald moment (het is als het ware een dwarsdoorsnee van de tijd in plaats van een lengtedoorsnee). Er wordt gezocht naar synchrone fenomenen die duiden op een gemeenschappelijk omkeerpunt in de tijdsbeleving van mensen. Aan de hand van nauwkeurige empirische gegevens komt hij bijvoorbeeld tot een indeling van tijdperken op grond van de bouwstijlen in de kerkarchitectuur waarin veranderingen van het binnen (de godsdienst en mystiek) en het buiten (de natuur, de wetenschap en wiskunde) gestalte krijgen. (p.136 e.v.)7  Naast de technische mogelijkheden die veranderingen in de kerkbouwstijl zouden kunnen verklaren, is het ook de beleving van het goddelijke in een bepaald tijdvak die de ruimte vormgeeft waarin dat goddelijke op eerbiedwaardige wijze gediend kan worden. God als het eeuwige en onveranderlijke wordt in tijd en ruimte gevat en vanuit het veranderlijke in de bouwstijlen zou je kunnen concluderen dat de beleving van het goddelijke kennelijk veranderde. Of dit veroorzaakt wordt door een verandering van God zelf of dat god verandert doordat de mensen het goddelijke anders gingen ervaren en vormgeven is weer het kip-ei probleem waar we nu niet op ingaan. Eerder hebben we vastgesteld dat het een paradox is waar we mee moeten leren leven. Wel duidt het op een belangrijk heen- en weergaan tussen aan de ene kant ‘het bijzondere rechtdoen’ en aan de andere kant ‘het wezenlijke zoeken’.

 

Bruno: Dat bevestigt toch de diversiteit aan technieken en stijlen, de verwevenheid van technische mogelijkheden en menselijke ervaringen en het benadrukt toch de vele omwentelingen die men kan aangeven, de vele doorbraken die er in wetenschap en techniek zijn geweest en dat loochenstraft toch de  alleenheersende dichotomie tussen het voor-moderne en het moderne uit de essentialistische traditie?

 

Voorzitter: Professor Van den Berg maakt op verschillende wijze duidelijk dat er een onderscheid is tussen twee structuren van de werkelijkheid. Daarnaar wordt ook in de techniekfilosofische debatten wel verwezen. (p.120,149)90  Het verwijt is dat Van den Berg eenzelfde centrale tweedeling zou hanteren als Martin en dat zou de diversiteit in de techniek onrecht doen. In de eerste structuur, zo betoogt Van den Berg, toont de werkelijkheid van de zon zich, als zij mooi rood en groots ten onder gaat. In de tweede structuur toont de zon zich wanneer men op grond van een spectraalanalyse concludeert uit welke elementen de zonnevlammen zijn opgebouwd. Het aardige is nu dat Van den Berg enerzijds laat zien dat er sprake is van een tweeërlei structuur en een tweeërlei gerichtheid op een van die structuren. Er zijn twee verhoudingen tot de dingen, twee wijzen van observeren. Anderzijds geeft hij echter talrijke voorbeelden van verscheidene stijlen en omwentelingen waarop men door de tijd heen vorm en inhoud heeft gegeven aan de veranderingen in die beide structuren. Men kan dus de intuïtief overtuigende tweeheid van vernemen (of beleven) en rekenen (of meten) handhaven en tegelijkertijd oog hebben voor de diversiteit in de traditie van het (be)wonen en in die van het bouwen. Sterker nog: men kan zelfs in die diversiteit synchrone verbanden opmerken die een verandering markeren in de stijl van beide tradities. Om ter illustratie hiervan ook een tijdsindeling te geven: (p.360)7

 

jaar        bouwstijl       binnen (godsdienst)         buiten (natuur-wetenschap)

1000 -    romaans        Odilo van Cluny             bolvorm aarde (Sylvester II:

                                                                            universiteit; astrolabium)

1130 -    gothiek         Bernard van Clairvaux    vertaling Euclides (homogeniteit,

                                                                            aantrekkingskracht)

1429 -    renaissance   Thomas à Kempis            ontdekking werelden over zee,

                                                                            navigatie

1540 -    barok            Jezuïeten, Calvijn            Copernicus’ heliocentrisme,

                                                                            determinisme

1740 -    neo-stijlen     Alphonso van Liguori     niet-euclidische ruimte,

                                                                            industrialisatie, ‘meervoudig’

1900 -    nuchterheid  Simone Weil                    relativiteitstheorie, ruimtevaart

 

Vragensteller: Wat betekent dit voor een (filosofie van de) geschiedenis van de techniek?

 

Voorzitter: Dat de tweedeling van Martin kennelijk een derde dimensie is. De eerste dimensie is de ontwikkeling van iets in de tijd. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van een dieselmotor: van ontwerp, via prototype naar industrieel product. Of de ontwikkeling van het bedrijf MAN: van een eerste vriendschap tussen meneer Diesel en directeur van MAN, via het testteam van MAN naar de marktleider op het gebied van dieselmotoren. De tweede dimensie is de optiek van waaruit een ontwikkeling beschreven kan worden: het voorbeeld van de ontwikkeling van een dieselmotor noemt Bruno een technogram en het tweede voorbeeld noemt hij een sociogram. Het is niet ondenkbaar dat een slimmerik daar na verloop van tijd een politicogram, een ethicogram, een spiritogram enzovoort aan toevoegt. Het zijn immers allemaal aspecten waarop iets (een entiteit of proces) beschreven kan worden en de veelheid aan wetenschappen geeft hier al de potentiële rijkdom van het spectrum aan. De derde dimensie is echter wat anders: het gaat niet over ontwikkelingsfasen, het gaat ook niet over beschrijvingswijzen, maar het gaat over een andere verhouding van de mens tot zijn wereld, dus tot het ding, de natuur, de plant, de medemens en zo verder. In eerste instantie zou je kunnen zeggen: er is in deze derde dimensie een ik-gij relatie en er is een ik-het relatie. (p.5)19 De ik-gij relatie wordt gekarakteriseerd door respect, verwachting en verheffing, terwijl de ik-het relatie wordt gekarakteriseerd door voorwerpelijkheid, onderworpenheid en afstandelijkheid. Sinds Descartes is de ik-het relatie aangescherpt tot een subject-object relatie. (p.17)38  De opkomst van de moderne tijd is het begin van een rationalisatieproces dat, volgens Martin, ten diepste is gefundeerd in het voorstellende denken, het is een denken van het subject over het object. Dit is een volstrekt nieuwe relatie van de mens en zijn wereld, die in geen andere cultuur voorkomt. Deze tweedeling is niet alleen zeer fundamenteel, het is ook van een andere aard dan overige onderscheidingen: het is met recht een derde dimensie. Men kan immers de ontwikkeling van iets in de tijd volgen (eerste dimensie) of beeldend beschrijven (tweede dimensie) vanuit twee verschillende relaties: een verdiepte alledaagse, naïeve of voor-wetenschappelijke, intens betrokken wijze (gericht op de eerste structuur), of op een ‘objectief’ meetbare, theorie-geladen of wetenschappelijke, abstracte wijze (gericht op de tweede structuur). We kunnen daarom concluderen, of kan ik beter zeggen: ‘ik concludeer daarom’ dat Martins monolithische bepaling van het wezen van de techniek alle ruimte openlaat voor een langdurige ontwikkeling van techniek waaruit vele vormen van techniek kunnen ontstaan.

 

Hans: Maar is daarmee de techniek zelf niet uit het zicht verdwenen? Hoe kan je, uitgaande van een menselijke constructie van techniek, uitkomen op een andere dimensie, namelijk die van de relatie mens-wereld? Wat heeft het wezen van techniek met techniek te maken?

 

Martin: Niets, het is iets anders, zoals ik steeds probeer aan te tonen.

 

Vragensteller: Maar waarom noem je het dan het wezen van ‘techniek’? Het is toch eerder het wezen van het denken, en met evenveel recht zou je het kunnen typeren als het wezen van de economie, of het wezen van de mens. Het gaat immers om het voorstellende denken, en op het moment dat de techniek baanbreekt en zichtbaar dominant wordt (laten we zeggen zo rond 1800) is dat historisch toch hetzelfde moment als de opkomst van de economie en de heerschappij van de burgerij als de enig overgebleven (derde) stand?

 

Martin: Ik sluit zeker niet uit dat er een diepe verwantschap is tussen het wezen van de economie en die van de massamens, maar als we naar techniek kijken en ons afvragen wat daarvan het wezen is, dan kom ik toch op het ontsluiten van een werkelijkheid. Dat is het vergeten verband van techniek en waarheid. Als men stelt dat met techniek nieuwe mogelijkheden worden ontsloten, of in een andere opvatting, bestaande mogelijkheden worden ontsloten, dan gaat het er mij om dat men scherp moet zien wat er ontsloten wordt en hoe het ontsloten wordt. Er wordt met de moderne techniek niet zomaar iets toegevoegd aan een verzameling entiteiten, ook is de actieradius van de menselijke spier- en denkkracht niet zomaar toegenomen, nee er is een wezenlijke andere betrekking van de mens met de omringende wereld ontstaan. Daardoor is die mens en die wereld veranderd. De mens is een voorstellend subject geworden en de wereld wordt vormgegeven via onze wil en voorstelling. Deze bemiddeling via de voorstelling wordt met techniek gestalte gegeven. We construeren technische apparaten die passen bij de voorstelling die we als subject maken en daardoor ontstaat waarheid en worden we bevestigd in die voorstelling. Techniek blijft in wezen ontsluiting, maar in het tijdperk van de voorstelling ontsluiten we onze voorstelling.

 

Voorzitter: In haar boek ‘De mens’5 heeft Hannah Arendt een aantal inzichten verwoord die deze drie dimensies zou kunnen illustreren. In onze eerste dimensie past Arendts aandacht voor de culturele dromen die per beschaving kunnen verschillen en binnen een bepaalde beschaving een bepaalde mate van ontwikkeling of realisatie kennen waardoor verschillen in de tijd ontstaan. Wanneer zij zich vervolgens beperkt tot de westerse beschaving, signaleert zij een culturele droom waarin de mens het ‘zweet zijns aanschijns’ wil voorkomen en streeft naar een loskomen van de aarde. De realisatie van die droom is in de Griekse tijd, in de Middeleeuwen, in de moderne tijd (vanaf de 17e eeuw) en in de moderne wereld (vanaf 1945) verschillend. In de tweede dimensie past haar beschouwing over de menselijke activiteiten (‘vita activa’) als antwoordend op bepaalde voorwaarden of gegevenheden. Zij analyseert er drie: 1) een biologische (men wil of moet eten en zich voortplanten), 2) een sociologische of politieke (men is niet alleen, maar in een plurale omgeving met andere mensen op de wereld) en 3) een culturele (datgene wat de mens onderscheidt van het natuurlijke in planten en dieren). De activiteiten van de mens beantwoorden aan deze levensvoorwaarden door 1) te arbeiden (voorzien in voedselbehoefte en verzorgen van andere consumptiegoederen, huishoudelijke taken zoals schoonmaken), 2) te handelen (discussiëren in organisatieverband, buurtcommitees en politiek) en 3) te werken (kunst-matige objecten te maken als duurzame gebruiksgoederen zoals een kast). Wanneer deze eerste twee dimensies worden samengenomen, kan zij stellen dat in de Griekse tijd het handelen (de filosofische dialoog) het meest nastrevenswaardig was. Met het verdwijnen van de Griekse stadsstaat verdween echter ook het publieke forum van het handelen en geleidelijk werd het private belangrijker (het publieke werd slechts noodzakelijk voor de bescherming van het private). Met de opkomst van de gilden werd het werken de dominante activiteit. De werkende homo faber (de ambachtelijke technicus) trad echter uit zijn isolement en ging niet alleen maar duurzame gebruiksgoederen maken, maar op een gegeven moment ging hij produceren voor een markt: hij ging ruilgoederen maken. De waarde van het product werd niet langer door innerlijke waarden bepaald, maar door de waarde die de markt eraan bleek te geven. Met Marx komt niet het product, maar het arbeiden centraal te staan, de mens wordt animal laborans: hij wordt loonarbeider, het gaat om de uren dat hij arbeidt. Na het centraal stellen van het werken, werd het werken zelf gedegradeerd tot arbeiden en dat proces werd geoptimaliseerd door arbeidsdeling. De duurzame gebruiksgoederen werden meer en meer vluchtige consumptiegoederen. In de moderne tijd zijn het de mechanisatie en automatisering die het productieproces verder optimaliseren en daarmee de devaluatie versterken van het werken en van de gemaakte eindproducten.

 

In de derde dimensie past Arendts betoog van de fundamentele omkering van het denken waardoor de moderne tijd gekarakteriseerd wordt: waar voorheen het denken de dienstmaagd was van het innerlijk schouwen van de waarheid, werd zij nu dienstmaagd van het doen. De moderne mens kan slechts kennen wat hij zelf kan maken. ‘Kennis is macht’ betekent eigenlijk: ‘kennen ist machen’. Descartes filosofie is gebaseerd op de experimenten van Galileï. De wiskundige formuleringen dienden niet langer slechts een beschrijving van de verschijnselen, maar ze dienden het technisch construeren. Wanneer vervolgens het experiment de hypothetische formuleringen bevestigde, stelt Arendt dat de vicieuze cirkel rond is: de wereld van het experiment (het moderne maken) schijnt altijd een door de mens zelf tevoorschijn geroepen werkelijkheid te kunnen worden. Dat is het opvorderende maken. Hierdoor wordt de menselijke reikwijdte van het maken en handelen weliswaar enorm vergroot, maar tegelijk sluit de mens zich op in deze door hemzelf gemaakte wereld. Zodra hij de werkelijkheid wil ervaren van dat wat hijzelf niet is (iets waartoe alle eeuwen voor hem nog in staat waren) zal hij ontdekken dat de natuur en het heelal hem ‘ontsnappen’. Door de cartesiaanse twijfel is de zintuiglijk gegeven wereld verdwenen en daarmee de mogelijkheid om boven die materiële wereld uit te stijgen. Het Zijn is met die moderne ommekeer onvoorstelbaar, on-denkbaar geworden, aldus Arendt.    

 

Vragensteller: Dus, met mijn eigen woorden, inzoverre onze voorstelling een versimpeling of reductie is van de werkelijkheid, doen we de werkelijkheid geweld aan wanneer we met onze instrumenten (die gebaseerd zijn op die gereduceerde kennis) eisen dat de werkelijkheid zich toont overeenkomstig onze voorstelling en dat proces is opvorderen?

 

Andrew: Dat is wel een erg populaire versie van het filosofisch veel nauwkeuriger taalgebruik in Martins boeken. Wat ik mij echter afvraag is: wiens wil en voorstelling krijgt in techniek gestalte? Zijn het niet de machthebbers die hun wil en voorstelling in de techniek uitdrukken, waardoor hun waarden en normen door ‘onschuldige’ gebruikers van die techniek wordt bevestigd, geïncorporeerd in ieders leven en maatschappelijk waarde krijgt. Moeten we als constructeurs van techniek niet juist die politieke macht zien te breken en daar democratische waarden voor in de plaats stellen?

 

Jacques: Het zit veel dieper. Met de constructivisten zou ik willen benadrukken dat een burger al zo verweven is met de hem omringende systemen, dat je als je om je heen kijkt eigenlijk geen vrij mens meer tegenkomt. Mensen op innovatie-afdelingen en op Research&Development departementen zouden vrij moeten zijn van de politieke waan van de dag, vrij van economische voorwaarden en vrij van de vraag van de markt. Ik zie nauwelijks constructeurs die zo sterk in hun schoenen staan dat ze een werkelijk innovatieve weg in kunnen slaan. We blijken in de praktijk van alledag kleine mensjes te zijn, die bang zijn om hun baan te verliezen, willen scoren met maatschappelijk relevante producten, hun carrière willen redden voor allerlei hooggestemde doelen en daardoor met handen en voeten gebonden aan hun omgeving, hun collectieve voorstelling en de resultante van hun collectieve wil. Voor alle duidelijkheid: ik zeg niet dat dit moreel fout is, ik zou me geen raad weten als mijn kinderen zich in deze maatschappij niet zouden kunnen handhaven, maar ik constateer deze onvrijheid wel en zeg het hardop, omdat men het proces door moet krijgen waardoor we ons onmachtig voelen om dingen te sturen.

 

Voorzitter: Kunnen we vaststellen, dat door die verwevenheid, die de constructivisten op micro-niveau tonen, en die op meso-niveau door Jacques aannemelijk is gemaakt, het praktisch vrijwel onmogelijk is om techniek te sturen, want techniek is niet (meer) los verkrijgbaar. Willen we techniek in haar structuur of in haar ontwikkelingsrichting veranderen, dan moeten we de mens in verwevenheid met techniek zowel in de constructiefase (een beperkt aantal mensen) als in de gebruiksfase (maatschappelijke vervlechting) tegelijkertijd en coherent aanpakken en meesturen. Een (constructief) kritische benadering van techniek moet samengaan met een (constructief) kritische benadering van de maatschappij. Verder kunnen we concluderen dat de betekenis van het substantivisme hierin gelegen is, dat de ernst en diepgang van deze verwevenheid wordt blootgelegd en daarmee de ernst en diepgang van de kritische houding die vereist is. De vervlechting is niet een toevallig complicerende factor, maar gegeven met en eigen aan de moderne tijd. Niet slechts een aantal aanwijsbare mensen zijn mogelijkerwijs moreel fout (bijvoorbeeld politici of de ontwikkelaars van de atoombom), of hebben een andere mening dan anderen (bijvoorbeeld voorstanders van de gentechnologische plantenveredeling), maar alle mensen zijn in de moderne tijd veranderd.

 

Hoe overtuigd men ook is van de eigen originaliteit en de eigen subjectieve wil en voorstelling, men is (vaak onbewust) slaafs verbonden met de wil en voorstelling van de wereld waarin men is. Subjectieve belangen die in een democratisch debat of in een beroemd poldermodel worden uitgewisseld en ingewisseld, blijven op het niveau van wil en voorstelling. Vaak blijft men daarin subjectief gebonden aan de eigen opvatting en men loopt daardoor het gevaar fanatiek en gewelddadig te worden. Dat komt omdat men nog niet diep genoeg ziet wat de dragende grond is van dergelijke ‘constructieve’ besprekingen en opvattingen. En hoewel men met goede communicatietechnieken de eigen opvattingen soms bewust kan worden door ze te relateren aan iets anders, blijft men toch op een dieper niveau gebonden aan de wil en voorstelling van de omgeving. En zelfs als men zich bewust wordt van het paradigma van de eigen tijd(geest), dan nog hoeft een paradigmawisseling (als dat al construeerbaar zou zijn) niet te leiden tot een overwinning van het voorstellende denken en van het subject-object schema als de dragende grond van al ons handelen. We moeten dus niet alleen kritisch zijn naar de techniek, naar de maatschappij, maar in de diepste plaats ook naar onszelf. We moeten onszelf (ons subject) overwinnen om mens te worden. Ook dit kan niet geïsoleerd, maar moet in deze tijd, in verbondenheid met de huidige techniek en maatschappij geschieden. Mijn laatste vraag is: kan dat vanuit het technisch bezigzijn? Kunnen we in het construeren zowel onszelf, de techniek en de maatschappij (als intiem verweven) veranderen en de zichzelf versterkende en bevestigende cirkels doorbreken? Is er iets in het wezen van de techniek dat daar ruimte voor biedt?

 

 

Een grondslagenstrijd

 

Bruno: Ik zou zeggen dat het in de grond van de zaak gaat om onderhandeling, om onderlinge afspraken en om de mate waarin bondgenootschappen sterk zijn op bepaalde momenten. Op grond daarvan ontstaan toevallige producten die we benoemen met het naampje ‘techniek’. Dus: nee, omdat techniek resultaat is en geen oorzaak is, kan een verandering niet door techniek maar alleen door onderhandeling tot stand komen.

 

Martin: Ik heb een vermoeden dat het wezen van de techniek wel die ruimte biedt. Omdat de grondoorzaak een vergeten is (in de techniek: het vergeten van een oorspronkelijke wijze van ontbergen) is er een weg terug, namelijk het herinneren, met het bewust worden of misschien wel het bewust maken als een eerste stap. Dus: ja, omdat het technisch gebeuren het menselijk willen overstijgt is er in principe redding mogelijk. Zowel het wezen van de techniek als het wezen van de mens hebben een openheid naar iets buiten zichzelf. Het wezen van de mens is antwoordend op iets dat hem aanspreekt en het wezen van de techniek is het ontbergen van iets, ook dat verwijst dus naar iets wat uitstijgt boven de verwevenheid van mens en techniek. In welke beschikking van de tijd men ook leeft en handelt, de gerichtheid op en eerbiedige nieuwsgierigheid naar dat andere houden mens en techniek open. Op dit diepste niveau is er geen sprake van het door menselijke wilskracht sturen van techniek, maar een actieve openheid naar mensen en dingen om veranderingen bewust te vernemen, te ontbergen en als de tijd rijp is op te laten nemen in het cultureel erfgoed.   

 

Voorzitter: Met mijn laatste vraag zijn we kennelijk middenin de echte controverse tussen substantivisten en constructivisten terecht gekomen. Waar we in de hele dialoog tot nu toe steeds een mogelijke toenadering bespeurden, zijn we verrassend genoeg aan het einde van de dialoog op een diepe controverse gestuit. In het begin van de dialoog zagen we dat de stromingen van het constructivisme en het essentialisme wat betreft de focus van techniek als onderzoeksobject en wat betreft de methode elkaar zouden kunnen aanvullen. Ook hebben we het argument van het technisch determinisme geanalyseerd en geconcludeerd dat er sprake is van verschillende processen op verschillende niveaus die elkaar niet noodzakelijkerwijs weerleggen. Wat betreft het argument van het technisch substantivisme, in eerste instantie leek het erop dat ook daar de controverse was terug te voeren op een verschillende dimensie van het ‘typische’ of het wezenlijke van techniek. De substantivisten leggen immers meer nadruk op de tweeheid van de wijze waarop men in techniek ontbergt, terwijl de constructivisten de nadruk leggen op de diversiteit in het (technisch) ontwikkelingsproces. Wanneer we echter doorvragen naar de oorsprong of het fundament van techniek (in haar verwevenheid met mens en maatschappij) dan staan we voor een keuze: is het constructief gebeuren van mens-techniek-maatschappij in zichzelf gesloten? We hebben geconcludeerd dat de mens-techniek-maatschappij verwevenheid noodzakelijk is voor het verklaren van allerlei technische verschijningsvormen, maar nu stellen we de vraag of die verwevenheid ook voldoende is om alle technische verschijnselen te verklaren. In concreto: stel ik wil met mijn afdeling een echte innovatiestap maken en heb daarvoor een team met constructeurs geregeld die alle over een uitgebreid netwerk beschikken, wat kan ik dan nog meer doen om het innovatieproces te faciliëren en te stimuleren?

 

Bruno en Wiebe: Niets!

 

Jacques en Andrew: Politiek machtsmisbruik uitsluiten.

 

Martin: Tja, waar komt de wezenlijke creativiteit vandaan?

 

Hans: Waar doel je op? Inspiratie? Dromen? Mythologie?

 

Voorzitter: Ik probeer de controverse in de grondslagenstrijd helder te krijgen.

 

Vragensteller: Ik weet niet precies wat bedoeld wordt met een grondslagenstrijd in de techniek, want voor zover ik weet heeft niemand het zo nog genoemd, maar ik vind het spannend genoeg om er op in te gaan. In de natuurkunde en wiskunde heeft men een heuse grondslagenstrijd gevoerden het lijkt nu inderdaad de beurt aan de techniek om zich op haar grond te bezinnen. Martin is immers op zoek gegaan naar de grond van de techniek en zijn voorstel wordt nu heftig bediscussieerd, dus in die zin is er al sprake van een grondslagenstrijd. Wanneer ik de zojuist gegeven antwoorden beluister, lijkt er een overeenkomst te zijn met de grondslagenstrijd in de wiskunde. Rond 1920 is in de wiskunde de strijd gevoerd of de oorsprong van de wiskunde louter afspraken zijn (het ‘formalisme’) òf de intuïtie van de tijdsopeenvolging (intuïtionisme). (p.266)94 De formalisten verdedigden dat de grond van de wiskunde louter een set axioma’s was en de rest kon worden afgeleid. Wanneer men deze visie op de grondslag van de wiskunde heeft, kan men onbekommerd formules afspreken en aannames toevoegen aan de basis-set waardoor (eigenlijk ontoelaatbare) vereenvoudigingen mogelijk worden. Wiskunde als sociaal contract. Wanneer bijvoorbeeld een limiet van een bepaalde reeks naar 2 gaat (maar er wiskundig gezien nooit komt) kan men in het formalisme gewoon afspreken dat die er wel komt. Men voegt een afspraak toe aan de set axioma’s. Wanneer men daarentegen zulke louter formele axioma’s (zonder construeerbare inhoud) niet toestaat, maar alle uitspraken in de wiskunde wil terug kunnen voeren op een oer-intuïtie (bijvoorbeeld de intuïtie van de tijd waarin 1 uiteenvalt in 2 en vervolgens in 3 en zo verder), wordt de wiskunde strenger, maar complexer: alles moet vanuit de aftelbaar oneindige reeks der natuurlijke getallen kunnen worden opgebouwd. De gevolgen voor de richting waarin de wiskunde zich verder zou moeten ontwikkelen zijn groot: het intuïtionisme heeft grote gedeelten van de wiskunde geschrapt als ongefundeerd en zonder inhoud (lege formele ‘hersenschimmen’) en een geheel nieuwe tak van wiskunde is opgebouwd (de topologie). En passant zijn een aantal paradoxen in de formalistische benadering oplosbaar geworden door nauwkeurig constructiewerk. Verder is, aan welke kant van het debat men ook staat, duidelijk geworden dat de wiskunde geestelijker is dan men dacht: er zijn fundamentele basisaannamen die aan het denken (zelfs aan het op axioma’s gebaseerde rekenende denken) voorafgaan. Zelfs de formalisten zijn zich bewust geworden van een alternatieve wiskundebeoefening, gebaseerd op andere (aan religieuze diepten appelerende) grondvragen. Concluderend: een grondslagenstrijd is heftig en kan op cruciale momenten de ontwikkeling richting geven. Het curieuze is hierbij wel, dat slechts een beperkt aantal mensen de strijd met de benodigde diepgang strijden, terwijl voor het uitwerken van een nieuw ingeslagen weg men ogenschijnlijk geen partij hoeft te kiezen. Niet alle topologen zijn intuïtionisten, voor de meesten is de impliciet veronderstelde grondslag een black-box. Maar goed, daarmee heb ik nog geen antwoord gegeven op de vraag: welke standpunten zijn er te onderscheiden in de ‘grondslagenstrijd der techniek’?

 

Bruno: Zoals je het nu omschrijft voel ik wel mee met de formalisten in de wiskunde: de basis van techniek zijn afspraken, in mijn terminologie: bondgenootschappen. Deze  bondgenootschappen constitueren de uiteindelijke producten met hun gebruikers tezamen. Op basis van deze bondgenootschappen kan je enorm veel opbouwen. De bondgenootschappen beperk ik niet tot mensen, ook niet-menselijke actoren spelen hierin een rol en wel zo verweven dat er eigenlijk geen onderscheid te maken is: alle entiteiten hebben een hybride karakter. Eigenlijk zijn we nooit modern geweest in de zin van object versus subject, ofwel het ding versus de mens. In de filosofie van de techniek, waar ik wel degelijk een bijdrage aan wil leveren, zoek ik naar een weg tussen het realisme, waarin de dingen (niet-menselijke actoren) centraal staan, en het (sociaal) contructivisme, waarin de sociale relaties (de menselijke actoren) centraal staan. Ik zou zeggen dat dit de grondslagenstrijd is: het technische versus het sociale; het object versus het subject. Die twee kanten wil ik overbruggen. Ik ben me er echter van bewust hoe verleidelijk het is om in deze twee richtingen te denken. Stel je maar eens voor dat iemand iemand anders doodschiet. Je kan je dan afvragen wie er schiet: de persoon of het geweer. Vanuit een materialistisch uitgangspunt zeggen sommigen (bijvoorbeeld de tegenstanders van wapenbezit): het is het geweer en geweren moeten daarom verboden worden. Vanuit een (sociaal) constructivistische benadering zeggen anderen (bijvoorbeeld de wapenindustrie): het zijn niet de wapens, maar het gebruik van de wapens door de mensen. Het wapen zelf is maar een dom (neutraal) stuk techniek. Toch is het duidelijk dat beide, zowel het geweer als de schutter, bijdragen aan het doodschieten. Ze zijn dus vermengd en niet gescheiden. Je zou kunnen zeggen dat de techniek een mediërende rol speelt, niet als passieve of neutrale intermediair, maar als actieve mediator. Ondertussen heb ik vier betekenissen onderscheiden van mediatie: 1) translatie: in plaats van doodslaan vertaalt men de handeling in doodschieten, 2) compositie van actoren: zowel het geweer als de persoon schieten in een onderlinge samenhang die beide verandert, 3) omkeerbare black-boxing waardoor de vermenging van menselijke actoren en technische artefacten zichtbaar wordt, bijvoorbeeld als het geweer weigert en 4) delegatie waarbij het voorschrift ‘pas op dat het geweer niet per ongeluk afgaat’ wordt ingebakken in het geweer in de vorm van een veiligheidspal die eerst weggeschoven moeten worden.

 

Vragensteller: Dat lijkt me een bewonderenswaardige poging om het subject-object schema mee te relativeren, maar of men dat schema doorbreekt, laat staan erboven uitstijgt door dingen subjectiever te maken waag ik te betwijfelen. Wat betreft je voorstel inzake de grondslagenstrijd: eigenlijk is dat een controverse in de beschouwing of beschrijving van techniek en niet in de bepaling van de grond van de techniek zelf. Terugkomend op de vraag naar de oorsprong: als die louter in bondgenootschappen zou bestaan, zadel je de mens met een enorm probleem op: enerzijds geef je hem meer verantwoordelijkheid omdat hij de translatie, compositie en delegatie construeert (weliswaar in samenspraak met de dingen, maar toch), en anderzijds geef je de mens geen enkele richting in die verantwoordelijkheid: welke bondgenootschappen moeten wel en welke beter niet gesloten worden. Op welke uitnodiging van actanten moet men wel en op welke niet ingaan? Neem bijvoorbeeld een uitvinding: waar komt zo’n nieuw bondgenootschap tussen een uitvinder en bijvoorbeeld het materiaal vandaan? Wat is de oorsprong van een uitvinding?

 

Andrew: 90% transpiratie en 10% inspiratie.

 

Vragensteller: Dat lijkt weer meer op de intuïtionisten die de intuïtie als basis nemen van hun constructie. Als we het constructivisme beschouwen als de ene pool van de grondslagenstrijd in de techniek, is de andere pool dan niet het inspirationisme? Het creatieve moment is immers niet maakbaar, niet construeerbaar, maar wel degelijk van belang voor technische ontwikkeling. Dus inspiratie als noodzakelijk onderdeel van een uitvinding en de uitvinding als basis voor technologische innovatie is wellicht verdedigbaar als grondslag. Wanneer je bovendien die inspiratie ziet als iets wat in de lucht hangt, of voortkomt uit een (nieuwe) tijdgeest, kan je meteen verklaren waarom bepaalde uitvindingen vaak synchroon door meerdere personen plaatsvindt. Een verandering in de tijd leidt dan bijvoorbeeld tot een verandering in de dingen en geïnspireerde genieën en uitvinders vernemen die veranderingen (als eerste). Het constructivisme is dan weliswaar afhankelijk van het toevallige samenspel van actanten (menselijke en niet-menselijke actoren), maar het valt hun toe vanuit een veranderende tijd. Het idee, de inval van een technische oplossing, het lampje dat ineens gaat branden, is immers niet altijd herleidbaar tot aanwezige ervaring of beschikbare bondgenootschappen met materialen, vormen of mensen. Het gaat dan om een andere openheid: niet alleen open voor mensen en dingen als onderhandelaars, maar een openheid naar boven-individuele veranderingen in mensen en dingen.

 

Jacques: Dat garandeert toch geen alternatieve techniek? Misschien bevestig je het collectieve alleen maar.

 

Vragensteller: Akkoord, wijzen op de openheid naar intuïtie en inspiratie laat onverlet waardoor je geïnspireerd wordt. Dat is dan de volgende stap. Einstein, die de grondslagen van de natuurkunde bediscussieerde, was daar helder in: de mathematische eenvoud en schoonheid die hem bracht tot de algemene relativiteitstheorie was niet JHWH, de Joodse God, maar de god van Spinoza. (p.285)94 Ook Brouwer, die de grondslagen van de wiskunde ter sprake bracht, heeft eens onthuld dat hij door de geest van Pythagoras zelf geïnspireerd was tot zijn inzicht in de fundamenten van het tellen tot 3 en verder. Nu het in onze tijd vreemd is en achterhaald lijkt om dergelijke inspiratoren op deze wijze bewust te worden en een rol te laten spelen is het gevaar niet denkbeeldig dat we het uitvinden zelf willen of denken te doen, terwijl we daarin slaaf kunnen zijn van ons eigen subject of van een collectief onderbewuste.

 

Martin: Wellicht zou je de technicus die geconcentreerd en vol overgave voelt dat iets mogelijk is, maar nog niet ziet hoe het werkt, en juist dat aan het uitvinden is, meer aandacht moeten geven. Arendt heeft gewezen op het historische feit dat de moderne technologie haar ontstaan niet te danken heeft aan de vervolmaking van allerlei werktuigen, die de mens altijd heeft geconstrueerd, maar enkel en alleen aan de speurtocht naar ‘onnutte’ kennis, zonder interesse in de praktische bruikbaarheid. Zo werd de (water)klok niet uitgevonden voor maatschappelijk praktische doeleinden, maar uitsluitend voor het in hoge mate theoretische doel bepaalde experimenten met de natuur te kunnen nemen. (p.292)5

 

Voorzitter: Merkwaardigerwijze zijn we met dit thema weer terug bij onze eerste kennismaking met het constructivisme. Daarbij hadden we al het vermoeden dat de constructivisten pas met hun onderzoek beginnen als de zuivere techniekbeoefening, het geboeid blijven uitvinden hoe iets (kan) werken, reeds voorbij is.  De uitvinding, laat staan de intuïtie en inspiratie, brengen zij onder (en stellen ze gelijk aan) de aanwezige kennis(netwerken). Dat is niet zomaar een tekortkoming die aangevuld zou kunnen worden of verdiept vanuit bijvoorbeeld het substantivisme, maar er blijkt een fundamentele aanname aan ten grondslag te liggen. De mens als constructeur wordt (evenals de niet-menselijke actor) beschouwd als een sociaal wezen. Dat de mens en zijn techniek, of beter gezegd: de mens in verwevenheid met techniek, ook anders, bijvoorbeeld geestelijk beschouwd kan worden, valt buiten het –isme van het constructivisme. De vraag naar het wezen van techniek en naar het wezen van de mens (die vanwege de intieme verwevenheid niet los van elkaar gezien kunnen worden) komt in de grond van de zaak neer op de vraag of de mens (en de techniek) uiteindelijk sociaal danwel geestelijk verstaan moet worden. Uiteraard zal iedereen erkennen dat de mens in zijn technisch handelen deelneemt aan zowel sociale als geestelijke processen (of tenminste: aan processen die zowel sociaal en geestelijk te beschrijven of typeren zijn).

 

De kernvraag is echter: accepteert men creatieve ideeën en eye-openers als zodanig (als geestelijke processen) of worden ze slechts in hun sociale uitwerking op waarde geschat. De constructivisten kunnen alles slechts op waarde schatten in termen van betekenisstabiliteit in sterke bondgenootschappen. Een individueel genie met een briljant idee kan dus niet op waarde geschat worden in het constructivistisch paradigma. De impact hiervan kan vergelijkbaar zijn met de impact van een grondslagenstrijd, omdat het hier om een fundamentele stellingname gaat. Hoe ernstig de impact is voor het construeren als proces hangt af van het belang van persoonlijke intuïties en geniale uitvindingen of ontdekkingen in de technische ontwikkeling. Een afgeleide van het grondslagendebat over het sociale dan wel geestelijke wezen van mens en techniek is het debat over de rol van de uitvinding in de techniek. We zullen dat debat, dat reeds in 1927 geïnitieerd werd 20  en bij tijd en wijle oplaait (zie bijvoorbeeld p.11083, p.10363, p.1032, p.14339), hier nu niet dunnetjes over doen, maar wijzen op een geactualiseerde vraag: Wat is de rol van de uitvinding in het technisch construeren en is die rol veranderd met de moderne technische innovatie-teams? Persoonlijk vraag ik me daar bij af: Is de houding van de uitvinder niet de (ideaal)typische houding van alle constructeurs? De kick die je krijgt wanneer je de technische principes van iets werkends uitgelegd krijgt is toch een directe afgeleide van de aan mystiek grenzende momenten waarop een uitvinder ziet hoe het zit. Maar goed, het gaat nu niet om mijn vragen en al helemaal niet om een nieuwe dialoog te starten, want we waren juist weer terug bij ons uitgangspunt. Ik wil daarom de dialoog voor de pauze gaan afronden, zodat we na de pauze nog enkele vragen uit het publiek kunnen laten passeren en ik een concluderende samenvatting kan opstellen. Toch zijn er nog twee punten blijven liggen die opheldering vergen. De eerste betreft een concrete toepassing van dat wat we zojuist over het substantivisme ter sprake gebracht hebben. We willen de betekenis van het substantivisme voor een concrete constructie geïllustreerd zien. En de tweede vraag betreft een nadere explicatie van het constructivisme. Is het inderdaad zo dat zij meer aandacht geven aan het ontwikkelingsproces van een constructie, dan aan alle fase van het construeren zelf, waarbij de vraag zich toespitst op de beginfasen van het ontwerpen en uitproberen.

 

Vragensteller: Ik wil een suggestie doen voor het eerste punt. Neem nu eens mijn prachtige geautomatiseerde tuinbesproei-installatie; hoe is die filosofisch te analyseren? Ik heb het met de beste bedoelingen gekocht en in gebruik: het gaat mij namelijk om de optimale zorg voor mijn kuipplanten. Om deze te laten overwinteren, moeten ze in de winter naar binnen en daarom moeten ze in potten. Dat geven de planten als het ware zelf aan. In potten kunnen ze echter sneller verdrogen en daarom worden ze nu met mijn installatie dagelijks 2x kort beregent.

 

Andrew: Dat lijkt me erg handig, ik zou ook wel zo’n ding willen dan kan ik eindelijk eens rustig op vakantie.

 

Jacques: En dat is nu precies de verleiding van de techniek: je gaat je organisatie van het huishouden er op instellen en hebt straks gewoon geen tijd meer voor je planten: je hebt er letterlijk geen omkijken meer naar.

 

Martin: Het gevaar zit hem in het vergeten: je vergeet nu misschien niet meer water te geven, maar je vergeet wel voor je planten te zorgen. Nogmaals: dat is niet noodzakelijk, maar de techniek in de moderne vorm van zo’n automaat, helpt daar wel aan mee.

 

Vragensteller: Maar als ik nu wel elke dag met plezier naar mijn planten kijk, zonder de last van het regelen van water, ben ik toch goed bezig?

 

Martin: Het gaat mij niet zozeer om goed of fout, ik probeer alleen maar aan te geven dat er twee vormen van betrekking zijn waarin een mens tot bijvoorbeeld de natuur kan staan: een zorg voor de planten zodat ze tot hun recht komen of een optimalisering van het groeiproces voor subjectieve doelen, bijvoorbeeld het plezier voor jezelf of het opscheppen naar de buren of het maximaliseren van de opbrengst, noem maar op. Verder heb ik aangegeven dat in die laatste betrekking de eerste verborgen en vergeten wordt.

 

Voorzitter: Maar het is dus mogelijk om moderne producten die wellicht gevormd zijn op basis van de moderne betrekking, toch te gebruiken in een niet-moderne betrekking.

 

Martin: Dat vergt openheid, rust, gelatenheid, vroomheid en dat is in de moderne tijd wel mogelijk, maar niet makkelijk op te brengen. En waar men de techniek vooral inzet ter bevrediging van de gemakzucht, zal een dergelijke houding niet zo snel met de moderne techniek gestimuleerd worden. Sterker nog: wanneer men de zorg voor de planten niet wil vergeten, hoewel het inzetten van techniek daar aanleiding toe geeft, zal men zich eigenlijk voortdurend rekenschap moeten geven van het feit dat door het hanteren van moderne techniek met een niet-moderne grondhouding men des te meer verbergt dat men van de omgeving nog steeds de continue beschikbaarheid van een toereikend energiebestand vereist. Toch kan ook het bijhouden van een moestuintje door een moderne landbouwer, naast de uitgestrekte hectares bouwgrond die hij met zijn machines bewerkt, hem die betrokkenheid en die openheid geven, waarmee hij ook zijn grootschalige gewasteelt zou kunnen verzorgen. Zijn zoon echter, zal deze extra zorg al snel onnodig vinden en spoedig zal de praktische kennis over bijvoorbeeld de eerste symptomen van ziekte en over de tekenen die wijzen op een weersomslag vergeten worden. Tegenslagen, zoals ziekte en weersomstandigheden, worden technisch beheersbaar en een intieme betrokkenheid bij het wel en wee van het gewas wordt dan overbodig.

 

Voorzitter: Totdat de techniek uitvalt.

 

Martin: Ja, een break-down zet ons stil bij het vanzelfsprekende. Wanneer men echter zorg en respect waardevol vindt en dat, los van de gebruikte techniek, centraal stelt, kan de afhankelijkheid van techniek bij een break-down minder drastische gevolgen hebben.

 

Andrew: Het doel heiligt dan toch de middelen: zijn we nu niet weer terug bij een instrumentele opvatting?

 

Martin: Nee, het gaat niet om een ander (zo je wilt: ethisch beter) subjectief doel, het gaat ook niet om een beperking aan technische producten of een maat voor de technische ontwikkeling. Het gaat om een grondhouding.

 

Voorzitter: Om het nog wat moeilijker te maken, kan men deze grondhouding zelfs ten aanzien van technische producten aanwenden. Zo sprak ik eens een verzamelaar die voor zijn hobby militaire trucs verzorgde. Op mijn vraag of hij er niet veel onderhoud aan had, zei hij: ‘dat valt alles mee, hij geeft van tevoren precies aan wat er mis gaat, dat moet je dan direct verhelpen en dan gaat alles goed.’ Deze man had een open houding naar het technische product: vanuit zijn zorghouding was hij gespitst op het vernemen van wat de machine zelf aangeeft. Dit is uiteraard niet de normale omgang met techniek, want normaal verbergt de techniek zichzelf, wordt techniek gebruikt om je bijvoorbeeld mee te verplaatsen. Dat wordt vanzelfsprekend. Je kan dat gebruik van techniek echter zo gewoon gaan vinden, dat je bang wordt van de gedachte dat de techniek je in de steek zou kunnen laten en dan sta je ineens stil. Om een dergelijke angst te overwinnen en om de kunst van het motoronderhoud te gaan beoefenen wordt wel verwezen naar oosterse zen-meditatie. In de moderne Europese cultuur, waar men niet meer om techniek heen kan, is het aanleren van liefde voor techniek misschien wel de eerste en meest geëigende stap om een respectvolle houding te oefenen. Of is dit een al te concrete invulling van de dichtregel: ‘waar het gevaar is daagt ook de redding’?

 

Vragensteller: Terugkomend op mijn sproei-installatie: ik heb me afgevraagd wat mij daarin boeit. Natuurlijk kan je dan wijzen op de afhankelijkheid die ik daarmee geïntroduceerd heb, want ik kan er in de organisatie van mijn dag- en vakantieplanning rekening mee houden. Ik kan op den duur verleren hoe het handmatig water geven ook al weer ging (bijvoorbeeld welke plant hoeveel water moet hebben) en ik kan de hulpmiddelen die het handmatig water geven ondersteunen op den duur wegdoen (geen gieters en losse tuinslangen meer). Daardoor kan ik geboeid raken (in de negatieve betekenis) waardoor ik, bij een eventuele break-down van de installatie, er alles aan zal (moeten) doen om het apparaat weer aan de gang te krijgen. Hoewel dit allemaal hoort bij de verwevenheid van techniek die praktisch toegepast wordt, heb ik toch het gevoel dat hiermee de techniek niet in haar kern begrepen is. Het meest fascinerende van de installatie, wat mij dus het meest boeit, zijn de instelbare druppelaars, die met een kleine draaibeweging veel of weinig druppels geven al naar gelang de plant het nodig heeft. Het is ook de regenmeter, die het regenwater opvangt en langzaam weer prijsgeeft en daarmee voorkomt dat de installatie op regenachtige dagen gaat sproeien. Het is ook de klok waarop programma’s instelbaar zijn hoe vaak per dag en hoe lang je wilt sproeien. Sterker nog: het zijn de tientallen beslissingen en gevonden oplossingen om het geheel te laten werken. Het elektrische waterslot op batterijen dat toch maar even de waterdruk schakelt, de vorm van de regenmeter die door trial-and-error precies zodanig is ontworpen om niet te kort, maar ook niet te lang het signaal door te geven dat het heeft geregend en dan de realisatie van het geheel zodat het gewoon in de buitenlucht kan functioneren. Van de verhalen over die constructiefase zou ik graag meer willen horen. Vanuit het wezenlijke van de techniek zijn de verhalen  over het productierijp maken en het vermarkten van het product veel minder boeiend.

 

De ontwerp- en ontwikkelfase

 

Voorzitter: Daarmee zijn we bij het tweede en laatste punt: niet de constructie maar het construeren willen we nog aandacht geven, en binnen dat construeren willen we de technische fase (voorfase in de zin van voorafgaand aan gebruikersvalidatie, optimalisatie, en productie) onderscheiden van de toepassingsfase (de maatschappelijke constructie met gebruikers, sponsors, industrie enzovoort). Laat ik beginnen met het belang van de ‘sociologie en de ommekeer’, want hoe men ook over het constructivisme denkt, ze heeft er toch maar voor gezorgd dat de ontwikkeling van techniek eindelijk in de schijnwerpers staat. Hoewel de essentialisten er ook altijd aandacht voor hebben gehad en gevraagd, zijn ze niet in staat geweest de focus op de impact van techniek te veranderen in een focus op de constructie van techniek. Door de empirische wending is het filosofische debat vlot getrokken in een meer concrete en praktische richting. In hoeverre hebben de constructivisten nu last van de meso- en macro-beschouwingen van de klassieke techniekfilosofie? Wanneer men op constructivistische wijze de filosofie van techniek wil beoefenen, waar komt men dan klassieke opvattingen tegen en wat is hun rol?

 

Bruno: Zodra een technisch product niet echt meer voldoet, breek je als het ware de black-box open en kom je in een fase waarin techniek op micro-niveau aangepast kan worden. Dat is een proces waar naast technici vele actoren in betrokken zijn. De klassieke techniekfilosofie zegt niets over dit menselijke proces.

 

Wiebe: Met onze theorie willen we concepten aandragen die dit sociale fenomeen kunnen beschrijven.

 

Andrew: Enerzijds bevalt me deze wending wel, want de sociologie is nog lang niet zo exact als de techniek en wellicht wordt ze dat met het constructivisme. Bovendien wordt de terechte of onterechte opvatting dat de techniek stuurloos is geworden gerelativeerd. Aan de andere kant is het constructivisme onvoldoende om een alternatieve filosofie op te baseren en bovendien is het onderzoek naar de diversiteit in de techniek en naar de diversiteit in de technische disciplines nauwelijks uitgewerkt.

 

Voorzitter: Om dit punt nog wat aan te scherpen zou men kunnen stellen dat de bijdrage van het constructivisme aan de filosofie van de techniek vooral ligt in het empirisch deconstrueren van de klassieke scheiding tussen de vorming van techniek en het gebruik ervan (de zogenaamde actualisering van de bestemming p.50377). Het constructivisme laat aan de hand van een aantal voorbeelden immers zien dat de laatste fase van de vorming en de eerste fase van het gebruik vloeiend in elkaar overgaan. Wanneer een product in een vergevorderd stadium van vorming is, laat men zien dat gebruikers en andere betrokkenen een rol gaan spelen in de uiteindelijke vorm en functie van het product. Daarnaast laat men zien dat een productierijp prototype nog allerlei kinderziektes te zien geeft in de eerste fase van het gebruik en dat daardoor nog allerlei veranderingen aangebracht worden waarbij zelfs het basisidee verlaten kan worden. Dat is de kracht en dus tevens de zwakte van de constructivistische bijdrage. Het gaat om de ontwikkeling en niet om het ontwerpen van technische producten. Bovendien geeft men een beschrijving achteraf en daardoor kan men op geen enkele wijze bijdragen aan het proces van ontwerpbeslissingen nemen zelf. Het is een wending naar de empirie en niet naar de techniek als creatief ontwerpproces. Het gaat eerder over een empirische deconstructie van ons beeld van techniekontwikkeling, dan over het construeren van sociaal/technische individualiteiten.

 

Wiebe: Dan heb je onze benadering toch niet echt begrepen: we willen juist aandacht vragen voor het ontwerpproces. Daarin spelen veel meer mensen een rol dan de zogenaamde overheersende norm van de efficiëntie. Dat wordt in tal van case-studies duidelijk aangetoond. Ik wil nog wel toegeven dat we de mate van creativiteit van de betrokkenen als gegeven nemen, maar dat we in het ontwikkelproces niets zouden kunnen bijdragen door een achteraf standpunt bestrijd ik.

 

Voorzitter: Achteraf is het inderdaad verbazend leuk om te zien welke alternatieven er overwogen zijn en waarom ze zijn afgeschoten, maar als je midden in dat proces zit is dat inzicht helemaal niet verrassend maar eerder de gewoonste zaak van de wereld. Dan is het probleem niet zozeer de contingentie van de uitkomst (want ook dat weet iedere ontwikkelaar), nee de vraag is: welke methodologie moet ik volgen om tot een inventief ontwerp te komen en welke methodes zijn er om het debat met zoveel verschillende actoren goed te voeren en welke actoren moet ik erbij betrekken en hoe voorkom ik dat de technische experts het debat alsnog gaan domineren. Daar gaat het (de)constructivisme toch niet op in?

 

Bruno: Bij deze stel ik de onpartijdigheid van de voorzitter ter discussie. Een beetje uitdagen en verder aanscherpen van een dialoog is één ding, maar zo structureel doordrammen van een eigen opvatting is een tweede en past niet bij een voorzitter. Bondgenoten winnen voor je standpunt is toegestaan, maar niet als voorzitter.

 

Voorzitter: Ik ben blij dat je dit nu zo openlijk uitspreekt, want na het lezen van je boeken en artikelen dacht ik werkelijk even dat je geen enkele norm wilde aanleggen voor het debat tussen de verschillende actoren. Maar nu laat je zien dat je toch een beroep wil doen op externe normen die voor een debat gelden en dat de wijze waarop actoren aan het debat deelnemen afhankelijk is van de rol waarin ze aan het debat deelnemen. Dit lijkt me een interessant volgend thema voor de verdere ontwikkeling van een (sociaal) constructivistische theorie en het is denk ik niet helemaal toevallig dat we hierop uitkomen, want in de traditie van het systeemdenken, waarin men de methodologie altijd heeft opgenomen, is een vergelijkbare ontwikkeling gaande (de ‘Critical Systems Methodology’) en ook in de ontwikkeling van de Technology Assessment Methodologies zie je een toenemende aandacht voor het pro-active assessment waarin de ontwerpfase niet achteraf beoordeeld wordt, maar deze mede vormgeeft en ondersteunt.96, 97 Maar dit zijn mijn eigen stokpaardjes en als voorzitter zal ik die niet aan onze dialoog opleggen. Ter afronding van ons thema over de grondslagenstrijd, die zich concreet uit in een andere waardering van het uitvinden en ontwerpen, kunnen we vaststellen dat een samengaan van het constructivisme en het essentialisme op dit punt niet echt mogelijk is. De betekenis van het essentialisme is op vrijwel alle onderzochte thema’s aanvullend en completerend, maar op dit punt kan zij hoogstens inspirerend zijn. Als voorzitter schors ik nu de dialoog voor een informeel samenzijn. In de pauze zal er gelegenheid zijn voor het publiek om vragen schriftelijk in te dienen en die zullen na de pauze behandeld worden.

 

 

{begin van de pauze, waarin de A4-tjes met de eigen opvatting van de voorzitter weer tevoorschijn zijn gekomen; ze bleken op de grond te liggen}

 

 

 

Eigen opvatting

  1. elke tijd heeft eigen beeld van wereld, waar handelen, zingeving, denken etc mede door wordt bepaald
  2. tot 1800 gebruiksvoorwerpen voor iedereen en symbolische voorwerpen voor rijken (kerk/adel/militaire macht)
  3. handwerktuigen worden ingenieuze mechanieken (uurwerk / molens) die als ‘prime mover’ (eerste beweger) gaan functioneren: wind- en watermolens die andere werktuigen aandreef

4.       na 1800 komt derde stand aan macht (doorwerking Franse Revolutie), iedereen gelijk, ontwikkeling standaardbouten, opkomst economie: zoveel mogelijk, zo goedkoop mogelijk, deling arbeid: organisatie van specialismen en optimalisatie van fasen (Industriële Revolutie)

  1. 1760-1850 tijdperk van de stoommachine (onafhankelijk van water en wind ter plaatse: verplaatsbaar en krachtiger: tot 10.000 pk)
  2. 1850-1900 ontwikkeling gas- elektro- en dieselmotor; 1896: T-Ford, radio, röntgen; opkomst gezondheidszorg: regelgeving, technieken en ontdekkingen (vrouwelijk chromosoom); tijdsgevoel: materiële vooruitgang, geestelijk dieptepunt
  3. 1900-1950 enerzijds technische ontwikkeling en maatschappelijke inbedding (tot aan kernsplitsing: 1942 ontdekt 1944 politiek ingezet); anderzijds onvrede en nieuwe richtingen (‘egyptische’ art nouveau) tot aan interdisciplinaire cybernetica voor allerlei problemen t.g.v. oorlog; wederopbouw
  4. 1950-2000 globalisering bewustzijn en verantwoordelijkheid; milieubeweging; doorwerking van computer; ‘denkende’ netwerken; vermenging en verscherping economische motieven en ethische motieven; systeembenadering in sociologie: maakbare samenleving
  5. na 2000: techniek wordt ontmythologiseerd: techniek wordt empirisch benaderbaar; taal en ding niet alleen passief maar ook actief; samengaan zakelijke en normatieve?

 

artefacten:

  1. technici maken datgene waar behoefte/vraag naar is of maken gewoon iets leuks
  2. vraag wordt bepaald door mensen met geld, macht of toekomstige gebruikers
  3. in principe kunnen technici alles maken, moraal vooral nodig voor opdrachtgever en toepassing, effecten grotendeels onvoorspelbaar, technisch product niet neutraal vanwege ingebouwde specs (oorspronkelijke vraag, opdracht, ontwerpbeslissing, aannames) maar ook niet eenduidig gebruik afdwingend; mens is in vraag, ontwerp en gebruik betrokken
  4. gebruikersparticipatie mooi maar problematisch: stakeholder-selection, rol van technisch expert, structuur normativiteit; efficiëntie @ gelijktijdige realisering van alle specificaties met minimale middelen (eenvoudig ingenieus ontwerp)

 

mechanismen

  1. mechanisch uurwerk: los van zonnestand een (tijdelijke) zelfstandigheid in functioneren, vervaardiging technisch, gebruik niet-technsch (geen gereedschap)
  2. mechanische constructie zeilboot: wind gebruiken om er tegenin te gaan (‘op hol slaan’ mogelijk: vastzittende schoten met richtingfixatie door vast roer of overboord hangende zeilers aan lijzijde)
  3. mechanismen hebben handwerktuigen vervangen om meer met natuurkrachten te doen (effectiever gebruik menselijke en dierlijke spierkracht, wind-, waterkracht) en om hetzelfde gemakkelijker te doen (met minder arbeidskracht: efficiënter)
  4. splitsing tussen werktuigen enerzijds en centrale krachtbron anderzijds: watermolen die boormachines, naaimachines en zaagmachines aandrijft

 

automaten

  1. automaten vervangen natuurlijke krachtbron in ‘zelfstandige’ en ‘onafhankelijke zelfwerkende’ krachtbronnen, bv stoommachine en verbrandingsmotor => brandstoftransport ipv bewegingstransport
  2. autonomie van technisch automaat: als automatisch mechanisme onafhankelijk van gebruiker, tenzij ontwerper anders bedacht heeft; ‘op hol slaan’ van automaten mogelijk: werking zoals ontwerper bedoeld heeft maar in situatie waarin het niet bedoeld is (vastzittend gaspedaal auto)
  3. artefacten (mechanismen en automaten) hebben maatschappelijke impact door 1) grootschalige toepassing, 2) complexe koppeling met diverse andere artefacten, 3) randvoorwaarden te (veronder)stellen aan context, 4) door het gebruik als middel wordt er door het artefact bemiddeld
  4. technisch maken wordt technisch handelen doordat de maatschappij (onbewust) mee-ontworpen wordt

 

systemen:

  1. naast introductie van artefacten wordt maatschappij ook veranderd door technische ingrepen: op technische wijze worden sociale of juridische of politieke systemen opgezet, onderhouden en geoptimaliseerd
  2. handelen wordt technisch handelen vanwege de wijze waarop men in omgeving ingrijpt
  3. technische systemen (werkend technisch artefact met gebruiker) kunnen onderdeel zijn van grotere niet-technische systemen, een diversiteit aan aspecten en subsystemen kan onderscheiden en getypeerd te worden
  4. door integratie verschillende systemen ontstaat (wederzijdse) afhankelijkheid waarbij het risico van discontinuïteit met vertrouwen, afspraken, machtsuitoefening afgedekt of gecompenseerd moet worden; deze sociale vervlechting is medeconstituerend voor het hele systeem (formele kwaliteitsnormen en contractueel verplichte of faciliërende maar burocratische procedures kunnen productieprocestijd van bv. geneesmiddelen verdubbelen en de door vakbonden voorgestelde wijzigingen in het dienstrooster Nederlandse Spoorwegen kunnen niet binnen een maand gerealiseerd worden want het niet doorlopen van de normale productieprocedure kan ongewenste en onbekende gevolgen hebben waar de beroepseer van de roosteraars niet aan gewaagd wordt)
  5. technische systemen kunnen ‘op hol slaan’ wanneer omgeving iets anders verwacht of afgesproken heeft (spookrijder: artefact functioneert goed, bestuurder bedient artefact op juiste wijze, maar op niet afgesproken weghelft: bestuurder noch auto hoeven de situatie als problematisch te ervaren) ook kunnen technische systemen zich autonoom tonen wanneer een individu niet bij machte is in te grijpen (ondanks supersnel communicatienetwerk waarin meldingen van spookrijders dwars door alle radiouitzendingen heen naar de automobilisten gaat, maar ook als dienstroosters niet meer te wijzigen zijn of ‘de betuwelijn er kennelijk toch gewoon komt’)

 

stromingen

  1. (sociaal) constructivisme heeft geen oog voor echte techniek: idee- en ontwerpfase zijn gegeven
  2. constructivisme maakt geen onderscheid tussen automaten en dingen, zelfs niet als actoren 
  3. beide zien actoren als blackboxen: geen inspiratie, geen culturele/paradigmatische invloed
  4. beide zijn deconstructivistisch: analyse achteraf, geen analyse tijdens totale constructie-fase
  5. determinisme is beschrijvend en niet verklarend. Ervaring individuele onmacht tov grote complexe en collectieve systemen is authentiek en herkenbaar. Geen structurele analyse van oorzaak en werking determinisme. Focus is impact, niet ontwikkeling.
  6. substantivisme is diep doorvragend en niet logisch afleidend. Nog steeds actuele vraag naar hoe het mogelijk is dat techniek met beste bedoelingen door mensen gemaakt, toch iets bedreigends kan zijn voor de mens. Geen vraag naar maatschappelijke of collectieve verbinding tussen wezen van mens en wezen van techniek. Focus is oorspronkelijke (ver)houding, niet huidige actualisering.
  7. beide zien technische artefacten als blackboxen: geen bewuste keuzes, geen alternatieve vormen
  8. beide zijn confronterend: analyse bovenaf, geen analyse in dagelijkse praktijk

 

hoe verder

  1. aandacht voor dagelijkse praktijk van techniek is positief (past binnen huidige tijd, 'filosofie helpt technische praktijk', techniek is te mooi om alleen achteraf of van bovenaf te bekijken)
  2. constructivisten en essentialisten benaderen andere aspecten en stellen andere vragen rondom technisch gebeuren
  3. wending van constructivisten toch revolutionair en belangrijk, maar niet ver genoeg en niet ten koste van essentialisten
  4. constructivisme moet constructiever worden: ipv onnodig afzetten tegen klassieke opvattingen (en er als zodanig dus teveel aan verbonden blijven) volwassen worden en meedenken; niet alleen deconstructief
  5. constructivisme moet meer recht doen aan technische praktijk:1. techniek als techniek nader analyseren (uiteraard in vervlechtingen maar dan wel in diverse typeringen van vervlechtingen) 2. techniek als creatief constructieproces nader analyseren (ontwerpfase ipv uitsluitend ontwikkeling; en fasering van het constructieproces als zodanig onderzoeken)
  6. constructivisme moet filosofischer worden (naast bewuste overwegingen/opvattingen ook onbewuste onderzoeken en op zoek gaan naar grenzen eigen aannamen en naar concept- en theorievorming)
  7. constructivisme moet normatiever worden (naast opvattingen van actoren ook innerlijke gerichtheid van materiaal en vorm en bedoeling analyseren, uiteraard in relatie met of vanuit de context)
  8. constructivisme moet moediger worden: de verschillen met klassieke benadering moeten echt opgezocht en bediscussieerd worden: grondslagenstrijd ipv schijngevecht.
  9. constructivisme moet geestelijker worden: hoe kunnen diverse vormen van technische inspiratie worden geduid? In hoeverre is paradigma construeerbaar?

 

{einde van de pauze}

 

 

 

 

Esoterische versterker

 

Voorzitter: Er zijn drie schriftelijke vragen binnengekomen die we achtereenvolgens aan bod zullen laten komen. De eerste vraag gaat over het ontwerpen van technische producten vanuit het vernemende denken in plaats van het rekenende denken. De vragensteller verwijst daarbij naar de zogenaamde esoterische apparatuur. Misschien kan hij of zij dat kort toelichten?

 

Vragensteller A: Kort samengevat komt het ontwerpen van gewone (exoterische) audioapparatuur, laten we zeggen een versterker van Technics, er op neer dat allerlei elektronische onderdelen worden samengevoegd om met zo weinig mogelijk onderdelen, die zo goedkoop mogelijk zijn, een toch zo goed mogelijk resultaat te behalen. Om de ontwerpbeslissingen te testen en het resultaat te beoordelen worden allerlei technische metingen verricht en technische normen aangelegd. Zo mag de versterker binnen een temperatuursbereik van 8ºC en 50ºC slechts verwaarloosbare vervorming vertonen, terwijl de frequentiekarakteristieken en amplitudedistributie van het uitgaande signaal verhoudingsgewijs hetzelfde moet zijn als het ingaande signaal, maar dan traploos versterkbaar. Bij digitale versterkers geldt bovendien dat de signalen wel bewerkt en gecomprimeerd mogen worden, mits het uitgangssignaal binnen het vastgestelde gehoorgebied van de menselijke waarneming valt. Toen ik het verhaal van Martin hoorde, herkende ik de wens van Andrew om een alternatieve technologie te ontwikkelen op basis van een andere vorm van ontbergen en een andere vorm van denken, maar hoe dan? Toen dacht ik aan het verhaal van de operazanger Joseph Grado, die als technicus een bedrijf heeft opgericht om audio-apparatuur te produceren, en in plaats van technische meetinstrumenten op tal van keuzemomenten in het ontwerpproces musici laat beoordelen welke component het beste muzikale eindresultaat oplevert. De automatische keuze voor het goedkoopste onderdeel uit eenzelfde type componenten wordt dus vervangen door een bewuste keuze door een geoefend oor. (p.129)93 Het ondergeschikt maken van de economische aspecten en het betrekken van muzikale experts in het ontwerpproces maken de prijs voor dergelijke producten overeenkomstig hoog, maar dan heb je ook wat. Is dit een goed voorbeeld om te illustreren hoe de diepgaande filosofische inzichten een rol kunnen spelen in de technische ontwerppraktijk?

 

Hans: Heel leuk, een muzikale normering van de apparaten.

 

Andrew: Ja, de causa finalis moet het muzikale zijn, zo maak je die inderdaad leidend. Wellicht dat na het ontwerp de productie seriematig gemaakt kan worden zodat die voor iedereen beschikbaar komt.

 

Jacques: Het voorbeeld levert wel kritiek op het democratische ideaal om horizontale machtsstructuren in het ontwerpproces te betrekken, want ik vraag me af hoeveel mensen er al niet door de CD zodanig zijn afgestompt dat ze het verschil tussen een concert en een concert-opname niet eens meer kunnen horen, ook al zouden ze dat willen. In een democratische bepaling van de functionele specificaties vallen de geoefende oren al snel buiten de meerderheid.

 

Martin: Ik moet er nog eens over nadenken. Het hele verschijnsel audio-apparatuur legt toch in feite een gebeuren in tijd vast en wat voor consequenties heeft dat stellen in tijd voor het zijn? Het bijwonen van een concert lijkt me toch te prefereren. Die betrokkenheid van de musici is voelbaar en zelfs hoorbaar. Met apparatuur kan je natuurlijk wel proberen, zoals wel gesuggereerd wordt bij de tandarts en zijn sonde, om zo goed mogelijk door die apparatuur heen waar te nemen, te luisteren in dit voorbeeld, maar het blijft toch een geluids-bestand.

 

Wiebe: Zowel de technische als de muzikale constructie kunnen we beschrijven.

 

Bruno:  Met behulp van zowel de technisch geconstrueerde als de muzikaal geconstrueerde versterkers kunnen luisteraars een netwerk vormen met de apparatuur en met de uitvoerende musici. Juist door het gebruik van audio-apparatuur kan een veel groter publiek van muziek genieten en wel op momenten dat ze er het meest zin in hebben en zonder gestoord te worden door anderen. Het netwerk van een thuisluisteraar die via audio-apparatuur naar muziek luistert is anders dan het netwerk van een concertbezoeker, maar daarom niet minder.

 

Hans: Je kan proberen de audio-apparatuur zodanig te ontwerpen dat ze als het ware verdwijnt wanneer de muziek ten gehore gebracht wordt, maar dit verdwijnen van apparaten tijdens gebruik is niet altijd positief: je kan namelijk geen band opbouwen met onhoorbare en dus afwezige (slechts onbewust aanwezige) apparaten en misschien is het opbouwen van een band met apparaten wel de meest efficiënte vorm van duurzaamheid: die apparaten wil je koesteren, onderhouden, repareren en gaan dus langer mee.

 

Vragensteller: Toch maar weer terug naar de LP? Dan sla je twee vliegen in een klap: je bent van de muzikaal mindere kwaliteit van het CD-geluid af en je bouwt een band op met je apparaat doordat je om de haverklap een plaat moet omdraaien of verwisselen?!

 

 

Een (de)constructie in de informatica

 

Voorzitter: De tweede vraag betreft de deconstructie van een computer en dan niet letterlijk, maar serieus op te vatten. Misschien kan de vragenstelster deze vraag ook kort toelichten.

 

Vragenstelster B: Als we de constructieve benadering meer historisch moeten aanpakken en daarbij doorvragen naar inspiratie en intuïtie, hoe ziet zo’n analyse er dan uit voor een computer. Zelf ben ik wetenschappelijk programmeur en ik vroeg mij af hoe zo’n constructivistische analyse mij bij mijn werk zou kunnen helpen.

 

Voorzitter: Wat mij betreft zijn dit twee onderscheiden vragen:

1. een (de)constructie van een computer en

2. hoe kunnen de inzichten uit de gevoerde dialoog bijdragen aan de praktijk van een computer-programmeur.

 

Bruno: Wat de constructie van een computer betreft, zou je onderscheid moeten maken tussen de MacIntosh en de IBM-klonen en als je verder teruggaat in de tijd kom je op de voorlopers van de personal computers: de Commodore 64 en bijvoorbeeld de ZX-Spectrum en daarvoor de grote PDP-11 machines en de Unix-bakken.

 

Voorzitter: Wil de vragenstelster nog verder gaan en op onderdeel-niveau de deconstructie wil voortzetten?

 

Vragenstelster B: Ja, ik ben geïnteresseerd in bijvoorbeeld de overwinning van de (denkbeeldige) centrifugale krachten in de harde schijven en de ontdekking van het ROM (Read Only Memory), de constructie van de RTC (Real Time Clock) die ook bij het uitzetten van de computer door blijft tikken en in de eerste PC’s nog niet eens ingebakken was. Ook vraag ik mij af wanneer men erin geslaagd is om het zandkristal tot zuiver Silicium om te zetten zodat er chips van gebakken kunnen worden, welke doorbraken in de chemie daarvoor nodig waren en hoe het ontwerp van die miljoenen transistoren op de vierkante millimeter met behulp van computers tot stand komt en geoptimaliseerd wordt. Op het gebied van de computertaal ben ik benieuwd naar de (theoretische) kracht en de grenzen van het rekenende denken. Is het niet fascinerend dat niet-gedetermineerde machines gesimuleerd kunnen worden door gedetermineerde Turing machines en dat de veel geprezen niet-logisch redenerende neurale netwerken gewoon door iedereen op standaard computers gedraaid worden. Hoe zit het met de verhouding van de wiskunde en de logica, waar is de rol van de intuïtie in de programmeertaal?

 

Voorzitter: (...) Het blijft stil aan deze kant van de tafel, om met die laatste vraag te beginnen: heb je zelf misschien een suggestie?

 

Vragenstelster B: Toen verwezen werd naar de grondslagenstrijd in de wiskunde moest ik denken aan de intuïtionist Brouwer, die Russells kappersparadox oploste door het hersenschimmige ‘alle’ te verwerpen. (p.291)94 De paradox is deze: stel er is een eiland waar alle mannen die zichzelf niet knippen door de kapper geknipt worden. Dan is de vraag: knipt de kapper zichzelf? Als je ‘ja’ zegt, dan knipt hij zichzelf en wordt dus niet door de kapper, eveneens hijzelf, geknipt, dus het antwoord ‘ja’ leidt tot een tegenstrijdigheid. Als je ‘nee’ zegt, knipt de kapper zichzelf niet en dus wordt hij door de kapper geknipt: dit antwoord leidt dus ook tot een tegenstrijdigheid. Brouwer lost dit op door bij de eerste zin: ‘een eiland waar alle mannen’ te vragen naar het ‘alle’: dit mag niet vaag zijn, maar moet als een natuurlijke reeks op te bouwen zijn, dus moeten de mannen van dat eiland één voor één langs komen en steeds moet er bepaald worden of die man bij ‘alle mannen’ hoort. Zo komt ook de kapper voorbij en afhankelijk van wat men dan (in vrijheid) kiest, wordt de vraag beantwoord en de paradox opgelost. Tevens wordt hiermee duidelijk gemaakt dat er naast een ‘ja’ of ‘niet-ja’ soms een derde weg is. De ‘uitgesloten derde’ van Aristoteles voldoet dus niet (meer). Toch komen deze beide zaken, het vage ‘alles’ en de ‘uitgesloten derde’ waarin verondersteld wordt dat alles waar is of onwaar, in het programmeervak regelmatig voor, maar ik weet niet of jullie die toepassing van de grondslagenstrijd naar de techniek op het oog hebben. Laat ik mijn technisch probleem toelichten. In de meeste programmeertalen is het ‘if-then-else’ commando een van de meest gebruikte. Het probleem is echter dat de meeste programmeurs slechts de bedoelde functies programmeren; in een sterk versimpeld voorbeeld: als gebruikers moeten kunnen kiezen tussen functies x, y en z dan wordt er ergens geprogrammeerd ‘als keuze=1 doe x’ en ‘als keuze=2 doe y’ en in ‘alle andere gevallen doe z’. Een voor de hand liggend probleem is nu dat een gebruiker per ongeluk een ‘q’ intoetst in plaats van een ‘1’ of een ‘2’ en het programma interpreteert dat als ‘3’. Nu is de technische oplossing nogal triviaal, maar het onderliggende probleem is minder triviaal. In feite heeft de programmeur, en ook ik betrap me er soms nog op, door het hersenschimmige ‘else’, dat staat voor ‘alle andere gevallen’, zijn ontwerpbeslissing laten bepalen. De formulering van een if-then-else regel in een programmeertaal is namelijk een vormgegeven ontwerpbeslissing. Vanuit een intuïtionistisch standpunt, zou je het ‘alle’ niet vaag moeten laten, maar stuk voor stuk moeten benoemen. Maar dat is weer onpraktisch: alle mogelijke toetsaanslagen expliciet maken die een gebruiker abusievelijk invoert en die allemaal dezelfde foutmelding tot gevolg hebben, is niet efficiënt. Toch is er wel wat voor te zeggen om niet alleen alle bedoelde keuzes expliciet te programmeren, maar ook alle onbedoelde. Ik zal niet in details treden, maar nog een ander sprekend voorbeeld geven. Ook triviale aannames van programmeurs zou je eigenlijk expliciet moeten maken omdat ze een soort context vormen (randvoorwaarden) waarbinnen het programma geldig is. Toen de Ariane 5 raket (vlucht 501) al bij de lancering naar beneden kwam, bleek na uitvoerig onderzoek dat er een programmaatje (het zogenaamde Inertial Reference System SRI) van de Ariane 4 was overgenomen waarin een functie zat waarin gegevens van de Ariane 4 ingebakken zaten. Technisch gezien was de functie goed, maar toch was die niet meer geldig omdat de Ariane 5 andere eigenschappen had. Deze relatie tussen structuur, vorm en verwijzing wordt momenteel aan de Technische Universiteit in Delft onderzocht en daarbij lijken mij die intuïtionistische noties van belang. Wanneer we namelijk in alle vrijheid axioma’s kunnen verzinnen (en dus ook hersenschimmige concepten kunnen toelaten), dan kunnen we daar in onze constructies wel naar verwijzen (het hersenschimmige waarmaken), maar waar gaat het dan nog over? We zijn dan onze eigen voorstelling aan het bevestigen, bewijzen en realiseren, maar of dat zinvol is en of dat (jonge) mensen uitdaagt om techniek verder vorm te geven waag ik te betwijfelen.

 

Voorzitter: Is deze suggestie tevens de richting waarin je antwoord zoekt op het tweede deel van je vraag naar een doorwerking van de inzichten uit de dialoog voor de praktijk van het programmeren?

 

Vragenstelster B: Nee, daarbij ging het me meer om de wijze van ontbergen. Door het programmeren van computers bouw je als het ware een beeld-wereld op, de materiële goederenstroom van logistieke bedrijven wordt bijvoorbeeld in een computer nagebouwd als informatiestromen van de nummers die bij de pakketjes horen. Vervolgens kan deze informatiestroom wiskundig geoptimaliseerd worden en dat wordt dan weer gebruikt om de goederenstroom te optimaliseren. De beeld-wereld wordt werkelijkheid. Dat hoeft moreel gezien niet verwerpelijk te zijn.Van de medische technologie wordt bijvoorbeeld vaak gezegd dat daar niet de technologie maar de zorg voor de patiënten centraal staat. Je kan je dan wel afvragen wanneer dat het geval is: waarschijnlijk voor en na een chirurgische ingreep, maar toch niet tijdens dat technische hoogstandje? Ook wordt er wel gezegd dat technici, net als artsen, de wereld willen verbeteren en met de beste bedoelingen aan hun studie beginnen. Liefde, zorg en betrokkenheid zouden de motieven zijn, en ik weet dat dat inderdaad soms zo is en ik juich dat ook toe, maar wat is de relatie tussen alle goedbedoelende artsen en het gezondheidszorgsysteem waar ze deel van uit maken en wat is de relatie van integere technici en het technisch systeem waar ze deel van uit maken? Met een voorbeeld van Ackoff: als men in Amerika vindt dat het ‘bestrijden van de ziekte’ als uiteindelijk doel, zeg maar als een soort causa finalis, niet goed is omdat dan de preventieve gezondheidszorg buiten het gezichtsveld blijft, kunnen alle artsen met de beste bedoelingen in het systeem werken, maar al die goede bedoelingen en raadgevingen aan patiënten zullen het systeem als geheel en de gerichtheid daarvan niet veranderen.

 

Ackoff onderscheidt: ‘doing a right thing in a right system’, ‘doing the wrong thing in a right system’, ‘doing the wrong thing in a wrong system’, maar meestal is de praktijk toch ‘doing the right thing in a wrong system’. Dat lijkt op het pleidooi van Jacques om vooral lokaal zo goed mogelijk bezig te zijn, ook al heeft het op nationaal of cultureel niveau niet de gewenste effecten. Wat betreft Martins pleidooi voor het openhouden van een niet-opvorderende, maar tevoorschijn-brengende ontsluiting door het technisch gebeuren: in mijn vak als programmeur merk ik dat respect voor de handelingscontext van mijn doelgroep essentieel is. Zelfs wanneer die handelingscontext het gebruik van computers is. Neem bijvoorbeeld de huisarts die de gegevens van zijn patiënten tijdens een medisch consult in zijn computer vastlegt. Nu besluit de overheid dat die huisarts de medicijnen niet meer op merknaam, maar op stofnaam moet voorschrijven zodat de apotheek de goedkoopste kan leveren, waardoor de kosten in de eerstelijns gezondheidszorg naar beneden kunnen. Programmeurs krijgen dan de opdracht om deze wijziging in de computers van de huisartsen door te voeren. Uiteraard gebeurt dat tegenwoordig in overleg met een aantal huisartsen, maar dan nog is er een wereld van verschil tussen de programmeurs die gevoel en respect hebben voor de huisarts als huisarts en de programmeurs die de huisarts alleen zien als gebruiker van hun stukje (aangepaste) software. Onwaarschijnlijk kleine en niet ter zake doende programmeerbeslissingen leidden tot een stuk programmatuur dat interfereert in de huisartsenpraktijk en dus in het contact tussen huisarts en patiënt of tot een programma dat voortborduurt op de handelingen en de aandacht van de huisarts op het moment van computer-contact. Uiteraard hebben beide programmeurs respect voor hun gebruikers en natuurlijk maken ze een gebruikersvriendelijk programma, maar er is toch verschil. Hoe is dit te duiden?

 

Hans: Ik heb de indruk dat de macro-inzichten inderdaad op micro-micro-niveau vertaald en vruchtbaar gemaakt moeten worden.

 

Andrew: Elke discipline moet inderdaad op zoek gaan naar haar eigen rationaliteit, de beperkingen daarvan en de wijze waarop gebruikers moeten participeren in het ontwerpproces. Computers zijn dan wel de meest ambivalente artefacten die ik tegengekomen ben.

 

Jacques: Ook ik heb mijn opvatting rondom computers moeten herzien. In de verspreiding en onderlinge koppeling zijn het nieuwe verschijningen geworden die nadere doordenking vereisen. Ten aanzien van die verschillende systemen en het technische systeem daarin en het verschil in richting tussen collectieve systemen en individuele contexten van mensen en hun technieken, daarover kan het systeemdenken misschien meer opheldering verschaffen, maar ik ben bang dat het systeemdenken zelf ook weer een technische wijze is van denken of een denken waarin het technische domineert zodat het de technologiespiraal versterkt.

 

Martin: Het gevaar is niet zozeer dat het modern technische dominant blijft of steeds dominanter wordt, maar dat het menselijke niet langer menselijk is. Daarom is die aandacht voor de patiënt-arts relatie een goede grond voor je technische programmeerkunst.

 

 

Techniek-Kunst-Leven

Voorzitter: Dan wil ik nu onze laatste publieksvraag in uw midden leggen, om daarna te besluiten met een samenvattend antwoord op de hoofdvraag van de dialoog en de vier deelvragen die we gesteld hebben. Maar eerst de laatste schriftelijke vraag. Die luidt als volgt: ‘Net als wetenschap zou techniek eigenlijk weer in het domein van de kunsten opgenomen moeten worden en de kunst weer in het kader van het leven. Wat betekent dat voor de moderne techniek?’

 

Martin: Dat we die kunstzinnige wijze van ontbergen niet vergeten, door die te beoefenen en zo een nieuwe beschikking af te wachten. Niet op passieve wijze, want de kunstenaarswijze is nog steeds mogelijk.

 

Voorzitter: Oorspronkelijk was de kunst religieus zoals elke cultuur religieus was. Een priester (‘pontifex’) was een bruggenbouwer, bruggen tussen stervelingen en goden en tussen aarde en hemel. In de bouwstijlen van Oosteuropese kerken wordt dit duidelijk gesymboliseerd. Zo’n spiritualiteit in bijvoorbeeld de meetkunde van bouwwerken blijft mogelijk en lijkt zelfs in toenemende mate (her)ontdekt te worden. Verder is er in het ontwerpen en uitvinden veel ambachtelijks bewaard gebleven: het is tenslotte de culturele oorsprong van techniek die zich in nieuwe doorbraken kan manifesteren. Ook in de beoefening van een bepaalde technische discipline is er onderscheid in stijlen mogelijk, waardoor je binnen het moderne ontbergen toch iets van jezelf in het product kan leggen. En dan is er nog het kunstzinnig beschouwen van technische producten in hun omgeving waardoor je op het niveau van het wezen der dingen afgestemd kan worden.    

 

Hans: Het brengen van de kunst in het kader van het leven vereist een nadere uitwerking van de existentiële relatie van producten en gebruikers. Daar zijn al goede aanzetten toe gegeven.14, 58 En als het gaat over technische producten en het goede leven, dan mogen wat mij betreft de producten moraliserender worden. In plaats van verkeersborden die geïnterpreteerd moeten worden, ben ik voorstander van verkeersdrempels waar een betreffende verkeersregel als het ware in het beton is ingeschreven. Ook mijn pleidooi voor snelheidsbegrenzers in auto’s blijf ik handhaven, zelfs nu ik mijn Eend heb vervangen voor een modernere wagen.

 

Martin: De toevoeging ‘en kunst weer in het kader van het leven’ is waarschijnlijk geïnspireerd door het appèl van Nietzsche en hij doelde daarbij juist op een omwaardering van alle waarden, dus juist niet op een moralisering, maar op een leven en denken ‘Jenseits von Gut und Böse’.

 

Voorzitter: Het ging hem daarbij om een zelfoverwinning: de mens moet zijn eigen tijd met daarin de normen en waarden van die tijd overwinnen. De weg die hij daartoe schetst is niet gemakkelijk: want hoe moet je mensen met ingebakken normen en waarden aanzetten tot het incorporeren van iets anders, iets authentieks? Daarvoor moet de dominant aanwezige wil eerst vernietiging willen. Daarvoor is moed nodig. Moed om op de rand van de afgrond te staan en op het scherpst van het nihilisme te koorddansen. Misschien moeten we wel leren techniek lief te hebben, respect te tonen voor onze producten, onze auto te koesteren en zelf te onderhouden. Op het hoogtepunt van de zon, als de tijd vol is, dan kan en moet men het niets induiken, zichzelf opgeven en doorgaan, niet wetend waar men uitkomt. Dat is het proces van een continue zelfoverwinning. De vaak dramatische formuleringen van Nietzsche, bijvoorbeeld ‘het vernietigen van jezelf moet je willen’ kan in de dagelijkse praktijk gestalte krijgen door niet altijd te kiezen voor gemak, niet altijd te kiezen voor egoïstische zelfhandhaving, en door het relativeren van eigen subjectieve wilsdoelen. Daar is echter moed voor nodig: iemand die zichzelf overwint is sterker dan iemand die een stad inneemt zegt een oude spreuk van de prediker.  

 

Jacques: Je zou technologie rigoureus moeten kunnen relativeren. Door een alternatieve beleving van de werkelijkheid bijvoorbeeld, door het aandacht geven aan het niet-maakbare en door bewust te worden hoe alles in elkaar ingrijpt. Je kan technologie ook belachelijk maken, ten gunste van iets anders wat dan dominant kan worden.

 

Hans: Zo las ik onlangs een reclamebericht van Libertel en daarin werd de mobiele telefonie aangeprezen voor mensen die geen telepathische gaven hebben. Dat zet je aan het denken. Hoe absurd en achterhaald moet de hype van mobieltjes wel niet zijn voor telepatisch communicerende wezens. Zouden we niet de geestelijke vaardigheden van de mens moeten gaan ontwikkelen in plaats van de materiële en welke plaats voor de techniek is er dan nog? Waar de mens zijn lichamelijke krachten heeft vergroot met behulp van de techniek en dat wil optimaliseren in de biotechnologie, lijkt de computer een andere weg op te wijzen: het versterken van de geestelijke vermogens van de mens. Die twee ontwikkelingen gecombineerd zal leiden tot de cyborg. Is dat dan de Übermensch?

 

Martin: Tot nog toe zien we alleen maar een versterking van het technische aspect van die geestelijke vaardigheden: het voorstellende en rekenende denken. Ik denk dat voor een technische ondersteuning van het vernemende denken en voor een technische stimulering van telepathische vaardigheden toch een andere tijd, een andere wezenswijze van de techniek vereist is. Ik sluit niet uit dat die tijd komen kan, maar duidelijke tekenen ervan zie ik nog niet.

 


Samenvatting: de stoomlocomotief

 

Voorzitter: Daarmee wil ik onze dialoog beëindigen. Ik heb jullie zoveel mogelijk zelf aan het woord gelaten en ik heb geen andere denkers de dialoog heb binnengesmokkeld die niet door jullie zelf zijn aangedragen. Daardoor kreeg de dialoog een vernemend karakter: gezamenlijk waren we op zoek naar een integrale techniekfilosofie. De dialoog is daardoor wel constructivistisch gebleven in de analytische zin van het woord. Allerlei wegen zijn bewandeld, omdat op voorhand niet duidelijk was of het dwaalweg was. Dat moest eerst geanalyseerd worden. Nu de hoofdthema’s van de dialoog met voorlopige conclusies zijn afgesloten, is het tijd voor een synthese, waarin een gedachtegang gepresenteerd wordt die logisch en eenduidig lijkt (the one-best-way van de dialoog). Dat is om didactische redenen te motiveren, en voorheen bestonden afstudeerscripties bij voorkeur uitsluitend uit dergelijke gesynthetiseerde vertogen, maar er zit ook een gevaar aan. Dat is hetzelfde gevaar als het uitsluitend lezen van samenvattingen. Men krijgt weliswaar een vermoeden waar het overgaat, en dat is een goede eerste stap, maar men wordt verleid te denken dat de kracht van de overtuiging een louter logische is (vanwege de synthese-vorm), terwijl de echte kracht geput wordt uit de kracht der afzonderlijke meningen en uit de botsing van die meningen en vooral uit het creatief verheffen van die krachten tot een door allen gedragen synthese. Na deze waarschuwing volgt dan toch mijn samenvatting. Om u zoveel mogelijk voor de genoemde verleiding te besparen, zal ik het logische en technische karakter van het filosofische verhaal verweven met het beeldende en symbolische van het dichterlijke verhaal. Zo kan het algemene (het abstracte zo u wilt) in en vanuit het bijzondere (het concrete zo u wilt) oplichten. Op deze wijze streefde Goethe er als dichter naar om juist die concrete, alledaagse gebeurtenissen als onderwerp voor een gedicht te nemen die typerend zijn voor een algemener verschijnsel: het bijzondere en het algemene vallen dan samen en kunnen elkaar zodoende versterken. Het wezen van een afzonderlijk ding wordt dan typerend voor een bepaalde tijd. Ik ga het hebben over de stoomlocomotief

 

In het Duitse Offenburg staat een indrukwekkende stoomlocomotief. Hij staat daar maar te staan, al jarenlang. De constructivisten hebben gelijk als zij zeggen dat er iets niet klopt. Een stoomlocomotief op zichzelf is niets. Zonder mensen was die er nooit gekomen. Zonder mensen was die nooit in dienst genomen en gehouden en zonder mensen zou die zelfs hier nu op deze plaats niet staan. Deze prachtige stoomlocomotief is in 1918 gebouwd en onder nummer DR 18 323 de wereld ingegaan. Minstens dertig jaar heeft hij trouw heen en weer gereden tussen Offenburg en Basel. Er leven nog voldoende mensen in Offenburg die over die reisjes allerlei spannende verhalen kunnen vertellen. In Offenburg werd de stoomloc ook onderhouden in een machtige hal, die niet voor niets ‘die Kathedrale der Dampfloks’ wordt genoemd. De constructivisten hebben geen gelijk wanneer zij zeggen dat er geen technische eigenschappen bestaan van deze stoomloc. Bijna iedereen in Offenburg kan je vertellen dat die zonder wagons een snelheid haalt van 140 km/u, dat die ruim 23 m lang is en ruim 147 ton weegt. Er gaat een kleine 30.000 liter water in en de tender neemt zo’n 9 ton kolen in één keer mee. Wel hebben de constructivisten gelijk als zij zeggen dat deze eigenschappen niet het doel vormden waarnaar men rechttoe rechtaan gewerkt heeft, de constructiegeschiedenis van ook deze stoomloc ging met de nodige tegenslagen gepaard. Toen stoom uit de mode raakte werd het broertje van deze loc omgebouwd tot een olie-loc, hijzelf bleef in Offenburg als aandenken van betere tijden. Ook dat ging niet vanzelf. Alle burgers ter plaatse hebben hun stem er voor moeten verheffen. En nu staat die daar maar.

 

Het constructivisme in de techniekfilosofie leert, dat het verschijnsel stoomloc niet vanuit een technische ontwikkeling alleen begrepen kan worden, maar dat daarbij ook de ontwerpers en gebruikers betrokken moeten worden. Bij Wiebe gaat het eigenlijk alleen om die mensen in hun onderlinge relaties en met hun eigen inbreng, terwijl het bij Bruno gaat om de wisselwerking tussen beide: het technische en het menselijke. Je zou kunnen zeggen dat mensen techniek bepalen en dat techniek mensen bepaalt, maar Bruno stelt voor om juist de onderlinge wisselwerking tussen mensen en niet-mensen (als wisselwerking) te bestuderen. Beide vragen dus aandacht voor het concrete alledaagse (al-te-menselijke) van de techniek en dat is voor mij als technicus (en kennelijk voor velen met mij) een verademing ten opzichte van een uitsluitende gerichtheid op het algemene en het wezenlijke van de techniek. De kritiek van de constructivisten (en in sterkere mate de debaters in hun kielzog) op het eenduidige, massieve en monolithische van de klassieke techniekfilosofie, is echter niet precies genoeg. In feite komt hun kritiek voort uit hun eigen wijze van kijken. Zij zijn zelf zo gericht op de constructie van techniek, dat zij denken dat men het ook over de constructie van techniek heeft wanneer men zegt dat technologie een one-best-way heeft en dat het wezen van techniek voornamelijk ontbergend is. Wanneer ik echter de tekst zo zorgvuldig mogelijk probeer te interpreteren, dan gaat de one-best-way en het wezen van techniek niet over het proces van construeren zelf, maar over processen die daar onlosmakelijk mee verweven zijn, namelijk de maatschappelijke impact, ontvangst, reactie en stimulatie van techniek en haar ontwikkeling en de culturele grondhouding van de mensen die in het construeren betrokken zijn en welke typerend is voor onze moderne tijd. De constructivisten maken vervolgens overtuigend duidelijk, wat iedere technicus uit eigen ervaring weet, dat er heel veel keuzemomenten zijn in het ontwikkelen en construeren van producten en dat de uiteindelijk keuze afhankelijk is van iedereen die inspraak heeft in dat constructieproces.

Stel dat ik de ontwikkeling van een product op een grotere tijdschaal uitzet en het openbare vervoer in de volgende mijlpalen schematiseer: de paardentram, de stoomloc, de elektrische trein, de zweeftrein en de zonnetrein, dan is deze technische ontwikkeling een ontwikkeling in de tijd. Ik beschouw dit als de eerste dimensie. Het is verleidelijk om in deze ontwikkeling een lineair verloop te zien (zie fuguur 4).

 

 

 

 

 

 

 

 

 


technische

constructie

 

 

 

 


            oorsprong                                                                                            tijd

                        paard               stoom              elektrisch         zweef  zonnetrein

 

Figuur 4: Voorstelling van een (door niemand gedeelde) lineaire ontwikkeling van techniek

 

 

De constructivisten hebben aangegeven dat hiervoor echter te veel strijd en onderhandelingen gevoerd zijn om dat als een logisch verloop te zien en dat de uiteindelijke keuzes niet altijd voorspelbaar zijn en zeker niet voortvloeien uit de ene norm van technische efficiëntie. In figuur 5 wordt aangegeven dat de (sociaal) constructivisten benadrukken dat de constructie van techniek met veel menselijke beslissingen en keuzevrijheden gepaard gaat.

 

 

 

 

 


sociale

constructie

 

 


            oorsprong                                                                                            tijd

                        paard               stoom              elektrisch         zweef  zonnetrein

 

Figuur 5: Voorstelling van Wiebe’s sociale constructie van techniek

 

 

Wanneer men Jacques verwijt dat hij toch een lineaire ontwikkeling van techniek schetst met efficiëntie als enige norm, heeft men echter niet precies genoeg nagegaan wat Jacques zegt. Het gaat bij Jacques immers niet zozeer om concrete technische producten, als wel om de maatschappelijke ontvangst ervan, wat tot uiting komt in het spreken over techniek (technologie) door politici die ontwikkelingen doordrukken of tegenhouden met technische krachttermen en door reclamecampagnes waarin techniek op technische wijze wordt aangeprezen, maar ook door de vele burgers die hun werk en leven moeten aanpassen om nieuwe technische producten goed te laten werken. Bruno noemt deze verwevenheid ook constructie, en ook bij deze maatschappelijke vervlechting wordt inderdaad de nodige strijd geleverd en debatten gevoerd, maar hij thematiseert niet de wijze waarop deze (maatschappelijke) constructie de (technische) constructie beïnvloedt. Jacques doet dit wel en als ik dat schematisch weergeef, ontstaat figuur 6. De zeer gevarieerde reacties van mensen op techniek heeft volgens Jacques een impact op de techniek-ontwikkeling zelf. Producten worden uit de aard der zaak verbeterd en efficiënter gemaakt als ze minder goed voldoen en organisaties worden verbeterd en efficiënter gemaakt, eigenlijk als vanzelfsprekend. Ook het kopen van deze verbeterde producten en het daarmee stimuleren van de techniekontwikkeling, gebeurt zonder dat men eigenlijk echt nadenkt over de noodzaak van deze, vaak technische verbeteringen (sneller, minder brandstofverbruik, minder slijtage, handiger te bedienen enzovoort). Hierdoor ontstaat een spiraal in de ontwikkeling die zich niet hoeft te legitimeren. Dit is een vorm van autonomie die in onze tijd dominant in de maatschappij aanwezig is. Niet het construeren van techniek volgt the one-best-way, maar in de verwevenheid van maatschappij en techniek kan men een one-best-way ontwaren. Zolang mensen onkritisch zijn naar het technische, domineert het al snel de debatten en keuzes, zowel in het constructiehal, als in de maatschappelijke vervlechting.

 

 

maatschappelijke

constructie

 

 


technische

constructie

 

 


            oorsprong                                                                                            tijd

                        paard               stoom              elektrisch         zweef  zonnetrein

 

Figuur 6: Voorstelling van Jacques’ one-best-way in de ontwikkeling van techniek

 

Los daarvan blijft er ook sprake van een technische ontwikkeling, waarbij de ervaringen van technici worden doorgegeven en verwerkt in volgende producten. Figuur 5 en 6 kunnen dus gecombineerd worden. Wanneer men Martin verwijt dat hij te eenduidig is, interpreteert men ook hem vanuit de eigen gerichtheid op de technische constructie, terwijl Martins eenduidigheid op een ander niveau ligt. Nauwkeurig luisterend naar Martin, bleek dat hij het heeft over de dragende grond van het hele technische gebeuren. Daarin wijst hij op het voorstellende denken dat in onze moderne tijd domineert en in techniek gestalte krijgt. Verder was opmerkelijk dat zijn eenduidigheid eigenlijk een tweeduidigheid betreft: de mens kan vanuit twee grondhoudingen handelen (en arbeiden en werken): hij kan iets tevoorschijn helpen brengen of hij kan iets te voorschijn willen dwingen. Aangezien deze laatste vorm het voorstellende denken benodigt, het is immers de voorstelling die dwingend aan de dingen wordt opgelegd, is de moderne wijze waarop de techniek heerst net zo nieuw als de moderne rationaliteit (zie figuur 7).

 

 

 

 

 

 

 

 

 


substantie                               

 


            oorsprong                                                                                                tijd

                        paard               stoom              elektrisch         zweef  zonnetrein

 

Figuur 7: Voorstelling van Heideggers grondslag van techniek

 

Wanneer ik de ontwikkeling in de tijd als de eerste dimensie aangeef op de horizontale as, dan kan op de verticale as van de gecombineerde figuur 8 de niveaus of beschrijvingswijzen onderscheiden worden.

 

 


westerse                          zijn in de tijd (beschikking van de substantie)

cultuur

 

maatschappelijke

constructie

 

 


sociogram

technogram

 

 

substantie

 


            oorsprong                                                                                                      tijd

                        paard               stoom              elektrisch         zweef  zonnetrein

 

Figuur 8: Gecombineerde voorstelling van het denken over techniekontwikkeling

 

 

Het niveau van het ontwikkelen van socio/technische ensembles wordt door de constructivisten gezien vanuit een technische en sociale invalshoek: het technogram en het sociogram. Jacques bekijkt het verschijnsel techniek vanuit de wijze waarop het verweven is met de maatschappij en Martin wijst op de culturele voorwaarden voor het hele gebeuren, dat niet abstract in de lucht hangt als een onzichtbare tijdgeest, maar in mensen werkt die als constructeurs van techniek en maatschappij waarheid ontbergen. In de wijze waarop het wezen van de techniek mensen laat ontbergen, is het wezen als grond voor de techniek betrokken op een bepaalde tijd (en cultuur). De twee wijzen waarop men kan ontbergen vormen de derde dimensie.

 

De benaderingen van het constructivisme en het essentialisme kunnen elkaar dus aanvullen zonder dat ze elkaar tegenspreken, mits men precies aangeeft waar men het over heeft, wat men als gegeven beschouwd en wat men wil openbreken om te bevragen, onderzoeken, beschrijven of verklaren. 

 

We hebben ook gekeken naar de verschillende methodes waarmee men onderzoekt. Waar de constructivistische methode meer empirisch gericht is op de zijnden in hun diversiteit, is het essentialisme meer gericht op de fenomenen zoals ze zich aan ons voordoen. In het streven van de filosofie naar het algemene, is ook het essentialisme op zoek naar algemene werkingen en verschijnselen. Omdat zowel Jacques als Martin daarbij uitgaan van concrete technische producten en van daaruit doorvragen naar hun impact of terugvragen naar hun ontstaansoorzaak, lijkt het alsof men het algemene zoekt in een generaliserende inductie van de technische diversiteit. Dit is echter niet het geval. Voor de essentialisten geldt dat ze in het heen en weer gaan tussen het algemene en het bijzondere, recht willen doen aan beide, terwijl het constructivisme blijft steken in de aandacht voor het bijzondere. Waar het constructivisme (nog) te weinig filosofisch is om een bijdrage te leveren aan het verstaan van techniek als verschijnsel zelf, is het standpunt van het essentialisme in de eeuwenoude filosofisch zo fundamentele universaliastrijd (nog) te onduidelijk om het verwijt van inductie krachtig te kunnen weerleggen. Hoewel Martin aangeeft dat hij niet de essentie als het filosofische wezen (een universalia), op het oog heeft, maar het wezen als een werkwoord wil zien, komt hij het zoeken van de universalia niet echt te boven. Nodig is een substantiebegrip waarin niet de goddelijke algemeenheden (universalia ante res) en ook niet de menselijke theorieën (universalia post res), maar de essentie van de afzonderlijke dingen als substantie wordt gedacht (universalia in rebus). Een beperking van de empirische benadering van de constructivisten is dat ze elke vorm van normativiteit uitsluit en daarmee geen bijdrage kan leveren aan de vragen van een technicus: hoe en in welke richting moet ik construeren en techniek ontwikkelen en ook niet op de vragen van een politicus: hoe en in welke richting zou ik techniek moeten sturen? De essentialisten geven, zij het summier, wel een andere richting aan, maar in het doolhof van hun visie is de uitweg nauwelijks te vinden.

 

In de controverses van het techniekdebat van de afgelopen jaren zijn er twee argumenten die veel terugkomen en op cruciale momenten een rol spelen. Het eerste verwijt van de constructivisten richting de essentialisten is dat de techniek niet determineert en het tweede verwijt is dat het wezen van de techniek alles onder één noemer stopt terwijl de mens als teller te kijk wordt gezet.

 

Het argument van de technische determinatie heb ik geanalyseerd langs de drie niveaus die ik op de verticale as heb gezet: het micro-niveau is de sociaal/technische constructie, het meso-niveau de maatschappelijke vervlechting en het macro-niveau de culturele paradigma’s van een bepaalde cultuur (in een bepaalde tijd). Dat men in de constructiehal van een stoomlocomotief voornamelijk techniek tegenkomt in de vorm van technici, materialen, onderdelen, en gereedschap zal niemand verbazen. Dat veel beslissingen in het ontwerp en de ontwikkeling van een product genomen worden op basis van technische overwegingen lijkt door de constructivisten wel ter discussie gesteld te worden. Afgezien van het feit dat ik dat opmerkelijk vind, is het voor onze analyse voldoende te constateren dat het determinerende wat Jacques en Martin op het oog hebben op andere niveaus ligt. Men zou kunnen zeggen dat de constructivisten de machinist van onze stoomloc niet alleen als intiem verweven beschouwen met de loc, maar ook bij voorkeur wijzen op het feit dat hij als stuurman alle touwtjes in handen heeft. Hij weet met welke hendel de stoomkracht op de wielen gezet kan worden, hij kan met extra scheppen kolen de druk laten toenemen, hij kan beslissen hoeveel wagons en dus hoeveel mensen hij mee wil nemen, enzovoort.

 

Jacques daarentegen wijst op de verwevenheid van de loc met de maatschappij: zonder stations en zonder stationschefs en zonder dienstregelingen en zonder de aankondigingen van die dienstregelingen, zonder de onderhoudsmensen en zonder de kaartverkopers en noem maar op, is de machinist nergens. Hij kan steeds minder afwijken van het dienstrooster, hij moet zich wel gedragen overeenkomstig het ontwerp van de stoomloc en feitelijk kan hij niet eens sturen: er zit niet eens een stuur op de loc.

 

Martin wijst ook op een andere determinisme: waar men vroeger zich met een boot in de rivieren kon voortbewegen, heeft men nu de rails als grondslag. De rails bepaalt de richting waarheen de trein gaat en een machinist kan maar beter gelaten afwachten wanneer er weer een station naderbij komt, dan verwoede pogingen doen om wissels te verleggen, kolen te scheppen en harder te gaan rijden. Met het bewuste willen kan men wellicht een ander doel van de reis kiezen, maar alleen voorzover er rails ligt. De rails vertegenwoordigt zo de onmacht van het willen. Verder moet men de techniek maar het werk laten doen.

 

De enorme druk die in de stoomloc opgebouwd wordt en pas na volledige onderdrukking aangewend kan worden verbeeldt bovendien de onbewuste driften. De stoomfluit, die nog enige druk van de ketel haalt, heeft niet alleen de vertrek- en aankomsttijden aangegeven, maar ook een nieuw tijdperk ingeluid. Na de klok en voor de computer kan de stoomloc gezien worden als de meest typerende metafoor om mens en wereld in dat tijdperk te duiden. Waar de rivier haar eigen loop heeft, is het nu een denkbeeldige route die de mens op de grond geprojecteerd heeft en waarlangs men vervolgens rijdt. Volgens Martin is dit de eigenlijke markering van de moderne rationaliteit, al geeft hij toe dat veel spoorlijnen langs rivieren gebouwd zijn, en aldus een soort tweebaansweg ontstaat. Waar de techniek voorheen werd aangewend als meewerkend met de natuur, is zij nu zelfstandig geworden. De stoommachine was autonoom, onafhankelijk van wind en water en dat betekende een zelfstandigheid in tijd (ook wanneer het niet woei kon er kracht worden geleverd) en in ruimte (ook waar geen water was kon kracht worden geleverd). Deze onafhankelijkheid van tijd en ruimte maakte dat men de stoommachine kon verplaatsen: men heeft hem op wielen gezet en zo haar voordelen tot het uiterste benut. Daarmee werd wel een nieuwe tijd en ruimte ontborgen. Door de versnelde wijze van verplaatsen werden meer plaatsen bereikbaar en werd de wereld kleiner. Door de grotere afstanden werd het tevens noodzakelijk de verschillen in de plaatselijke zonnetijd te egaliseren. De maatschappelijke introductie van klokken verliep met de stoomtreinen eveneens in sneltreinvaart, terwijl de noodzaak voor grote en slimme computers om het immer uitbreidende netwerk te reguleren al voorbereid werd.

 

Het tweede argument waarmee de constructivisten de essentialisten aanvallen betreft de enkelvoudige duiding van de technische substantie. Hoewel men vanuit de constructivistische kant er geen alternatieve substantie naast zet en het verwijt zich daarom alleen richt op het ‘ene dat geen recht doet aan het vele’, is er wel wat over het substantief van de techniek te zeggen in relatie met het constructivisme. Waar Martin begonnen is met de historisering van het Zijn, stelt Andrew voor om die historisering veel vaker en verdergaand toe te passen. Waar Martin de verschillen over (zeer) lange tijdsperioden probeert helder te krijgen, en daarmee de substantiebegrippen afbakent, kan men ook op zoek gaan naar kleinere verschillen op kortere tijdschalen. Een overdreven toegepaste historisering zet elk product in zijn eigen tijdvakje, maar levert verder geen verrassend inzicht op. Verbanden tussen tijdvakjes waarin producten geconstrueerd worden, kunnen chronologisch met de historisch kritische methode of als dwarsdoorsnee met de metabletische methode worden onderzocht. Deze bijdragen aan de geschiedenis van de techniek zijn voor de filosofie van de techniek van belang omdat ze in de eerste dimensie van de techniekontwikkeling empirische gegevens kunnen opleveren over de precieze technische en sociale constructie van producten in hun eigen context (historisch kritische methode) en over de overeenkomsten in de ontwikkelingen in de tweede dimensie van de techniek ontwikkeling (metabletische methode): het technische, het menselijke, het maatschappelijke, het culturele en wat daar op die as zich nog meer voordoet aan menselijke uitingen (kunst, religie, wiskunde, natuurkunde, enzovoort). Op basis van allerhande historische analyses kan men vervolgens tot een grondslagenstrijd geraken, waarin men zich afvraagt welke veranderingen in de substantie, in de grondslag, wezenlijk zijn voor de ontwikkeling van een vak of discipline. Voor de techniek als geheel bleek Martin daar het meest expliciet in te zijn: de grondslag veranderde met het ontstaan van de moderne rationaliteit. Het voorstellende denken is ten diepste gegrond in een opvorderend ontbergen (en dus technisch te typeren). Deze dichotomie tussen het voor-moderne en het moderne is zo fundamenteel dat zij als derde dimensie opgevat moet worden. Deze grondslag zal meer en meer gaan domineren (volgens Martin begint de doorwerking nog maar net zichtbaar te worden), dus kan zij tegen de ontwikkeling in de tijd worden uitgezet, maar zij geldt ook allerlei vormen van handelen en kennen en dus kan zij ook tegen de tweede dimensie worden uitgezet. Wanneer men zich afvraagt hoe die grondslag zich manifesteert op het niveau van het construeren, vindt men bij Martin weinig aanwijzingen. Over de verschillende vormen van de band die mensen en dingen bijeenhoudt heeft hij in eerdere werken wel geschreven, maar ten aanzien van het proces van het construeren is de zaak niet helder. Vanwege het antwoordend karakter van (het wezen van) de mens op de aanspraak van (het wezen van) het Zijn, heb ik voorgesteld om het ‘inspiratie’ te noemen. Bij de constructivisten is het ‘onderhandeling’. De fundamentele tweespalt hierin, die ons brengt tot het spreken over een grondslagenstrijd, is de constatering dat in de inspiratie het contemplatieve en gelatene als een openheid in het voorstellende willen kan worden opgevat (de redding is mogelijk vanuit de onmacht van het willen), terwijl de belangenstrijd in de onderhandeling opgevat kan worden als een stimulering van het voorstellende willen. Vervolgens is geconstateerd dat deze tweespalt tussen het niet-willen en het steeds meer willen in de mens zelf overwonnen moet worden. De aandacht die er uiteindelijk is voor de mens lijken de constructivisten en de essentialisten gemeenschappelijk te hebben. Wat een dergelijke overwinning in de mens in zijn bezigzijn in en met techniek betekent, is echter door de denkers niet aangegeven. Zo wordt een ieder alsnog op weg gezet, om het wiel wederom, maar nu zelf, uit te vinden. Het gaat immers om onszelf, in relatie tot het andere.

 Tenslotte, net zoals u de probleemstelling en de deelvragen schriftelijk ontvangen hebt, krijgt u de antwoorden hierop eveneens in schriftelijke vorm mee naar huis. Ik wil u dan ook bedanken voor uw inhoudelijke en actieve betrokkenheid bij het spreken en het luisteren. Het respect voor elkaars opvatting en benadering stond voorop en daarin hebben jullie blijk gegeven meer mens te kunnen zijn dan we soms van elkaar en van onszelf denken. Laten we huiswaarts keren op de door ons ingeslagen wegen en datgene wat ons in het debat geïnspireerd heeft overdenken, incorporeren en in daadkracht verwerkelijken, al dan niet bemiddeld door de dingen van onze handen.

 

 


Conclusie

 

1.      In hoeverre is de weerlegging van het determinisme en het substantivisme nodig voor het (sociaal) constructivisme?

 

In de inventarisatie van het (sociaal) constructivisme bleek dat het determinisme op micro-niveau doorbroken moest worden om de constructie-alternatieven te kunnen onderzoeken. Constructeurs hebben immers een zekere vrijheid nodig om alternatieven samen te stellen die door gebruikers in een vervlechting uitgeprobeerd kunnen worden. Daarnaast was het van belang om een eenduidige interpretatie van een technische norm of een technische richting te relativeren. Verschillende personen en diverse niet-menselijke actoren geven aanleiding tot een pluriform beeld van mogelijkheden en richtingen in ontwikkeling en gebruik van producten. Een technische essentie als eenduidige norm voor bijvoorbeeld ‘goede werking’ wordt als vervlechting met gebruikers opgevat en daarom moest het essentialisme op micro-niveau bestreden worden.

 

 

2.      In hoeverre worden het determinisme en het substantivisme weerlegd?

 

In de inventarisatie van het huidige debat bleek dat men inderdaad herhaaldelijk stelt dat het determinisme en het substantivisme terecht weerlegd worden. Dat het weerlegd wordt, beargumenteert men

·                     door onbewust te veronderstellen dat de klassieke techniekfilosofen onder techniek of technologie inderdaad techniek en technologie op micro-niveau bedoelen of

·                     door bewust te stellen dat het wezen van techniek op macro-niveau herleid kan worden (of door Heidegger zelf herleid wordt) tot concrete artefacten en dat het determinisme van technologie op meso-niveau ook geldt voor techniek op micro-niveau.

Dat het terecht weerlegd wordt, beargumenteert men door te wijzen op de diversiteit op micro-niveau waaraan recht gedaan moet worden en door aan te sluiten bij de tendens om meer aandacht te hebben voor de concrete artefacten waar we ons meer en meer mee zijn gaan omringen.

 

 

3.      In hoeverre is de weerlegging van het determinisme en het substantivisme schadelijk voor het (sociaal) constructivisme?

 

In de inventarisatie van de klassieke techniekfilosofie bleek dat men daar andere vragen stelde en andere fenomenen bestudeerde. De technologie van Ellul wordt bijna in elke bijdrage expliciet onderscheiden van techniek als producten, en gaat over de maatschappelijke vervlechting als positieve en negatieve feedback op de ontwikkeling van techniek. Daarbij wordt de positieve feedback geïnterpreteerd als een autonoom proces ten opzichte van het individueel menselijke ingrijpen. Opgeroepen wordt tot een negatieve feedback, al wordt de impact marginaal geacht op meso- en macro-niveau. Daarnaast gaat het wezen van de techniek in Heideggers benadering over de grond van het technisch bedrijf en dat is, zo benadrukt Heidegger regelmatig: niet technisch. Een echte weerlegging van de klassieke filosofen is dus niet nodig. Dat neemt niet weg dat kritiek uiteraard wel mogelijk is en ook in het debat naar voren is gekomen. De vraag waar ik naar toe wilde werken was: wordt met het badwater niet ook het kind weggegooid? Met andere woorden: als men de klassieke techniekfilosofie weerlegt (of dat nu nodig is of niet) weerlegt men dan niet waardevolle inzichten waar men lering uit zou kunnen trekken? Het waardevolle van de klassieke techniekfilosofen is daarom gezocht in een vertaling van de geboden inzichten in relatie tot concrete techniek ontwikkeling en in termen op micro-niveau. Zo werd duidelijk dat het determinisme van Ellul op meso-niveau geenszins menselijke bemoeienis op micro-niveau uitsluit, sterker nog: het leven in een technische maatschappij is alleen maar mogelijk vanuit de menselijke inbreng op micro-niveau.

 

De analyse van het determinisme op meso-niveau vestigde de aandacht op de werking van een versterkend effect van de maatschappelijke vervlechtingen. Het belang van maatschappelijke vervlechting wordt dus niet ontkend, maar juist gebruikt om aan te geven dat er een eigen dynamiek aanwezig lijkt te zijn, waar je je eerst bewust van moet worden om die te (proberen te) doorbreken. Een belangrijk punt in het werk van Ellul is de observatie van onbedoelde neven-effecten die bijna vanzelfsprekend weer technisch opgelost moeten worden (uitstoot van schadelijke gassen door auto’s waarvoor katalysator is ontworpen en verplicht gesteld). Een ander belangrijk punt is het merkwaardige automatisme waarmee mensen zichzelf en hun maatschappelijk omgeving aanpassen aan technische ingrepen (naar de stad vertrekken, reorganisatie van bedrijven t.b.v. automatisering, allerlei ‘work-arounds’ dagelijks uitvoeren om bugs te vermijden). Nog curieuzer is de bewuste acceptatie van allerhande manipulaties waarvan men zich wel af en toe bewust is, maar die men toch veelal onproblematisch voor lief neemt (reclame boodschappen en televisiejournaals). Deze punten kunnen een belangrijke bijdrage leveren in de ontwikkeling van het denken over techniek in termen van constructie en vervlechting.

 

Een belangrijk punt in het denken van Heidegger is de betrokkenheid van technische ontwikkeling op de tijd waarin die plaatsvindt. Waar in de wetenschap het paradigma door Kuhn is gethematiseerd, is het voor de techniek Heidegger die aangeeft dat techniek gegrond is op een wijze van ontsluiting van de werkelijkheid die typerend is voor een bepaalde tijd. Daarbij worden andere wijze van ontsluiten niet ontkend, integendeel: de redding is juist te verwachten van het openhouden van die andere wijzen in het gelaten (niet-fanatiek) beoefenen van de ontsluitingswijze die hoort bij het huidige tijdsgewricht. Een ander belangrijk punt is de relatie met het construeren in de techniek zelf: het wordt getypeerd als een verzamelen van verschillende oorzaken, waar we in de moderne tijd vooral één oorzaak (die van de efficiëntie) centraal stellen. De aandacht die Heidegger en passant vraagt voor de vorm (het ontwerp), het materiaal en de bestemming (bedoelde gebruik waar alles anticiperend op gericht is)  kan een belangrijke bijdrage leveren in de ontwikkeling van het denken in termen van constructie en oplossingsrichtingen.

 

 

4.      In hoeverre is een samengaan van de klassieke en de constructivistische benaderingen mogelijk?

 

Wanneer ik concludeer dat de klassieke benadering en de constructivistische elkaar niet (hoeven te) bijten en wanneer zelfs het waardevolle van de klassieke inzichten voor het constructieve is aangegeven, is er nog niets gezegd over de vraag of er een vruchtbaar samengaan mogelijk is. Men kan immers van een andere (ongelijksoortige) denkrichting wel ideeën opdoen, maar daarmee is een inhoudelijke integratie nog niet gerealiseerd. Omdat beide benaderingen zich presenteren als een theorie die weliswaar open is, maar in de eigen benadering toch compleet en coherent, zal men in beide gevallen bepaalde zaken moeten opzeggen of relativeren. De klassieke techniekfilosofen moeten erkennen dat ze op naïeve wijze omgaan met technische artefacten en in hun werken weinig laten zien van concrete doorwerking van hun ideeën. Sterker nog: een methodologische verantwoording is dringend gewenst. Hoe is men heen en weer gevaren langs de oevers van de concrete technische diversiteit enerzijds en de meer algemene typering en samenvattende duiding anderzijds? Hoe is hun stellingname te falsifiëren? De constructivisten op hun beurt moeten erkennen dat ze op een erg naïeve wijze omgaan met filosofische voorvragen en met de technische kant van het ontwerpen. Sterker nog: een wetenschappelijke of filosofische onderbouwing is dringend gewenst. Hoe hanteert men empirische gegevens en hoe benadert men technische producten?

 

De kracht van beide benaderingen is echter eveneens duidelijk geworden: de klassieke techniekfilosofen hebben oog voor de processen die het individueel menselijke overstijgen. Bij Heidegger is het de tijd van het zijn waarin een mensenkind is opgenomen en het technisch gebeuren dat zich onttrekt aan zijn wilsmogelijkheden. Bij Ellul is het de collectieve Begeisterung van het technische en de onvoorspelbare maar altijd ingrijpende impact die nieuwe techniek of haar inbedding heeft. De constructivisten op hun beurt hebben oog voor de technische alternatieven in het constructieproces en voor de diverse partijen die een rol spelen gedurende de constructie. De vervlechting van de technische producten met hun context wordt ontologisch geïnterpreteerd. Bij Bijker ligt de nadruk op het onderhandelingsproces tussen mensen onderling, technici, managers, gebruikers van prototypen en bij Latour speelt ook het materiaal een subjectieve en in haar latere stabiele netwerk ook een objectieve rol. Bij het integreren van de fenomenen die men theoretisch geconceptualiseerd heeft, blijkt dat men niet ontkomt aan een grondslagenstrijd. Uiteindelijk doen beide een uitspraak over de oorsprong van een menselijke constructie: het is een netwerk van bondgenootschappen of een paradigmatische determinatie van een maatschappelijk dominant geworden systeem of een culturele oorzaak van een ontbergingswijze. Deze laatste twee veronderstellen een openheid van de menselijke actoren in het leven en dus ook in het construeren. Een openheid voor een soort tijdgeest die de menselijke actoren ook onbewust kan beïnvloeden. De constructivisten daarentegen veronderstellen slechts bepaalde (bewuste) belangen bij de aanwezige actoren. Een keuze in deze grondslagenstrijd kan mede bepaald worden door de rol die ontdekkingen en uitvindingen spelen in het construeren. Nadere (historische en culturele) analyse hiervan lijkt een eerste vereiste.

 

 

Probleemstelling:

 

Wat kan de filosofie van de techniek, waarin het determinisme en het substantivisme een belangrijke rol spelen, betekenen voor een (sociaal) constructivistische benadering van de techniek, gegeven de poging van de constructivisten om het determinisme en het substantivisme van de klassieke techniekfilosofie te weerleggen?

Hoewel men in een symmetrische benadering van beide stromingen (klassieke techniekfilosofie en constructivisme) zou kunnen vragen naar de betekenis voor elkaar, is de probleemstelling eenzijdig gericht op de betekenis van de klassieke techniekfilosofie voor het constructivisme. De redenen daarvoor zijn dat

·                     de vraag andersom reeds door verschillende auteurs is opgeworpen en behandeld en

·                     de aandacht die het constructivisme vraagt voor het technisch bedrijf bij de huidige tijd past.

De betekenis van de klassieke techniekfilosofie voor een constructivistische benadering van de techniek dient rekening te houden met het debat wat gevoerd wordt en waarin men elkaar (lijkt) te bestrijden. Dit ‘rekening houden met de poging elkaar te weerlegen’ heeft in mijn analyse geleid tot een onderscheid in niveaus’s waarmee recht gedaan kon worden aan de opvattingen zoals de beide stromingen die zelf ontwikkeld hadden, terwijl ze toch in een integraal perspectief geplaatst konden worden. Na deze plaatsbepaling is de kracht en de beperking van beide stromingen geschetst en in de behandeling van de probleemstelling wil ik nu samenvatten hoe de inzichten uit de klassieke techniekfilosofie de constructivistische benadering verder zou kunnen helpen.

 

In de eerste plaats zou het constructivisme constructiever kunnen worden. Enerzijds is dit een oproep om meer mee te denken in plaats van te weerleggen, anderzijds is dit een oproep om niet alleen deconstructief black-boxen te openen, maar ook constructief vanuit bepaalde gegevenheden het constructieproces te volgen.

 

In de tweede plaats zou het constructivisme (nog) meer recht moeten doen aan de technische praktijk zelf in plaats van het constructieproces vanaf een afstandje (in tijd en ruimte en betrokkenheid) te beschrijven. Naast de verscheidenheid aan vervlechtingen moet ook de verscheidenheid aan actanten gehonoreerd worden. In de niet-menselijke actoren dient gereedschap onderscheiden te worden van gebruiksvoorwerpen en mechanieken van automaten etc. In de menselijke actoren dient men onderscheid te maken tussen managers, technici, gebruikers (en eventueel: testers, slachtoffers, sponsors etc). Ook dient men het ontwerp of het idee of de uitvinding niet als gegeven te beschouwen, want dit is het hoofdprobleem van de ontwerpers en de ontwerpers vervullen in de moderne technische praktijk een spilfunctie.

 

In de derde plaats zou het constructivisme filosofischer moeten worden. Men zou eerlijker moeten worden over de beperking van de empirische benadering of men zou zich duidelijker moeten verantwoorden ten opzichte van een ideële benadering. Ook de wijsgerige veronderstellingen ten aanzien van de entiteiten vereist een nadere uitleg: pure empirie maakt elke classificatie onmogelijk, dus een bepaalde vorm van typering moet worden gehanteerd en wordt ook gehanteerd (mate van stabiliteit of het onderscheid tussen technisch artefact en socio-technisch ensemble of de diverse verspreidingsfasen). De verantwoording van deze classificatie ontbreekt echter, terwijl men wel expliciet afstand neemt van een naïeve black-box benadering. Ook de claim tot generaliseerbaarheid is begrijpelijk, maar te weinig filosofisch onderbouwd. De werkelijkheidsopvatting is bovendien onduidelijk: als alles constructie is op basis van toevallige netwerkconfiguraties, hoe is dan communicatie mogelijk tussen twee niet (of zojuist) verbonden netwerken? En als de werkelijkheidsopvatting mede instrumenteel bepaald is, hoe kan men dan nog zinvol over het verleden spreken?

 

In de vierde plaats zou het constructivisme normatiever moeten worden. Nu worden normen gereduceerd tot bondgenootschappen, terwijl er op z’n minst sprake zou moeten zijn van een verantwoording hoe men zoiets als vooruitgang zou moeten kunnen vaststellen (nog onafhankelijk van de vraag of vooruitgang ook inderdaad vooruitgang betekent). Wanneer men stelt dat de goede werking van een apparaat geen intrinsieke eigenschap is maar mede geconstrueerd wordt door het gebruik, kan men zich afvragen hoe dat gemeten wordt: door het aantal knopen in een netwerk? Door een waardering van bepaalde knopen in het netwerk? Door de verankering of overlap met nadere netwerken? Door een zelfstandigheid of een zelf-reguleerbaarheid of een zelf-(re)produceerbaarheid? Ook is er geen aandacht voor de keuzes die voorafgaan aan het constructieproces: wie bepaalt de deelnemers aan het constructieproces, wie bepaalt de spelregels waar men zich aan dient te houden tijdens de constructie, wat is de meest geëigende rol van de diverse actoren? Verder is onduidelijk of de symmetrie tussen menselijke en niet-menselijke actoren ook geldt voor hun normatieve aanspreekbaarheid: kan een geweer voor het gerecht worden gedaagd? En een computer of een op hol geslagen auto?

 

In de vijfde plaats zou het constructivisme moediger moeten worden. Men zou het debat met de klassieke techniekfilosofie aan moeten gaan op het meest fundamentele niveau van een discipline: de grondslag. Als men uitgaat van ideeën en belangen als gegevenheden, wees dan ook zo eerlijk om de beperkingen en paradoxen die daaruit ontstaan als problemen op te geven waar men aan moet werken. Of geef aan dat men niet echt het construeren, maar een gegeven constructie wil onderzoeken. Wanneer het ‘worden’ tot paradigma wordt verheven, moet men een probleem hebben met het ‘zijn’. Naar analogie van de paradox van Zeno: als het worden van een constructie bestaat uit allemaal kleine mijlpalen, dan is er geen continuïteit en als het worden alleen maar worden is, bestaan de bondgenootschappen net zo min als de black-boxen, maar worden ze continu mee geconstitueerd. Maar dan rijst de vraag: door wie of wat? Hoe voorkomt men onzinnige netwerken? Is er een innerlijk houvast? Zo niet, dan  wordt het gelijk van de klassieke techniekfilosofie wel erg in de kaart gespeeld.  

 

Tenslotte zou het constructivisme historischer en cultureler (geestelijker) moeten worden. Men zou allerlei typen netwerken en soorten vervlechtingen moeten koppelen aan een historische context om onbewuste verbanden en voorspelbare maar onbedoelde netwerkeffecten op het spoor te kunnen komen. Ook zou men een dominerend type netwerken moeten kunnen verklaren vanuit een historische opvatting over cultuur beoefening. Men zou het streven van de menselijke actoren moeten kunnen relateren aan de gerichtheid die reeds in netwerken aanwezig zijn. Men zou die gerichtheid zelfs cultureel of geestelijk moeten duiden om zo adequaat mogelijk de vervlechtingsrelaties in andere (mythische of religieuze) culturen te kunnen beschrijven.


6. Hoe ik het momenteel zie

 

Er was eens een slimme ingenieur met een echte wiskunde knobbel. Hij had na jaren van eenzame worsteling eindelijk een prachtig idee gekregen. Hij had zich afgevraagd: zou het niet mogelijk zijn om zijn gevoel voor wiskunde en zijn opleiding daarin te gaan gebruiken om de enorme hoeveelheid informatie die over de aardbol raast, compacter te verpakken? Nadat hij een flitsend idee had gekregen, wat hij voor zichzelf de 'Essentie' noemde, was hij aan de slag gegaan en had met de nodige moeite en prototypes een computerprogramma gemaakt. De resultaten waren verbluffend. Bijna een factor 10.000 beter dan de huidige coderingen. Direct voelde hij de impact van zijn product: het zou de wereld op z'n kop zetten, want alles was tenslotte getal. Videobeelden zouden in mum van tijd met de nu nog gebrekkige mobiele telefoonverbindingen vlekkeloos over de wereld verstuurd kunnen worden. Maar ook het empirisch onderzoek zou een geweldige extra mogelijkheid krijgen voor de opslag van de exponentieel groeiende data-toevoer. Iedereen zou op elk gewenst moment over alle door hem of haar gewenste informatie kunnen beschikken. Complete archieven van de wereldgeschiedenis zouden op een enkel DVD-tje passen enzovoort. Zoals ik al zei was het een slimme ingenieur, men noemde hem niet voor niets Piet de Getallenkraker, dus toen hij dat allemaal bedacht had, concludeerde hij dat zijn leven nu gevaar liep. Men zou hem kunnen ontvoeren en martelen om het geheim prijs te geven. Hij bedacht dat het maar beter was om het programma zoals hij dat geschreven had te vernietigen en alleen de gecompileerde machinetaal te bewaren in een grote kluis. Machinetaal is namelijk alleen door machines te lezen en niet door mensen. Je sluit als het ware de black-box en maakt de inhoud onleesbaar. Daardoor blijft de black-box werken, maar niemand kan meer achterhalen hoe die werkt. Ook veranderingen of verbeteringen zijn niet mogelijk: het is dus een prachtige copyright bescherming van het intellectueel eigendom. Een backup van die machinetaal nam hij mee om aan zijn vrienden te tonen hoe goed zijn programma werkte en om te bewijzen hoe gaaf het achterliggende idee was. Het nieuwtje verspreidde zich razendsnel in binnen enkele dagen stond er een grote zwarte man op de stoep, die wel heel belangrijk moest zijn want hij had een grote zwarte pieper op zak, en deze man zei: 'Jij hebt kennis en dus macht, ik heb kennissen en dus meer macht. Zullen we een deal sluiten?' De ingenieur had natuurlijk al met zijn vrienden overlegd wat hij in zo'n geval zou doen, en antwoordde: 'prima, als u mijn leven beschermt, in mijn onderhoud voorziet en een ruime oude dag verzorgt, krijgt u van mij een werkend codeerprogramma.' Zo gezegd zo gedaan, de meneer haalde zijn portefeuille tevoorschijn en gaf alvast een enorm voorschot. Een dag later ging het mis. De ingenieur maakte een ongelukkige val die hem noodlottig werd: hij heeft het niet overleefd.

 

De hele wereld was in rep en roer. Het nieuws had zich als een lopend vuurtje verspreid. Wat te doen? Andere ingenieurs die ook slim dachten te zijn kregen onder strikte geheimhouding toegang tot de machinetaal van het codeerprogramma, want meer was er niet. Men kon er echter geen wijs uit. Niettemin werkte het programma voortreffelijk, maar mensen zijn mensen en willen weten hoe het zit om het vervolgens te kunnen nabouwen. Hele theorieën zijn opgesteld en duizenden kopieën gemaakt, zodat allerlei stukken verwijderd konden worden om te kijken of die stukken invloed hadden op de uitkomst. Uiteindelijk had men een theorie die redelijk leek te kloppen. Men  wist natuurlijk al dat er allerlei coderingstrucjes waren om de vorm van de gegevens, die ten grondslag ligt aan die informatie, te verkleinen. De meeste trucjes hadden betrekking op de uiterlijke karakteristieken van de syntax van de gegevens. Maar het oorspronkelijk codeerprogramma moest iets heel anders, iets revolutionairs geweest zijn. Iemand had het vermoeden gekregen dat het met genererende functies te maken zou moeten hebben, maar hij kon het jarenlang niet bewijzen. Op een goede dag was er echter iemand die als bij ingeving wist wat het was: een codeeralgoritme dat de harmonie der sferen spiegelt! Dat was een geweldige doorbraak in wetenschap en techniek; men noemde het de 'Theorie' met een hoofdletter ‘T’. Alles werd gecodeerd en met het grootste gemak overgestuurd. Men dacht alles onder controle te hebben en men dacht zelfs te weten hoe het programma werkte. Toen ging men verder nadenken: kan 'alles' gecodeerd worden? Zou dat kunnen betekenen dat de mens zelf dus ook gecodeerd en overgestuurd zou kunnen worden? Men werd bang en sommigen gingen nauwkeuriger nadenken. Klopte de Theorie wel? Waren er niet meer theorieën mogelijk? De resultaten waren wel juist, maar was daarom de Theorie waar?

 

De waarheid van de Theorie werd meestal bepaald door de overeenstemming tussen de resultaten van de zelfgeconstrueerde programma's op de Lab-tops en de resultaten van het oorspronkelijke programma op de Natuurlijk stand-alone geconfigureerde en beveiligde computer. Maar, zo vroeg men zich af, was het niet beter om de waarheid te bepalen door een overeenstemming tussen de programma's zelf of zou men zich niet beter kunnen laten leiden door de vraag naar de overeenstemming tussen de Theorie en de oorspronkelijke Essentie? Deze laatste vraag was niet nieuw, maar de veronderstelling dat er zoiets als een Essentie was, kon volgens sommigen niet meer serieus genomen worden. Als er al zoiets als een Essentie zou zijn geweest, zo betoogde men, dan 1) kennen we die niet en kunnen het dus ook niet als Oorzaak of als verklaringsgrond gebruiken of 2) als we hem wel kennen dan is het weer een door onszelf geconstrueerde Theorie, die wel onze programma's inzichtelijk kan maken, maar geen verklaring mag zijn voor de werking van het oorspronkelijke programma. Als men in een Theorie zoiets als een essentie veronderstelt, dan is men metafysisch bezig en dat is ouderwets.

 

In dit Universele debat leek ineens licht te komen toen men een kluis ontdekte en haar deuren ontsloot. Wie weet, was daar nog wel een beschrijving te vinden van de Essentie. Helaas, het enige dat men vond was een kopie van het programma dat men al had, en enkele dagboeknotities van  de vrienden van ingenieur Piet. De dagboeknotities waren versnipperd en dat kon op twee manieren worden uitgelegd: òf het bevatte aantekeningen over de Essentie en die moesten geheim blijven, òf de ingenieur was het niet eens met de notities en had ze verscheurd, maar niet weg willen doen. Toen de leesbare stukjes als een puzzel in elkaar gezet waren, ontdekte men dat de notities inderdaad gingen over Essenties. Maar nu ontbrandde een discussie over de vraag of de vrienden inderdaad zo vertrouwd waren geweest met de ingenieur dat hij hun (iets van) de Essentie had verteld òf dat de notities over de Essenties zelf een soort eigen theorietjes waren over essenties. Kortom: de geschiedenis van de middeleeuwse universaliastrijd en de procedures rondom de gevonden Dode Zee rollen werden voor de zoveelste keer herhaald, met dit verschil: de Essentie van de Schepping was alleen bij God bekend, en kon door het subjectief menselijk vernuft betwijfeld worden terwijl de Essentie van Piets programma gewoon bij een slim mensenkind bekend was (geweest) en het bestaan daarvan zou dus eigenlijk minder ter discussie hoeven te staan. Dat leek echter niet het geval. Zelfs het bestaan van de Essentie van nog levende (wis)kunstenaars werd openlijk ter discussie gesteld.

 

Het aardige was echter dat het nu over techniek ging en niet over wetenschap, maar wat was de parallel? In de middeleeuwen ontdekte men de werken van Pythagoras en Aristoteles, maar de tijd was ondertussen zo ver voortgeschreden dat men niet goed meer kon achterhalen waar deze heren het over hadden gehad. Vooral de geschriften van Aristoteles waren een bron van interpretatieproblemen. Hij had het over de natuur en het onderzoek der natuur en hij had het over de logica als basisvaardigheid voor iedere onderzoeker. Ook was hij in discussie met zijn leermeester Plato over wat minder alledaagse maar meer algemene zaken. Plato zei dat de bijzonderheden in de natuur slechts een afschaduwing vormen van de algemene Essentie, terwijl Aristoteles juist in de Natuur op zoek ging naar die Essentie. Aristoteles kon dat doen omdat hij die Essentie kende en dus wist waarnaar hij zocht. (p.275)94  Die Essentie was in de middeleeuwen echter minder helder (of men was vergeetachtig geworden) en men wist dus niet meer waarnaar men zocht. De essentie die men vond werd door de Realisten nog steeds de Essentie genoemd, terwijl de Nominalisten het als menselijke theorie slechts een 'naampje' (of nog bagatelliserender: flatus vocis, 'ademtocht') noemde en dat maakte de middeleeuwse verwarring erg groot. Men bereikte rond het jaar 1000 een compromis: de Essentie is aanwezig in de gedachte van de Schepper van de Natuur, de essenties zijn aanwezig in de gedachten van de mens over de natuur en dan zijn er ook nog essenties in de Natuur zelf. Na de oprichting van de universiteiten werd het verstaan van de goddelijke Essentie steeds moeilijker en toen men die eindelijk kon loslaten, voelde dat als een bevrijding. Toch had men een alternatief nodig voor de Essentie. Het overeenstemmen van essenties met de Essentie, die eigenlijk alleen nog maar in de vorm van afgeleide dogma’s aanwezig waren, was al die tijd nog wel een ijkpunt geweest, een norm voor waarheid. Zonder zo’n ‘Gods Eye’ kan je wel essentietjes verzinnen, maar wat is daarvan waar? In Newtons tijd bedacht men dat je gewoon heel goed naar de natuur moest kijken en dan zag je die essenties vanzelf. Daar had je al die dogmatische stellingen over de Essentie helemaal niet voor nodig: het werden overbodige hypothesen. Verlichte natuuronderzoekers gingen zelfs zover dat als de natuur niet mee werkte met het prijsgeven van haar essenties, dat men de natuur dan via experimenten kon dwingen om haar essenties prijs te geven. De methode stond garant voor de waarheid en de methode was gebaseerd op een vanzelfsprekende rationaliteit. De ‘ontdekte’ essenties bleven echter menselijke gedachten. De kerk had dit door en sprak van het veronderstellenderwijs opperen van uitspraken zoals die van Copernicus. Daar had men geen moeite mee. Het waren hypotheses waarmee men makkelijker kon rekenen en een juiste berekening zegt nog niets over een overeenstemming met de Essentie. In de tijd van Einstein werd men zich bewust van de vrijheid die men heeft in het opstellen van hypotheses. Men is daarbij zelfs niet gebonden aan het kijken naar de natuur: men kan gewoon een hypothese verzinnen. Maar wat is de norm voor waarheid wanneer het spreken van God en het spreken van de natuur beide overbodig zijn geworden? Einsteins antwoord was: het experiment maakt wel uit welke hypothese klopt, de hypothese zelf is een vrije schepping van de menselijke geest. Toch moest Einstein later toegeven dat het niet zo eenvoudig lag. Zijn uitspraak “God dobbelt niet” en zijn opstelling in het debat met Bohr laten zien dat men zich bij het opstellen van hypotheses kan laten inspireren en dat deze inspiratie sterker kan zijn dan de experimentele resultaten die normerend zouden moeten zijn. Na de algemene relativiteitstheorie heeft Einstein de rest van zijn leven gewijd aan het zoeken naar een meetkundig schone theorie die de grillige kwantumverschijnselen zou omvatten. Er is kennelijk een verschil tussen de vrije verbeelding in het voorstellende denken en een dieper overtuigende inspiratie van een geometrische orde (naar de maat van de aarde) in de kosmos. Met deze beschouwing heb ik het experiment en het instrument toegevoegd aan het nog steeds actuele thema van de universaliastrijd en opnieuw vraag ik: wat heeft nu deze beschouwing vanuit de wetenschap met techniek te maken? Wat is de parallel tussen het rationele en het maakbare?

 

God is het prototype van de ingenieur. Ten tijde van de mechanisering van het wereldbeeld was het Leibniz die (in navolging van Descartes leerling Geulincx) God opvoerde als de maker van de klok die natuur heet. De natuur als ingenieuze schepping. Het ingenieuze van de Goddelijke Essentie was ten tijde van Leibniz echter al overbodig geworden. De cartesiaanse methode had die Essentie niet nodig en kwam er niet op uit. Voor bepaalde aannames gebruikte Descartes nog wel de idee van een Essentie (bijvoorbeeld: 'God bedriegt ons niet'), maar voor zijn methodes van analyse en synthese zelf was de Essentie niet meer nodig. Aan God als ingenieur en aan zijn product de natuur, werd dus de Essentie ontnomen, omdat men geen andere methode meer kende om die Essentie te leren kennen. In onze eeuw lijkt nu ook aan de menselijke ingenieur de essentie ontnomen te worden, door de introductie van constructivistische methodes. Hij wordt gedegradeerd tot een onderhandelende reparateur van klokken.

 

Methodes zijn, filosofisch beschouwd, niet neutraal, maar vertegenwoordigen een bepaalde opvatting van de werkelijkheid. Deze opvatting concentreert zich op het substantiebegrip. Via het substantiebegrip dat ten grondslag ligt aan methodes kom ik op het spoor van de (filosofische) verschillen tussen methodes en de impact van de (grootschalige) toepassing van die methode voor de werkelijkheid. De belangrijkste (theoretische) ontbergingswijze die men ten tijde van Leibniz kende was die van Descartes. Het substantie-begrip van Descartes was helder: er is materie (res extensa: uitgebreidheid) en er is denken (res cogitans: voorstellen). Deze twee substanties kunnen niet tot elkaar herleid worden volgens Descartes, en vandaar dat hij over dieren kon spreken als machines, want dieren kunnen, wederom volgens Descartes, niet denken. Bij de mens twijfelde hij echter. Een mens kan denken, tenminste daaraan twijfelen, maar bezit ook een lichaam. Sterker nog: er lijken overeenstemmingen te bestaan tussen het fysieke en het psychologische in de mens, alleen Descartes kon een wederzijdse synchronisatie tussen beide substanties niet aannemen (hij ging immers van een onderlinge onherleidbaarheid uit). Zijn pogingen om de pijnappelklier aan te wijzen als gezamenlijke bron was een zielige vertoning, waarmee hij overigens wel de rest van het menselijk lichaam (wat dus in zijn opvatting onbezield en zonder geest was) heeft prijsgegeven voor onbelemmerd medisch onderzoek. (p.8,10)10 Aan de hand van het voorbeeld van de klokkenmaker, maakte Leibniz duidelijk dat hij, net als Descartes, ook geen wederzijdse afstemming tussen de beide substanties op het oog had (de beide klokken werden niet door eenzelfde bron aangestuurd). Leibniz stond zelfs niet toe dat God als onderhouder de beide klokken af en toe gelijk zette (het standpunt van de occasionalisten), maar hij ging uit van een God die beide klokken perfect had gemaakt, en gelijk gezet, zodat ze daarna geheel zelfstandig altijd op tijd zouden lopen, zodat het lijkt alsof er een noodzakelijke samenhang tussen beide substanties is.      

 

Iemand die tijdens het begin van het moderne substantiebegrip kritisch meedenkend tot een origineel alternatief kwam, was de Amsterdamse filosoof Spinoza. Hij ging niet uit van een dichotomie tussen denken en uitgebreidheid, maar zag dat deze beide modaliteiten waren van een eenheid: dè substantie (de scheppende natuur, God), die veel meer modaliteiten heeft, maar waarvan er voor ons mensen maar twee kenbaar zijn: het denken en de uitgebreidheid. In het beeld van de klokken: de substanties zijn twee wijzerplaten van dezelfde klok. Hubbeling geeft aan dat Spinoza als overgangsfiguur gezien moet worden tussen de scholastieke en de rationalistische traditie. (p.39)56  Toch maakt hij in zijn verdere verhandeling aannemelijk dat Spinoza’s methode eerder een creatieve voortzetting is van de scholastische methode dan een variatie op de methode van Descartes. (p.42 e.v.)56  Spinoza proclameerde een geometrische methode en in die strikte vorm heeft hij zijn ‘Ethica’ geschreven. Om zijn substantiebegrip, dat de tweeheid van Descartes terugvoert tot een oorspronkelijke eenheid, ordelijk te formuleren gebruikte hij de geometrie. De substantie als datgene wat ‘eronder staat’ en uit zichzelf bestaat (zelf geen andere dragende grond nodig heeft) kan men zich denken als een onmetelijk groot vlak, bijvoorbeeld een blad papier, en de afzonderlijke dingen kan men zich denken als de figuren die op dat vlak getekend kunnen worden. Wanneer men nu dit vlak met lijnen in vieren deelt en men zich afvraagt waardoor één deel bepaald, begrensd wordt, wat dus de voorwaarden zijn voor dat ene deel, dan duidt men op de andere omliggende delen en niet, tenminste niet onmiddellijk, op het vlak, hoewel zonder dat vlak geen van de delen kan bestaan. Zo wordt elk eindig ding door andere eindige dingen bepaald en wordt geen ding onmiddellijk door God bepaald, maar wordt middellijk wel alles door God bepaald. Door middel waarvan? Wanneer we één van de vier delen weer in vieren delen en zo verder ontstaan er een oneindig grote verzameling van alle mogelijke dingen en dit is de ‘oneindige modificatie’ die onmiddellijk uit God volgt. Er zijn dus drie begrippen: de oneindige substantie (God), de oneindige modificatie (Alles) en de afzonderlijke modi (de dingen).

 

Spinoza’s methode is er nu op gericht om de afzonderlijke dingen in God te zien. Daartoe wil hij de dingen eerst zo zuiver mogelijk beschrijven alvorens iets over ethische zaken te zeggen. Volgens Hubbeling hangt dit zuiver beschrijvende karakter nauw samen met het gebruik van de geometrische methode. Hoewel het vanuit een deductieve aanpak voor de hand gelegen zou hebben te beginnen bij God en van daaruit de algemene begrippen af te leiden en vervolgens het wezen van ieder mens te bepalen, doet Spinoza dit niet. Hij moet van zo’n algemeen begrip mens niets hebben. Hij legt alle nadruk op het concrete ding en stelt dat elk ding zijn eigen wezen heeft (essentia particularis). Spinoza volgt hierin de nominalistische traditie. (p.47)56  De concrete en diverse werkelijkheid wordt rechtgedaan door deze te beschouwen als rustend in de ene substantie. Dit is echter geen dogma, maar een weg die bewandeld moet worden. Met Spinoza’s geometrische methode kan men leren hoe alles gezien kan worden in het licht van de eeuwigheid (sub specie aeternitatis). Hierdoor kan men leren zien dat alles mathematisch noodwendig (als de volgende stap in een reeks) uit God voortvloeit zoals het komen moet en dat we zel